← Table of contents
Ontboezemingen

OM DEN ZUID[11].

Reading edition

OM DEN ZUID[11].

O Meer! Mutter der Schönheit. —

HEINE.

Om den Zuid zeilen we — en onze bark zeilt goed!

Als een wiek neigt ze zich naar den magtigen adem; vlug, als de vrolijke dolfijn, schiet ze op en af de toppen der golven; met zachten, snellen gang glijdt ze voort; ze lacht met de rollende waterheuvels, en kroont de berghooge[12] baar, die dreigde haar te overstelpen.

De zon neigt onder; en aan de westelijke kim, waar ze haar stralen voortschiet, als lichtbundels van achter den gulden rand der donkere stratus — tintelen de verre golftoppen van schitterend groenen goudglans. — En zonderbare wolkengroepen rijzen op, voortgedragen door den wind die van de Pool blaast: koppen van reuzen die elkaâr vervolgen, monsters en draken die heenspoeden naar 't gebergte Kaf. Zij wisselen van gedaante, en pakken zich zaâm tot magtige gevaarten, of spreiden zich tot fijne vederstrepen, of wollige schaapjes. — Nog even vertoont zich de vurige zonneschijf boven den horizon, en overgiet de schuimende wateren met den laatsten hellen purperglans des daags. Dan, als ze is weggedoken, kleurt ze nog met duizend tinten 't jagende, stormende wolkenheir. — Hoe vormen zich bogen en gouden poorten; heuvelen doemen op en boomgroepen, gestalten van lusthoven en kasteelen — — als met geesteneilanden bevolkt zich de horizon! Wat wisseling van kleuren: hoe smelten blaauw en groen en geel te zamen, tot oranje en purper en bloedrooden gloed! — Zachtkens doet de schemering de vurige groepen verbleeken; — nog slechts stervend teekenen zich de rozige tooverbeelden, zich oplossend in 't nachtelijk graauw; — een donker, bloedkleurig waas zweeft als een sluijer over den oceaan, en dekt als een rouwfloers de ongetemde, hoogslaande zeeën, die opschieten, half nog glorend in den schijn van 't bleekend avondrood, half reeds lichtend met den electrischen glans van haar spattend schuim.

We zeilen om den Zuid — en onze bark zeilt goed!

Waarom klopt dan ons hart van een vreemde siddering, die we nooit kenden — ? Is 't angst die ons vervult, bij 't aanschouwen van de woeste wateren — ? Of, doet de Zuidewind ons rillen, als hij zijn somber lied ons voorzingt, in luide, klagende toonen — ?

Neen — maar de Bootsman vertelt sprookjes.

We hebben even geluisterd; en 't was, alsof een stem ons in de ooren klonk, anders dan die van den ruwen zeeman, den grijzen, grofgespierden rob. — — Zie, de matroos schaart zich óm hem; hij poogt te lagchen met 't geen de Nestor opdreunt — maar hij kan niet: een ongekend gevoel doet hem zwijgen. Hij, die spottend opklautert in den slingerenden mast, als de zeilen wegslaan uit de lijken; als één misstap in 't duister, één misgreep tusschen de natte, zweepende touwen, hem zal begraven, zonder afscheid, zonder groet, in de woelende zee — — hij siddert bij de verhalen van den oude.

Ik was de man aan 't roer. — De nacht was guur en buijig; en de opperstuurman, die de hondewacht had, vloekte en bromde in zichzelf — : hij wist wel dat de reis slecht zou wezen. En ik wist 't ook: want 't schip lag aan bakboord over, en de Kaptein had op Vrijdag willen uitzeilen. 't Kon niet anders, of er moest ongeluk zijn op de reis.

De nacht was koud en stormig; de wind nam toe, en er dansten blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.

