← Table of contents
Ontboezemingen

RUZIE AAN BOORD.

Reading edition

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

Onze »Meermin" was afgetimmerd, opgetuigd en uit 't dok gehaald. — Wij, passagiers, hadden Engeland en onze Engelsche vrienden vaarwel gezegd, waren als lammeren ingescheept, en — reden ten tweeden male voor Spithead ten anker, om dienzelfden nacht nog onder zeil te gaan.

Nog een laatsten droeven afscheidsblik had ik geworpen op de lichtjes, die, flaauw schemerend in den mistigen Decembernacht, als schreijende sterretjes mij hun schijnsel toezonden — ver van over 't koude, breede water. En toen ik mijn weemoed genoeg had lucht gegeven — toen werd 't mij toch wat guur en eenzaam op 't dek; en ik ging omlaag, om wat afleiding te zoeken in den altijd gezelligen kring van Josua en Judocus, van Grogmeijer, Hupman, Lepidus en consorten. — Wél zou ik afleiding vinden; doch niet van dien aard als ik ze mij had voorgesteld.

Onder 't in de kerk verzameld gezelschap heerschte een ongewone stemming: iets sombers, iets dreigends, was op aller aanschijn te lezen. De Kapitein hield zich absent — 't geen 's avonds zelden gebeurde — en scheen 't ontzettend druk te hebben met in zijn hut eenige papieren dóór elkaâr te gooijen. — Ik zette mij neêr, ten hoogste verwonderd en eenigzins beangstigd door een stilzwijgen, dat mij voorkwam niet ongelijk te zijn aan de loerende onbeweeglijkheid van den tijger, die op 't punt is zijn prooi te bespringen; of — om eens een nieuw beeld te gebruiken — aan de doodsche kalmte die 't losbreken van den Cycloon voorafgaat. — Waarom toch galmde niet 't sonore stemgeluid van den onuitputtelijken Josua, en deed zich niet 't blij gegiggel hooren waarmeê de meisjes des geestigen Hupman's uijen plagten welkom te heeten; waarom zweeg van uit 't paviljoen de suikerzoete zang der schwärmerische nonna Flora; waarom solde de Majoor niet zijn Kareltje in slaap, en schold der Grogmeijers echtpaar niet op de stommiteiten, door Lepidus en ega onder 't quadrilleren begaan — ? Waren ze allen zóó bedroefd wegens hun vertrek uit Engeland? O neen, tot zóó'n malle smartbetuiging was slechts de sentimentele Gabriël in staat. Was er iets, broeijend tusschen de passagiers onderling? Ik wist, dat 't voorgevallene te Portsmouth met zeker min smakelijk kippeboutje, dat, in een paroxismus van ontembare verontwaardiging, door één der gehuwde dames op 't bord eener andere was geslingerd, tusschen beide die dames de zaden van onmin had gestrooid; doch 't was tevens van algemeene bekendheid, dat, dank zij de pogingen der verzoeninglievende echtgenooten, die veete sints lang was bijgelegd. Wat mogt dan wel de oorzaak wezen, dat er haat en nijd geschreven stonden op die anders steeds minzaam lagchende aangezigten?

Terwijl ik zoo gis en peins en rondkijk — staat de Hr. Hupman op, verdwijnt in zijn hut, en komt terug met een aangestoken bougie, mitsgaders een papieren zakje en een trekpot in de hand; hij verzoekt op pathetischen toon één der dames, zoo goed te willen zijn, thee te zetten voor 't gezelschap — : van zijn thee, namelijk; vervolgens plaatst hij de kaars vóór zich, en vangt aan met zóó geconcentreerde aandacht te lezen — : bij 't licht van zijn kaars, namelijk — dat 't scheen, alsof zijn eeuwig zieleheil er van afhing, nog dienzelfden avond heel »les Mystères de Londres" van buiten te leeren. — Intusschen heeft de Kapitein, die, met loenschen blik en gespitste ooren, alles zag en hoorde, 't noodig geoordeeld, na een dergelijke provocatie uit zijn schelp te kruipen, en op leuken, verbaasden toon te vragen, »of de scheepsthee niet deugde, dat de heeren en dames van hun eigen thee gingen zetten?" — Dáár was de klink van 't schip, de lont in de kruidkamer! — Een algemeene uitbarsting volgde: zooveel tongen er waren, zóóveel tongen klepperden er, als zeilen in een windhoos; en dermate oorverdoovend was 't geraas der stemmen, dat niemand dan ik 't vernam, hoe een paar liefhebberij-vogeltjes van den Hr. Grogmeijer, uit hun eersten sluimer gewekt, piepend omduikelden rond hun stokjes; en hoe de dertien honden op 't dek aansloegen en basten, als zooveel spruiten van den boozen Cerberus — !

Hoort hier wat er van de zaak was.

Reeds sedert ons vertrek uit Holland, had 't gezelschap zich beklaagd over de slechte kajuitverlichting, alleenlijk daargesteld door twee lekkende, middeneeuwsche patent-olielampen. De weinige lezers lazen zich hoofd- en oogpijn; de kaartspelers zagen schoppen voor harten aan; sommige jongeheeren, door de duisternis misleid, misgrepen zich vaak deerlijk in 't waarnemen hunner galante functiën tegenover sommige jongedames — ja, wanneer er niet erger geschied is, hebben ouders en voogden 't geenszins te danken aan den overvloed van licht gedurende de lange avonden aan boord van de »Meermin" doorgebragt. Voeg bij deze grief nog 't toedienen van ongefiltreerde keteltjeskoffie, en van thee die slechts onder 't veelbeteekenend epitheton van geut- of bordewater werd genoten — en ge zult u een denkbeeld kunnen vormen van de lang verkropte woede onzer reizigers, en van de billijke verontwaardiging, waarmeê ze den schuldigen gezagvoerder in koor aanvielen: immers, de thee was ditmaal, meer dan ooit, dunne spoeling gelijk; en de lampen verspreidden, om zoo te zeggen, een stralenbundel van tastbaar duister. »Hij, de achtelooze schipper, had nu toch, na zóó herhaald en dringend betoog, zich in Engeland van betere phosphoren kunnen voorzien; en, wat de thee aanging — de thee was goed voor de varkens, als die ze lustten, maar niet voor menschen, die nog wel zóó'n hoog passagegeld moesten betalen." — Ik vond 't magtig juist geredeneerd. — Mijn edele Josua, die toch reeds in een, niet ongewonen, ietwat bacchantischen toestand verkeerde, stelde zich aan 't hoofd van de oppositie. Hooge woorden en harde waarheden werden van beide kanten met prijzenswaardige openhartigheid gewisseld; ieder besprak zijn regt, elk herinnerde zich een gruwel; en — ik vrees, hadden de Tritons opgedoken van uit de zee, en in schetterende toonen »vrede!" gebazuind — hun geblaas ware om niet geweest, en hun kunst zonder uitwerking op de verhitte gemoederen der twistende scheepbewoners. — »Panem et Circenses!" was de kreet van 't Romeinsch gepeupel. — »Kaas en brood!" wilde 't volk van Noord-Holland. — »Licht en thee!" klonk 't in de kajuit van de »Meermin" — »licht, of uw leven, o Kapitein — thee, of uw bloed!"

En hoe liep de strijd af? — Werd er bloed gestort; werden Kapitein en bemanning over boord gesmeten? — of, zag men de raddraaijers onder de passagiers hun muiterij boeten, kromgesloten in 't donkere scheepshol — ?

Noch 't een noch 't ander. — Nadat beide partijen zich, gedurende een zeker tijdverloop, de keel hadden schorgeschreeuwd, begon men te bedenken, dat, men elkaar nog drie à vier maanden lang — zegge, drie à vier lange maanden — van aangezigt tot aangezigt zou moeten bekijken; de Kapitein zag in, dat hij beter thee en licht kon geven, en de passagiers overlegden in 't binnenst hunner harten, dat de thee en 't licht nu ook eigenlijk zoo slecht niet waren; kortom — men begreep, dat men zich belagchelijk aanstelde — iets, dat de zachtzinnige nonna Flora en de levenswijze jongeling Gabriël van den beginne af reeds gegist hadden — ; daarop verklaarde men, 't zoo niet gemeend te hebben; en eindigde, met elkaar de liefderijkst mogelijke concessiën te doen. — Zoodat onze vrienden, een uur later, toen een buitengemeene largesse van bisschop en koek was rondgediend, vredig zamen zaten tot 't maken van een genottelijk Zwarte-Pietje. Na beëindiging van welk onschuldig spel de Hr. Josua opstond, die, blakend van bier, grog en edelen vriendschapszin, een toepasselijken toast sloeg, welken hij besloot, met op de volgende wijs de woorden van den dichter te verminken:

»De Liefde zegt soms haatlijkheên, Die arme zielen plagen, Maar 't is tot nut van 't algemeen, En niet uit zucht tot plagen."

»Och", filosofeerde ik, toen ik in mijn bed stapte, »hoe kleingeestig is de mensch, dat hij om een handvol thee en een kruikvol olie den lieven vrede verstoort! Zouden de stomme visschen, in den schoot des oceaans, ook om zulke nietigheden malkander in 't haar vatten?" — »De visschen", stamelde Josua, met dubbelslaande tong, »die eten elkaâr op — vin en staart". — »En de menschen zuigen elkaâr uit, om slechts vel en been over te laten". — »De mensch is een redelijk wezen", stotterde Josua, »en neemt de vormen in acht". Dit zeggend, tuimelde hij te kooi, in een postuur dat ik liever niet beschrijven zal.

December, 1865.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings