EEN DROOM.
Reading edition
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
HILDEBRAND.
Ik heb in den laatsten tijd te veel gelagchen; en, als humoristisch-sentimenteel verteller — d. w. z.: als kwakzalver onder de schrijvers — voegt 't mij toch, bij beurten ook 'reis een traan weg te pinken — : ligt hield men mij anders voor zoo'n humorist pur-sang — en daarvoor — — de Hemel behoede mij en de mijnen!
Waren soms de avonden aan boord gekunsteld vrolijk — droef en somber volgden de nachten: als droomen mij kwelden — droomen van huis!
Eens op een nacht droomde ik weêr: en zóó een zonderlingen, zóó een wijsgeerig bespiegelenden droom droomde ik — dat ik dien te boek stelde — in de hoop, daardoor den meest sentimentelen lezer te bevredigen.
— Adagio patetico.
Ik droomde dan — — — — en zie — ik droomde, dat ik dood was.
Mij dacht, 't sterven was niet pijnlijk geweest: ik was 's avonds vergenoegd naar kooi gegaan, en — toen ik 's nachts meende wakker te worden, om me eens van de linker- op de regterzijde te wenden — bemerkte ik, tot mijne verbazing, doch zonder leedwezen — dat ik dood was. Ik vond 't zonderling, wel ietwat onverwacht ook: de menschen zouden 't een treffend sterfgeval noemen; maar onaangenaam vond ik 't niet. 't Was een gewaarwording — die ik trouwens niet beschrijven zal, omdat ik elkeen in dezen den tijd wil laten voor zichzelf te oordeelen — : een gewaarwording, tusschen waken en dommelen, tusschen zijn en niet zijn — kortom, zooals ik me altijd had voorgesteld dat de dood wezen moest.
Terwijl ik nu peinsde en nadacht over 't geen ze wel met mij doen zouden, en wat er toch van mij worden mogt — want, hoe vreemd 't klinke, ik zag en hoorde en gevoelde alles inwendig nog duidelijker dan toen ik leefde — terwijl ik zoo peinsde en nadacht — — verscheen op eens de Engel der Verschrikking aan mijn voeteneind. 't Was werkelijk een Engel: geen rammelend beenderspook met zeis en zandmeter — doch een vriendelijk, hoewel streng uitziend man, met lange witte haren, een zwarte toga, en groote vlerken: iemand, die zichzelf zeker niet herkennen zou uit de afbeeldsels, welke ik, bij mijn leven, wel van hem meende gezien te hebben.
En de Engel des Doods sprak mij aan, zeggend: »Kind, gij zijt in den vreemde gestorven; geen ouders of vrienden kunnen voor uw begrafenis zorg dragen: zoo maak gebruik van 't voorregt dat ik allen zwervelingen schenk: kies u de plaats, waar gij wilt, dat ik u ter aarde bestelle, opdat gij, die bij uw leven geen rust vondt, nu ten minste uw hoofd in vrede neêr moogt leggen."
»Goede geest", antwoordde ik, »gij hebt mij weggerukt in den bloei mijner jaren; smart hebt ge mij niet aangedaan, — en ik ben er u dankbaar voor; ook was mij 't leren niet zóó zoet, dan dat ik u verwijten zou 't mij te hebben ontnomen; — maar toch had ik gaarne, na volbragte loopbaan, mijn vaderland en vrienden weêrgezien. Nu ge mij echter die vreugd niet hebt gegund — eilieve, wat raakt 't mij, wáár ge mijn ligchaam bergt! Neem mij, als 't u goeddunkt, en plof mij in de zee!"
En de Engel tilde mij op, en dekte mij met een Hollandsche driekleur tot doodswâ, en rolde mij in een lap zeildoek, en bond mij een zwaren kogel aan de voeten; — 't was geen werk voor een Engel, zal men zeggen — doch, lezer, herinner u, dat ik u den Man beschreef als een vriendelijk man, en volstrekt geen bullebak. Daarna greep hij mij in de armen, verhief zich hoog in de lucht, en deed mij, als wijlen; Daniël O'Rourke, in zee plompen.
Ik gierde naar omlaag, als een pijl uit den boog: als een bruinvisch schoot ik door de bovenste lichtblaauwe waterlaag; haaijen zwommen mij na, en kantelden zich, en openden hun wijde muilen om mij te verslinden; — doch zóó zwaar was de kogel aan mijn voeten, en zóó snel trok hij me omlaag, dat geen der vratige monsters mij in mijn vaart kon bereiken; — dat deed mij trouwens genoegen; want ik had bij mijn leven wel gezien, hoe ze den armen matroos, wiens kogel niet zóó wigtig was geweest als de mijne, in stukken hadden gescheurd, vóór de man een vaâm diep gezonken was. — Trapsgewijze begon ik minder snel te dalen: reeds veel honderd vademen had ik afgelegd in de diepte. Ook werd de kleur van 't water immer donkerder; vreemde visschen schoten mij voorbij: visschen en monsters, waarvan Buffon noch Bleeker gewagen: visschen en monsters, zooals Schiller's Taucher ze in 's aardrijks kolken ontmoette. En ik zonk zachter en zachter, en 't waterig uitspansel óm mij hulde zich meer en meer in schemerduister; zachter en zachter daalde ik — — tot ik eindelijk niet meer daalde: de digtheid van 't water was in evenwigt met die van mijn lijk en mijn kogel — — merkwaardig! zelfs ná mijn dood mijn physica nog zóó in 't hoofd te hebben gehouden — ! — Intusschen zweefde ik daar — regt op-en-neêr, als een Cartesiaansch duikertje in een zuurflesch: boven mij 't donkerblaauw watergewelf, onder mij de zwarte afgrond, rondom mij een duistere eenzaamheid — want geen visch, geen monster bewoog zich in dit Lethe — hier scheen 't rijk der levenden ten einde — hier heerschte de vergetelheid der Benedenwereld.
Hoelang ik zoo gezweefd heb in mijn droom, weet ik niet — : gezweefd tusschen twee zeeën: duizende vademen van de oppervlakte, duizende vademen van den bodem. Zóóveel weet ik — dat ik niet rusten kon in mijn waterig graf: ik wentelde mij om-en-om, ik sloot de oogen — maar rusten kon ik niet: immer staarde ik vóór mij heen in 't vochtig uitspansel rondom mij — — maar rusten — neen, rusten kon ik niet.
En de Engel des Doods, zijn woord gedachtig, ontfermde zich over mij. — Eensklaps — juist toen ik begon te bespeuren, dat mijn stoffelijk overblijfsel fraai aan 't verkalken was onder de werking van millioenen onzigtbare schelpdiertjes: want zelfs in deze regionen des doods bleek de levende natuur te arbeiden — eensklaps voelde ik mij opgeheven uit 't water, en bevond mij wederom in de armen van den gevleugelden Genius.
»Mijn zoon," sprak hij, »ik heb uw billijke klagte vernomen. Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken: zoo wijs mij een ander oord, waar gij meent die te zullen vinden."
En ik riep tot hem: »O Geest, begraaf mij wáár 't u lust — doch niet weer in een killen afgrond als deze: laat mijn stof in de aarde rusten; delf mij een bed in 't warme zand van de Sahara!"
Toen geschiedde mij naar mijn wensch. Nog vóór 't zilte vocht mij uit de kleêren was gedroogd, vond ik mij huiselijk toegedekt onder een sprei, zóó warm en zacht, als iemand, die zooeven van den bodem des Oceaans was opgevischt, slechts verlangen kon.
Hier, dacht ik, zou ik slapen — hier zou ik een doô met eere zijn.
Maar, naauw had ik mij neêrgevlijd in de gemakkelijkst mogelijke houding — of — — — — ai mij — wat wroet er den grond boven mij weg — wat knaagt er aan mijn gebeente — wat wringt mij den schedel van den romp — wat pikt mij de starre oogen uit 't hoofd! — : 't zijn hyenas, en Gouls, en zwarte gieren! Wee — wat gehuil, wat gegrijns, wat gekras! Wat doe ik, arme doode, weerloos lijk — wat doe ik, tegen zóó'n overmagt van ongedierte! — — — Doch stil — 'k hoor een loeijen in de verte — 't verscheurend vee heft de koppen op, en laat af van mijn verminkte beenderen — zij vlugten, onder akelig geschreeuw, onder helsche kreten van teleurstelling en spijt! — : hoor — 't is de Simoun die opzet, die nadert, die hen verjaagt, die de zandzee doet golven, die gloeijende stofkolommen opheft tot de wolken, en die, stormend over mijn graf, mijn opgewroete knoken zachtkens overdekt met 't vale doodskleed van den Bedouin. De pestwind, die honderden pelgrims 't leven benam, had mijn geraamte voor schennis en oneer beveiligd.
En ik dankte den Simoun, omdat hij de lijkenroovers verdreef, en mij zoo liefderijk een laatste eer bewees. — En nogmaals strekte ik de stramme leden uit, en drukte mij 't bekkeneel op de schouders, en sloot de oogen, en — — — — — — — — — — maar of ik de oogen sloot, en mij keerde van zîj op zîj — — rusten kon ik niet: immer hoorde ik hyenas brullen, en Gouls tandeknarsen, en gieren den snavel spitsen — — en rusten — neen, rusten kon ik niet.
Alsdan verscheen mij ten derden male de Engel des Doods. — »Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken", herhaalde hij: »zoo zoek u ten derde malen een groeve uit."
En ik antwoordde: »O groote Genius, even goed als groot, gij, dien de menschen afschilderen als een gluipenden moordenaar — vergeef mij, zoo ik van uw welwillendheid misbruik make. Edoch, ik bid u — zoo gij werkelijk hen liefhebt die ge tot u naamt — ik bezweer u — brengt mijn gebeente over in 't land mijner kindschheid, waar ik speelde en zong met broeder en zuster — met zuster en broeder, en vader en moeder — die nu ook allen reeds dood moeten zijn, gelijk ik. Delf mij dáár een graf: een stil graf, onder sombere dennen: naast 't kerkje, waar moeder mij ten doop hield, als de orgeltoon vrolijk galmde ter mijner eer. Laat mij dáár rusten, en slapen aan moeders zijde! — De wormen zullen er mij verteren; — doch 't zullen de wormen zijn van mijn geboortegrond; de wormen, of de kinderen der wormen, die zich gemest hebben aan 't vleesch van mijn vrienden en magen. — En éénmaal, wanneer alles vervuld zal wezen, en alles geleden — als de bazuin zal klinken, met magtige stemme, met hemelsche muziek — klinken, tot aan 't diepste diep der Poolzee, tot aan den uitersten uithoek der Sahara — — dan zal ik ontwaken, zamen met hen die ik heb liefgehad — en zamen, als we geleefd hebben — zamen, als we begraven zijn — zullen we opstaan, en ingaan tot 't eeuwig licht — — ! — — O, goede Genius, laat mij dáár rusten — laat mij dáár eindelijk rusten!
Zóó sprak ik. — En de Engel des Doods verhoorde mijn bede; en begroef mij onder de eigen zerk, waar vader en moeder, en broer en zuster sliepen.
En ook ik rustte er en sliep er — — ik sliep er en ik rustte er — — — — tot ik — — — — 's morgens wakker werd, en, half verheugd, half spijtig, begrijpen moest — dat 't alles slechts een droom was geweest.
Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
Doch is 't u onverschillig, hoe en wáár?
Zegt niet ja: want met dat ja zoudt ge iets laakbaars zeggen. — Hildebrand heeft 't vóór mij betoogd; en ware 't niet, dat ik zoo'n opmerkelijken droom gedroomd had — ik zou 't niet wagen, zijn taal hem ná te stamelen.
Gij noemt uw ligchaam stof — en ge hebt regt. Maar, is dat stof niet 't geen ge boven alles liefhebt, zoolang ge rondwandelt op aarde? — Een moeder is u dierbaar; is 't slechts haar geest — of, telt gij ook 't stof, dat 't uwe gebaard en gezoogd en gekoesterd en beschermd heeft? Gij bemint een jonge vrouw; prijst ge in haar niet, meer dan al 't overige, 't schoone stof, dat uw oog en zinnen boeit? Gij schat een vriend hoog; is u de stoffelijke hand onverschillig, die zoo vaak de uwe in zaâmgedeelde vreugd en droefheid drukte? — En zult ge dan uw eigen omhulsel, waarin gij genoten en geleden hebt, waarvoor gij zwoegdet en tobdet, ván u werpen, als een afgedragen opperkleed! — : zelfs een ouden jas smijt men ongaarne op een mesthoop!
Waartoe dan dat cynisme! Waarom ook niet den dood, dien eindpaal van ons streven, een weinig geidealiseerd! Waartoe ons der stoffelijkheid geschaamd! — God schiep ons ligchaam; Hij schiep 't goed en krachtig en schoon: — mijne vrienden — laat ons dan ook in 't ligchaam Gods werk blijven eerbiedigen!
Januarij, 1866.