Opeens — zie ik iemand naast me staan, aan lijkant van 't roer; en ik voel, hoe 't rad me wordt omgedraaid in de vuist, dat we drie streken zuidwaarts loopen buiten den koers. — 'k Zeg: »hé, stuurman, wat nou!" Want ik meende dat hij 't was. — Maar toen ik weêr keek, was de maat verdwenen, en de Stuurman zat rustig op 't kippenhok. — Toen schrok ik, en ik vroeg: »Stuurman, heb-je niets gezien?" — Maar hij zeî: »Piet, je droomt — hoû je zeilen vol!" — Zoo stond ik een poos, en dacht er over, hoe een mensch zich dingen kan inbeelden — — toen ik weêr een ruk voel aan mijn roer — en weêr zie ik iemand, een zwarten kerel, dáár, naast me, — die Zuidelijk wendt. — De Stuurman ziet hem ook; hij schreeuwt: »wiedaar?" — Geen antwoord. Hij komt op hem af; maar de vent verdwijnt in 't duister. — Toen sloeg ons de schrik in de beenen: »Stuurman, droom ik nog?" — »Neen, Piet, ik ga den Kaptein roepen." — »Stuurman, blijf hier — 't is de booze — ik kan niet alleen zijn aan 't roer — straks komt 'ie weêr!" — — En, God — daar was 'ie: voor de derde maal zag ik hem; hij wringt me 't rad uit de knuisten, en stuurt Zuidelijk, Zuidelijk, met bovenmenschlijke kracht. — Een vloek, een bezwering, een woeste greep — — maar hij belacht ons, en laat ons alleen.

Toen heeft Stuurman de wacht geroepen, en den Kaptein uit kooi gehaald, en alle man op 't dek: want we waren verschrikt; en 't werd noodweêr, noodweêr! De wind nam toe, en immer dansten de blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.

Naauw stonden we zoo bij elkaâr, de Kaptein en al 't volk — of één schreeuwt er: »een schip, een schip!" En 't was een schip, dat oprees, als een lichtende vlek, aan den zwarten horizon. — Hemel, hoe vreemd; 't is of de golven hem niet deren; — hij breekt ze, en snijdt in den wind op; — hij vliegt, als door geesten gedreven! Ziet, hoe hij flikkert met blaauwen weêrschijn! — Wat zonderling tuig, wat licht aan boord — een schip van vuur — wee, als hij 't was! — Hij nadert — — hoort hoe 't loeit en giert; — de storm verdubbelt; — ons vaartuig botst en stoot en stampt — — »Ohee, óm je roer!" — Heer Jezus, hij loopt op ons in! — »Schip vóór, ohee — — schip vóór — óm je roer — ohee — — !"

Daar kraakt en dreunt 't in onze kiel; en een schok smijt ons overzij — een schok, als was de wereld gespleten! — Een stortzee ploft over ons, bruisend en donderend — — en in 't huilen van den storm, verliest zich de doodskreet van twintig arme kameraden — —

Zóó vertelt de oude Bootsman.

En als hij opstaat, om een pijpje aan te smakken — volgen hem allen naar de warme kombuis, waar een oorlam hen sterken zal tegen de malle sprookjes van den ongeluksvogel.

Ik echter, sta nog lang aan 't want geleund. — En 't is, alsof 't mij toefluistert uit de diepte, van wonderlijke avonturen, van schepen die gebleven zijn — men weet niet hoe of waar; alsof de wind mij legenden meêbrengt, van 't woeste Eiland der Bekommering — [13], en uit de verre streken van 't eeuwig ijs: — legenden, uit een wereld zoo koud en stormig: een spokende waterwereld.

De nacht is gevallen. 't Kleurenspel der ondergaande zon is uitgewischt van den hemel; en de bewogen spiegel der golven weêrkaatst 't bleeke licht van den Melkweggordel.

Plegtig rollen de hooge zeeën. Orion en 't Kruis flonkeren aan den wijden boog. Als geniën van den storm zweven de witte Albatrossen[14], de gieren van den Oceaan, de hongerige lijkbezorgers van den drenkeling. — En zie, vurige strepen schieten door 't water: ze volgen ons, en halen ons in van alle kanten! — 't Zijn Bruinvisschen, goede vrienden, die hun breeden rug ons leenen zullen, en ons dragen in den veiligen Pyraeus, als ons schip wegzinkt in de diepte[15]. Zij duiken op, paarsgewijze, en schijnen, met sierlijk luchtige sprongen, de beweging der golven na te bootsen; — wind voorspellen ze — nog meer wind![16]

Maar wij vreezen niet. Op God vertrouwen we, en op onze sterke kiel, en op ons gunstig gestarnte!

We zeilen om den Zuid — en onze bark zeilt goed!

43° OL. 46° ZB. Februarij, 1866.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings