LONDON-BRIDGE.
Reading edition
(GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
And I think how many thousands Of care-encumbered men, Each bearing his burden of sorrow, Have crossed the bridge since then.
LONGFELLOW.
Andante con moto.
Toen — en nu!
Toen was ik een arm studentje; — nu was ik »Ambtenaar van den Staat," Toen had ik minder pennies in den zak — dan nu shillings. Toen trok ik te voet door straat en steeg, en besproeide in een armelijk bierhuis mijn boterlooze boterham met twopenny ale; — nu stond op mijn wenken een cab gereed, en kon ik mijn plaats in Her Majesty's betalen, en smulde ik, als 't mij lustte, volop den geurigsten negus in the Royal Alhambra. Toen — — — — en toch, broêr Willibald — had ik gaarne al mijn pas verworven rijkdommen gegeven — om nogeens te kruijen door dik en dun, gelijk ik 't toen deed; ik had mijn schitterendste vooruitzigten, ja, 't lichtend visioen van den goudgeranden residentspet, blijmoedig in burgerlijke onbeduidendheid zien ondergaan — om nogeens bitter bier te drinken, zooals ik 't dronk in de nederige kroegjes die ik toen bezocht.
Want toen, broêr Willibald, slenterde en dronk ik met U — en nu dwaalde ik alléén er rond.
En weêr toefde ik op de brug: weêr leunde ik mij aan de breede balustrade, en zette mij neder op een der steenen banken aan den kant.
Ja, London-bridge was nog dezelfde gebleven. Nu, als toen, broêr Willibald, gleed onder mij de snelle rivier, »the silent highway"; nu, als toen, schemerde in de verte, een berg van zilver, de maanverlichte globe van St. Paul's magtigen koepeldom; nu, als toen, raasde vóór mij, langs mij heen, de onafgebroken stroom van menschen en menschelijke werken, woelend en in regelmatige verwarring zich verdringend, slovend en zwoegend, elk voor zich — dezelfde sprekende, schreeuwende, joelende, gonzende, ratelende schilderij van 't geen men in onze groote steden leven noemt.
Maar, gelijk de wateren van den Thames gewisseld hadden sedert toen — gewisseld en nogmaals gewisseld; gelijk de atoompjes die toen zijn bed vulden, door andere waren vervangen — : zóó ook was de levende stroom die mij voorbijholde, niet onveranderd gebleven: nieuwe beekjes waren toegeschoten, en de oceaan der eeuwigheid had zijn tol geeischt. — Ichabod! hoevele waren er toen onder die drokke voorbijgangers, die, als pelgrims op de verraderlijke brug des levens,[5] dansend en juichend hun weg vervolgden; andere, die peinzend voorttraden; nog andere, ijverig de veelkleurige luchtbellen najagend, die hoop en eerzucht hun vóórtooverden; hoevele ook, die nu, een korte wijle later, reeds gestruikeld waren, en, als ze 't minst er aan dachten, voor immer verdwenen in den zwarten vloed des tijds. — »Surely," zuchtte ik met Mirza, »man is but a shadow, and life a dream. Alas, how are we given away to misery and mortality! — tortured in life, and swallowed up in death!" — — — — — — — — — halfpenny Sir, halfpenny!" — En 't schelle stemmetje van een haveloozen straatjongen, gevoegd bij de onzachte aanraking waarin hij zijn houten schoentje met mijn likdoorn brengt — roept mijn geest terug in de valleijen van 't dagelijksch leven, wáár ik, onder grazende ossen, schapen en kameelen, er één vond: een blatend bokje — dat muskus-lucifers verkocht.
London. November, 1865.