PORTSMOUTH BINNEN.
Reading edition
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
The road of Spithead. — Van hier, dacht ik, zeilden Marryat's midshipmen uit, om er — na 't verrigten van tallooze exploiten tegen Franschen en Hollanders, en 't stoven van onnoemelijke koolen aan hun wettig gestelde superieuren — met lauweren gekroond terug te keeren. O, schim van Percival Keene, en gij, veelgetrouwe Jacob Eerlijk — hoe benijdenswaard was uwlieder lot op aarde: gij, die als contrabande of als vondelingen werdt in 't leven geschopt, en voor wien uw schepper toch steeds rijkdom, rang en een lieve vrouw in 't vat hield — ! — En ik, Gabriël, van onberispelijke ouders, onder een welwillende constellatie geboren, met de bevalligste talenten toegerust — ik, Gabriël, die nooit schulden maakte, nooit bloed vergoot, en nooit jongejufvrouwen den zielenvrede stal — zie mij gedwongen, in den gehaten Oost een sober bestaan te zoeken — ja, moest onlangs juist dáárom, mirabile dictu! — ofschoon ik niet aan den drank, doch gereformeerd ben, en geen knevels, doch nette blonde bakbaardjes draag — bij een dom burgerkind, dat ik met mijn naam, rang en traktement — van mijn persoon sprak ik niet — 'reis regt gelukkig woû maken, een ijskoud blaauwtje oploopen. — »Wee mij," riep ik, in de bitterheid mijner ziele — »wee mij! — Gerrit Witse mogt wenschen, een stommeling te zijn — en hij had regt. Doch ik, Gabriël, die een stommeling ben — ik zou kunnen bidden: och, dat ik een Carlo Moor, een Gustaaf de Losbol — dat ik een Percival Keene, een Jacob Eerlijk — och, dat ik een romanheld ware!"
Onder deze en dergelijke hartverscheurende overdenkingen, wandelde ik, half wakend, half droomend, de campagne op en af; en niemand kan berekenen, tot welke gruwelijk antisociale gevolgtrekkingen mijn alleenspraak me zou geleid hebben, noch, in hoe korten tijd mijn geest, zoo speculerend, van Spithead tot aan Tawaï-Poenamoe was verdwaald — indien niet tijdig mijn aandacht ware afgetrokken door de machine, die, steunend en blazend, onze »Meermin" van de buitenreê naar de haven ging slepen. — Ik schudde den nevel mijner overpeinzingen van me, en overtuigde mij alras, dat mijn vleeschelijk oog, meer nog dan mijn geestelijk, hier stof tot opmerking kon vinden.
't Was een regt levendig panorama, dat zich vóór en rondom ons uitstrekte. Vrolijk scheen de winterzon over de tot rust gebragte wateren, lustig dreunde 't geschut van batterij en oorlogsbrik — de kogels huppelden over de golven, gelijk steentjes waarmeê we als jongens den vijver scheerden; en honderd bonte vlaggen wapperden van steng en gaffel, als zooveel huldetolken van de verschillende natiën, die aan Albion's kust een veilige schuilplaats hadden gevonden.
Toch stonden de aangezigten onzer scheepsgenooten droeviger dan ooit: hun oproerige woede van gister had, even als de storm, uitgeraasd, om plaats te maken voor een stille, mokkende onderwerping, die zich 't duidelijkst — in een somber, dreigend, onheilbroeijend, angstverwekkend zwijgen, had geopenbaard, toen de kapitein, gedurende 't ontbijt, op officiëlen toon had meêgedeeld, 't geen elk reeds wist doch niemand hooren wilde, namelijk, dat, volgens artikel zooveel van de scheepvaartwet: »de passagiers van een schip gehouden zijn, op eigen kosten een onderkomen aan den wal te zoeken, ingeval en gedurende den tijd, dat meergemelde bodem in eenige haven wegens averij binnenloopt en vertoeft."
Voorloopig had wel de Heer Hupman — geconfijt, als hij was, in staatsbladen — velen onzer gerustgesteld met de aanhaling van zeker Koninklijk Besluit, waarbij, in dergelijke eventualiteiten, aan gouvernementspassagiers een tegemoetkoming van ƒ 10. — 's daags wordt toegestaan — edoch, niet allen waren zoo gelukkig den rang van landsambtenaar te bekleeden — ergo: niet allen zouden de behulpzame hand mogen vatten, die een moederlijk bezorgde Regering hier, bij uitzondering, slechts haren goede en getrouwe dienstknechten meende te moeten toereiken. Daar was Fräulein Einheit, particuliere, wier geheel Hessisch vaderland bij verkoop niet zóóveel zou opbrengen, als zij in 't dure Engeland zou moeten verteren; en Mevrouw Tripvoet, particuliere, die »met den handschoen was getrouwd", en al haar geldje in haar uitrusting had gestoken; daar was ook de rampzalige Lepidus, particulier, met vrouw en kroost en bijhebbende baboe — maar hij was »van Britsche extractie", beweerde hij, en zou in London bij een neef van hem gaan logeren.
Na verloop van een half uur lag ons vaartuig in 't dok, en kwamen de custom-officers aan boord. »Sic an host of idle English gaugers and excisemen as hae come down to vex and torment us, that an honest man canna fetch sae muckle as a bit anker o' brandy frae Leith to the Lawnmarket, but he's like to be rubbit o' the very gudes he's bought and paid for." — Niet, dat de menschen onbeleefd waren — doch ze kenden hun pligt: al onze sigaren, tabak en dranken moesten afgegeven worden, en zagen we in een leêge hut onder zegel weggestopt. Schrijver dezes ondervond ook hier weêr, hoe een goed woord en een gulle hand wonderen verrigten: een honderdtal sigaren en een pond fijnen Portorico deed hij zóó, zonder al te schandelijke machinatiën, van uit de klaauwen der wet in de plooijen zijner reistasch overgaan. Zijn medebroeders in de verdrukking, waarvan de meeste de tale Babylon's niet magtig waren, kwamen er echter minder goed af; en, niet weinig waren de rond orthodoxe verwenschingen, die naar 't hoofd werden gesmeten van een natie, zóó barbaarsch en ongastvrij, dat ze den vreemdeling, den hulploozen schipbreukeling, zelfs de pijp tabak en 't slokje klare, die eenige troosters in tegenspoed, willekeurig dorst ontzeggen: — »ze waren toch geen marskramers, geen vagebonden, die schagcheren zouden in gesmokkelden jenever en tabak; neen — 't was niets dan nijd en afgunst van John Bull, die zelf geen redelijke sigaar te rooken, of goeden borrel over de lippen kreeg, doch zich met stinkenden shag en slappen whisky moest behelpen: en 't daarom een ander niet gunde, dat die zich aan beter kost te goed deed." — Zonder nu, in deze hoogst teedere kwestie, vóór of tegen John Bull te durven beslissen, en in deze ons geheel onderwerpend aan de nadere uitspraak van een bevoegd staathuishoudkundig lezer, willen wij ons bepalen tot de vermelding van 't feit, dat, na aldus successievelijk ten speelbal te hebben gestrekt aan winden, wateren en willekeurige wetten, onze reizigers vrij knorrig gestemd aan wal stapten.
Onze eerste gang was naar den Consul, den Heer Q., een Hollander, die tevens Consul was voor Frankrijk, Italië, Rusland, Zweden, en, de hemel weet 't, waarschijnlijk ook voor Mesopotamië en Monomotapa. Deze Heer was ontwijfelbaar eenige duizend jaren te laat in 't leven getreden: hij toch had, gedurende den wereldberoemden torenbouw, onbetaalbare diensten kunnen presteren, daar hij, volgens algemeen beweren, niet minder dan zeventien talen sprak — hoewel geen enkele slechter dan zijn eigen moedertaal — behalve misschien 't Patagonisch. In zijn hoedanigheid van Consulair Agent beloofde hij ons herhaaldelijk en op 't nadrukkelijkst, de belangen zijner landgenooten te zullen behartigen; van welke patriotische gezindheid hij ons al dadelijk een doorslaand bewijs gaf, door onze goede Hollandsche bankbiljetten wel, tegen een matige provisie van 10%, te willen inwisselen.
Een tweede, nog gewigtiger pligt, bestond in 't zoeken van kamers voor de verschillende familiën. Dit ging niet zoo gemakkelijk, daar 't oordeel van respectieve vaders en moeders, hoofden der huisgezinnen, ten opzigte van stand en huurprijs telkens lijnregt vijandig tegenover elkander stond. Vooral de Heer Grogmeijer had een zwaren strijd met zijn wederhelft te strijden, toen hij, na verscheiden woningen als onuitstaanbaar smerig te hebben afgekeurd, ten laatste zijn zinnen scheen gezet te hebben op de kamers van zekere Missis North, die een paar ooglijke dochters tot assistenten had. De kamp tusschen vrouwelijken argwaan en mannelijk gezag was juist op 't vinnigst, toen men eindelijk des geduchten Grogmeijer's haan hoorde koning kraaijen — dank zij de plotselinge tusschenkomst van den Majoor, die zelf, met groote waardigheid, doch in slecht Engelsch, er toe overging, voor zich en de zijnen bij genoemde Missis North kamers te bespreken: tot loon van welke bemoeijenis hij zich, zoolang de zeereis duurde, heeft moeten buigen onder de venijnige schampscheuten, waarmeê de overwonnen she-Grogmeijer goedvond, zijn reputatie als getrouw en onkreukbaar echtgenoot te havenen. — Hem volgden, behalve de Grogmeijers, ook Mevrouw Tripvoet, mitsgaders de hoogst gezellige, hoogst sociale en galante Heer Hupman. — De door 't geluk verlaten Lepidus, die zijn stamboom even scheen nagezien te hebben, en bevonden, dat hij den Londonschen neef toch wat al te ver bestond om op gastvrijheid te kunnen rekenen — hij, zeg ik, met vrouw, kroost, bijhebbende baboe, en de Hessische Einheit aan 't lijntje, sloeg zijn tenten op bij den koekbakker Horris. Ik geleidde hem daarheen, om voor hem, tegenover den huisbaas, 't woord te doen; en moest bij die gelegenheid 's mans bittere klagt aanhooren: hoe hij, die nu, pas drie weken geleden, Duitsch had moeten aanleeren, om zich bij zijn beschermelinge, Fräulein Einheit, verstaanbaar te maken — nu weêr genoodzaakt was, zich van-meet-af-aan in 't Engelsch te gaan oefenen; — dat was dan ook waarlijk te veel voor iemand, die zich zelfs in 't Hollandsch niet dan hoogst onvolmaakt uitdrukte. — Wij eindelijk, Josua, Judocus en Gabriël, huurden ons een nederigen optrek onder de vleugelen van zekere eerzame weduwe Weeks, een stijve, puriteinachtig uitziende oude vrouw, die dan ook toonde, meer zorg te dragen voor 't heil harer onsterfelijke ziele, dan voor 't welzijn en comfort van haar dikwijls hongerige en verkleumde commensalen.
Dús zagen we ons allen op Britsch grondgebied onder dak gebragt. — De eerste dagen werd er veel gepreuteld, en klaagde men over verveling. Judocus had spijt, dat we niet in een Fransche haven waren binnengeloopen: hij haatte de Engelschen, omdat ze Engelsch spraken — 't geen hij niet verstond, ofschoon hij 't op de school toch perfect geleerd had; en omdat ze groenten zonder zout kookten — 't geen hij niet lustte; en vóóral, bóvenal haatte hij ze — omdat ze Engelschen waren. Zelfs Josua, de geboren, luchthartige wereldburger, hield nog immer vast aan een oud-Europeesch vooroordeel, en bleef zijn sympathie weigeren aan 't geen hij noemde »stijve goddam's." — Doch, eilieve, Josua mijn vriend — wie u een week na dato had ontmoet, toen ge rondfladderdet als de derde Kalender, Koningszoon, in 't tooverpaleis der veertig jonkvrouwen — — zou u voorwaar eêr hebben doen gelooven aan Nederlandsche energie, Pruissische redelijkheid, of Chineesch liberalisme — dan aan Engelsche stijfheid — ?
November, 1865.