EEN KERSDAG.
Reading edition
(GABRIËL AAN ZIJN BROER WILLIBALD).
Home, sweet home — !
Con espressione.
We kruisten in de Golf van Biscaije: we kruisten tusschen 't land van den wijn, en 't rijk der Almaviva's; een ijzige wind blies ons om de ooren, een dikke mist stond op de wateren, en somber, als in winterdos gehuld, strekte zich een loodgraauw zwerk boven onze hoofden uit.
En 't was Kersmis: dát, broêr Willibald, herinnerde ik mij maar al te goed!
Ik was 't gewoon, dien dag als een dubbelen feestdag te vieren: als Kersdag, en, broêr Willibald — als uw geboortedag. — Helaas, van dubbel noch enkel feestvieren kon voor ons sprake wezen.
Verkleumd van koû en nat zaten we, geschommeld en geschud op ons wippend krukje: soesend, verlangend, niet wetend hoe ons te wringen van armoê en verveling. — 't Eénig teeken van openbare herdenking bestond voor ons in 't ontvangen van een kopje chokolaad, welke extra bedeeling ons gewoonlijk den Zondag van de overige dagen deed onderscheiden. — Onze Kapitein was immers een modern zeeman — heel praktisch en verlicht: »hij stoorde zich niet aan die gekheid: 't zat 'em daar toch niet in", zeî hij, »en de ééne dag was zoo goed als de ander." — — Arme Nederlandsche natie, — mét den devoten zin der vaderen, zijn ook uw kracht en glorie geweken! Zie dien schipper — : waar vroeger zijn ambtgenoot, gestukadoord en gestijfseld, 't psalmboek zwaaide — gaat de verbasterde nazaat vóór, als Silenus bij de dienst van den chokoladeketel! — »Horrible, horrible — most horrible — !"
En toch had ik gaarne een kerkdienst bijgewoond, dien dag. Gaarne had ik 't mij getroost, een preek aan te hooren, in de togtigste en onhuislijkste aller protestantsche kerken: een preek, opgegalmd door den leuterigsten en witbloedigsten aller protestantsche dominees: een solied-orthodoxe Kerspreek, in al haar afmetingen van lengte, breedte en diepte; met al haar verschrikkingen van punten en deelen en onderdeelen, van hoogopgetrokken bouffanten, walmende stoven, en bevrozen wintervoeten — — — ja, onder al dien jammer had ik blijmoedig 't hoofd gebogen — ochtend- en middagdienst zonder morren doorworsteld — — indien ik slechts den avond t'huis had mogen doorbrengen: den lieven, éénigen Kersavond had mogen slijten in den kring der mijnen!
Zag ik 't niet, broêr Willibald — zag ik 't niet, met gesloten oogen: hoe ze, na kerktijd, allen tot u kwamen, en u de hand drukten, en gelukwenschten — U, die toen de oudste en éénige zoon waart in moeders huis! — En 's avonds — zag ik ze 's avonds niet aan de ronde tafel vergaderd, ooms en tantes, neven en nichtjes — als er gezongen werd, en pianogespeeld — en krachtige punch gedronken, en keurigen tulband gegeten — en — en misschien, waar 't gesprek kwijnde, ook nog 'reis door dezen-of-genen gerept van den verloren zoon, 't enfant terrible, die zijn moeders vetpotten versmaadde, om, in vreemdelingschap, van den draf te gaan eten met de zwijnen — ! — Broeder, broeder Willibald, wees ook van mij gegroet! Mijn heilwensch roep ik u toe, en den storm maak ik tot bode mijner woorden! Wees gezegend op dezen eersten Kersdag; en, is uw oor doof voor mijn stem, die wegsterft in 't magtig geluid rondom mij — o, broeder, laat in uw hart die stem weêrgalmen met al de kracht van een heilige, onverbreekbare vriendschap!
Maar, ook zonder de viering van eens dierbaren geboortedag — was Kersmis, en Kersmis alléén, mij altoos een kerkgang waardig. Kersmis is mij mijn grootst, mijn éénig Christelijk feest. Ik heb Paschen lief om de eijers, Pinkster om de bloemen; — maar Paschen huldigt een legende, Pinkster verstoffelijkt een allegorie. Kersmis alléén is mij heilig, als de geboortedag van Jezus den Nazarener, den Apostel der Liefde.
O schoone dag, vol zoete poësie! Ideaaldag van huiselijk geluk, van zalige, kinderlijk godsdienstige herinneringen! — : sneeuwvlokjes buiten — 't knappend haardvuur binnen; dood en sombere winterkoû in de natuur — hernieuwd leven en hopen in 't menschelijk hart!
Zie — de halve wereld juicht als één; secten en kerken vergeten haar vijandschap; arm knielt naast rijk, de vrijzinnige naast den drijver: want hierin zijn ze allen eensgezind — dat ze God danken willen voor de geboorte van hem, dien ze noemen met verschillende namen, maar die — wie hij ook wezen mag — wat ook kortzigtige of belangzoekende dweepzucht hem gemaakt heeft — toch zeker in zóóver Gods Zoon mag heeten, dat hij 't eerst ons den Vader heeft leeren kennen: den Vader, die is, en eeuwig wezen zal: den God van 't Heelal, die deugd eischt zonder magtspreuk, goede werken zonder wet, en geloof zonder openbaring. — Hoe liefelijk, op dezen dag zaâm te wezen, als broeders! Komt, laat ons zamen opgaan met de schare ter kerke, om den Vorst der Liefde, den Stichter der éénige en eeuwige Godsdienst te aanbidden in eenvoudigheid des geestes — gelijk we 't deden toen we nog jongskens waren, wijs in onze onwetendheid: als moeder ons vertelde van den lieven Kindervriend, en we ons Kersfeest vierden, en de blijde vacantie, spelend rond den warmen haard! — We willen ons nu niet, ergeren aan dogma en formulier; — we hooren alleen 't plegtig orgelruischen, en stemmen in met 't »Vrede op aarde! — Vrede voor allen! — Vrede ook voor ons!" — — — — — — — — — — — — — — — — — doch stil — — 't waren nevelbeelden, die ik aanschouwde in den zwarten mist; St. Elmo's vonken waren 't, die ik hield voor Kerslichtjes; 't was 't loeijen van den storm, waarin ik orgeltoonen meende te hooren — !
— Neen — geen vrede voor mij — geen vrede voor den balling! — Voor mij geen winterkoû, geen sneeuwvlokjes, geen knappend haardvuur — voor mij geen Kersmis meer! — : maar gloeijende zonnehitte en doodend heimwee in een land, waar slechts Plutus, Venus en Bacchus als drieëenheid voorzitten — !
O God — schreide ik — zijt Gij een God van Liefde, die zóóveel liefde hebt uitééngerukt — !
December. 1865.