← Table of contents
Ontboezemingen

EEN SCHEEPSTAFEL.

Reading edition

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

Triomf! — Storm, waar is uw prikkel — zee, waar zijn uw verschrikkingen! — — We zijn Scylla en Charybdis te boven gekomen. — De woeste Kaapsche wateren hebben we ver achter ons gelaten; St. Paulus en Amsterdam vlogen we als in een nevel voorbij. Reeds is de Steenboks-keerkring gepasseerd; ten tweeden male — en nu voor goed — koestert en zengt ons een tropische zonnegloed; nog weinig honderd mijlen — en we zullen 't land bereikt hebben — — 't vette land der belofte, 't onuitputbaar Gosen, waarheen onze wenschen ons vooruitvliegen, als die van Jason naar 't goudbelovend Colchis!

Wederom was 't morgen geweest, en middag geweest — de honderd-negen-en-veertigste dag. — Acht glazen — vier uur — zijn zoo even geslagen. We hebben dus, vóór 't eten, nog een uur den tijd. — De bitterglazen en domino-steenen zijn uit de kerk weggeruimd, om plaats te maken voor een tafellaken, dat niet kwalijk begint te gelijken op een schoolkaart van den Oost-Indischen archipel — : een groote bessesapvlek kan gevoegelijk Borneo voorstellen; terwijl een graskleurige streep daaronder — waarschijnlijk 't praecipitaat van een bordje snert — een niet onjuiste voorstelling geeft van Java's onverwelkbaar groene dreven.

't Is mooi weêr; en de bitteraars, die mét hun glaasjes zijn geamoveerd, klauteren naar boven, om hun liefelijk blozende oliekopjes een weinig aan den frisschen Passaat-wind af te koelen. — Ons schip loopt zes mijlen. Een prachtige namiddag-zon verguldt de vrolijk huppelende golfjes van 't azuren diep; scharen van wiegelende visschen schieten op vóór den boeg; de ligte zeezwaluw volgt fladderend ons pad, en scheert de glanzende luchtbellen in 't borrelend kielwater.

Doch al de wonderen dezer lagchende natuur zijn niet bij magte, onze reizigers doof te maken voor de stemme, die, roepend in hun binnenste als een wachter in den nacht, hen, onverbiddelijk waarschuwend, er aan herinnert: dat 't etenstijd wordt. — Hier hangt er een over de verschansing, of rekt zich uit aan een touw; dáár steekt men een sigaar op — maar 't rooken smaakt niet: want men heeft honger; ginds kijkt men op 't horloge van den stuurman — — nog twintig minuten! — maar dat 's een eeuwigheid! — Eindelijk valt men, geeuwend en half flaauw, op een bank of vouwstoel neêr, om, in magtelooze gelatenheid, de bestemde ure af te wachten. Gedurende die periode van algemeene smachting kan men gesprekken van 't volgend karakter beluisteren:

Mevr. A. 't Is toch waarachtig geen manier van doen — dat late eten!

Mevr. B. Dat zeg ik, mensch — ik weet niet hoe 'k 't nog uithoû, op den duur!

Mevr. A. En als ze je dan nog maar een boterammetje gaven, zoo 's middags bij de koffie!

Mevr. B. Juist, dat waren wij altoos gewoon t' huis.

Mevr. A. Dat spreekt — in een burgerhuishouden — —

Dús verwonderen die dames zich beiden, dat ze nog, bij zóó'n onmenschelijk dieet, 't leven hebben gehouden; en raken 't bovendien vrij wel ééns: dat blikjesvleesch toch niet halen kan bij een versche kalfslende; en dat er toch maar niets gaat boven een deftigen burgerpot.

Wij intusschen, Josua, Judocus en Gabriël, houden ons op een andere wijze bezig. We gaan voorop, om den Bootsman en 't volk wat in den weg te loopen; of — wat we liefst doen — we slepen den Doktor meê naar ons tusschendek, en zetten hem er even nog een paar brommen in: zoodat de rampzalige meestal te laat en met een besoesden kop aan tafel komt, als wanneer hij achterlijk blijft in zijn pligt van voorsnijden, en zich ziet blootgesteld aan de verwoede blikken van den Kapitein; — trouwens, waartoe dient dan ook de vertegenwoordiger der faculteit aan boord, indien 't niet is, om de gezondheid van de hem toevertrouwde leeken door genoegzame en tijdige voeding te helpen in stand houden — !

Daar luidt eindelijk de etensbel. Ieder staat op, en beweegt zich langzaam, uiterst langzaam — om zijn al te sterk verlangen niet te verraden — naar den welvoorzienen disch.

Welvoorzien — ja: want we hebben onzen dag bij uitstek goed gekozen. 't Is feest heden, dubbel feest: 't is Zondag, en de Majoor is jarig. Spek en pekelvleesch vullen slechts enkele schoteltjes; — de damp van wildbraad geurt ons tegen! — Van de soep maakt niemand veel werk, want elk is belust op de dingen die komen zullen. Naauwelijks is dan ook die kost naar binnen gewerkt, onder 't welbehaaglijk slobberen dat steeds aan 't genot er van schijnt te moeten verbonden zijn — of, ja — 't is geen zinsbegoocheling, geen deceptio visus — : de feestschotels vertoonen zich aan de kim — ze naderen — ze worden opgedragen!

Ziet die gans, gister nog snaterend in 't vol besef harer deftigheid, en in de zoete herinnering aan Brennus en 't gered Kapitool — ziet haar, hoe ze nu prijkt, ontdaan van dons en schachten, in al den glans van een bruingebraden opperhuid, in al de heerlijkheid van haar besausde ledematen! — Ze wordt ontleed; ze wordt den Kapitein aangeboden. — Eén boutje voor hem; één boutje voor de dame die naast hem zit. — Ze gaat verder; vier personen hebben den schotel laten passeren: vier boutjes zijn er van verdwenen. — Hoe jammer, dat zoo'n beest niet, als een Briareus onder de ganzen, tien pootjes en tien vlerkjes heeft — dan kregen we ieder wat! — Na nog eenige aanvallen te hebben doorstaan, komt ze bij ons — bij ons, jongeluî aan 't lagereind; — dáár is ze — hemel, we erkennen 't schepsel niet! Doktor, gij die ze gedecoupeerd hebt — we vragen u, wáár is de bruingebraden epidermis, wáár zijn de besausde vleeschheuvelkens? Spreek, beschonken zoon van Hippocrates — is dat een gans, een eetbaar gevogelte? — Een rif is 't, een naakt memento mori, dat, zonder twijfel, uitnemend geschikt mag wezen, om te dienen tot onderzoekingen betreffende 't beengestel van wijlen de occupante — doch geenszins, om een hongerige maag nieuwe stof tot vermaling te bieden!

Maar we protesteren — we wijzen 't scherminkel van de hand! — Mijn vriend Josua verheft zijn stem, spreekt van gelijke regten, en roept den hofmeester; Judocus slaat ook aan; zelfs Gabriël — de gelijkmoedige Gabriël, in bedeesdheid een tweede Joseph: »schüchtern wie ein Lamm" — waagt 't, een woordje op zijn pas meê in te brengen.

Nu — dat de eerste honger gestild is, begint de wijn rijkelijker te vloeijen; ook Doktor en Stuurman zien zich, van wege den jarigen Majoor, een extra bierglas ingeschonken. De supplementaire geregten zijn verslonden; door 't aanvoeren van enorme hoeveelheden »Jan in den zak" is men er in geslaagd, de kinderlijke kreten der jeugdige sinjo-tjes en nonna-tjes voor een oogenblik te versmoren. Straks wordt 't nageregt opgediend, en — onder 't orberen van muffe amandels en steenharde stoofappels, vangt 't gesprek aan eerst regt levendig te worden.

Wat er daar boven wordt afgehandeld — we weten 't niet; en slechts uit enkele, ter loops opgevangen, met keukenmaleisch doorspekte rededeelen, meenen we te mogen opmaken, dat sprekers zich ten doel stellen, de voortreffelijkheden der Indische keuken boven de Nederduitsche in een helder daglicht te plaatsen — welk een-en-ander hen niet belet, aan deze laatste de noodige eer te bewijzen. — Maar, aan 't benedeneind, achter den bezaansmast, wordt druk gebabbeld — en gelagchen. Laat ons hooren, of, 't geen de algemeene hilariteit zóó opwekt, ook in staat is, ons, zwartgalligen stoïcijntjes, een onwilligen glimlach van de lippen te persen. Bezweren we echter allereerst den toorn van hen, die zich aan een hoogst frivole en kinderachtige woordenwisseling zullen ergeren, door hun de verzekering te geven: dat we citeren.

Hr. Josua. Wel, Keetje, kind — wat kijk-je nijdig van daag! — scheelt er wat aan?

Nonna Keetje. Och, kijk naar jezelf! Wat zou er aan me schelen!

Hr. Josua. Nu nu — niet boos worden, hoor — anders raakt 't af met ons.

Hr. Judocus. Ja, en Jufvrouw Coba ook. Zeg, Jufvrouw Coba, hoe heb ik 't met U?

Nonna Coba. Och kom, laat me met rust!

Hr. Judocus. Cobaatje, denk er aan — : morgen moet je geslagt worden — je bent nu vet genoeg, en 't laatste biggetje is er geweest.

Nonna Coba. Wat maal-je toch — slagt jij jezelf!

Hr. Josua. (Presenteert haar een rotten appel.) Jufvrouw Coba, mag ik U dat zoo maar 'reis ter hand stellen — dat 's nu je galgenmaal.

(tot Keetje.) Hier, Keetje — vouw mijn servet 'reis op! (gooit haar 't servet naar 't hoofd.)

Nonna Keetje. (Smijt 't servet terug.) Ik dank je — doe jij 't zelf!

Deze laatste weigering geeft den Hr. Josua 't regt, om, bij wijze van représailles, der beide jonge dames een hagelbui van notedoppen, appelschillen en dergelijke om de ooren te smijten — alles tot groote verontwaardiging van Emile, den adjunkt-hofmeester, »die over al die vuiligheid dagelijks den nek breekt." De Hr. Judocus — »o diepstgevallen Simia!" — trekt een schalksch gezigt, en volgt 't loffelijk voorbeeld.

Algemeen kruisvuur van beide kanten.

De Hr. Gabriël ergert zich, en — tot 't uiterste gebragt door 't schreeuwen van 't kind Josephientje — staat hij op, en verlaat met Aballinische schreden de zaal, »l'oeïl morne et la tête baissée."

Projektielen van allerlei karakter en afmetingen verduisteren de lucht.

Groot gelach en vreugdegejuich. Men hoort 't vloeken der hofmeesters, 't knappen van lucifers, en 't aansmakken van sigaren. De kajuit vult zich met wolken rook.

De verwarring wordt algemeen; de chaos hernieuwd; groote mutatio rerum. Te vergeefs roept de Kapitein allen tot de orde van den dag. Elkeen begrijpt dat de positie onhoudbaar wordt. Men begeeft zich joelend en stoeijend naar boven — sauve qui peut!

De Hr. Josua speelt voor clown, en vertoont guitestreken, die een Panurge zouden beschaamd laten. De Hr. Judocus windt zich op, tot galantzijn toe. De meisjes houden beiden voor den gek.

Gabriël, daarentegen, en nonna Flora, hun hoog dichterlijken aard getrouw, zetten zich op een rottingstoel, en slaan de oogen hemelwaarts, of laten ze aan den horizon dwalen — westelijk, noord-westelijk — waar Holland ligt. Zij zuchten, keeren zich af van de kinderlijke spelen hunner natuurgenooten, en, aller aardsche genoegens wars, verzinken beiden in een sympathetischen dodder, waaruit ze niet verrijzen, vóór de thee hen op nieuw tot hun sublunarisch bestaan terugroept.

Maart, 1866.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings