ONDER DE LINIE.
Reading edition
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten" —
Smorzando e languendo.
— Zegt de Schrift; en onze catechiseermeester maakte er van: »arbeiden en uw brood verdienen" — ! Dat wist ik trouwens; 'k had er ook nooit iets tegen: en vaak, als ik naauw de pen of den strijkstok tusschen de verkleumde vingers kon houden, heb ik den Hemel gebeden, dat de bron van licht en warmte mijn zweet wat milder mogt doen vloeijen.
Doch hoe nu! — Moet ik rusten in 't zweet mijns aanschijns? moet ik 't zweet mijns aanschijns drinken? moet ik zwemmen in 't zweet mijns aanschijns? — Dat toch kan de bedoeling van Genesis niet wezen.
We dobberen onder de Linie: een gansche week reeds, dobberen, drijven en draaijen we, op, onder en boven den Equator.
't Waren schoone dagen geweest, toen we zeilden met den Noord-Oost-Passaat. Toen de lucht zoo blaauw was, en de zee zoo glanzend; toen de zon zoo helder straalde over onze bruisende vaart! — Schoone dagen waren 't; en gelukkiger dan Keizer Seged, hadden we volle tien zulke dagen van ongestoorden vrede mogen beleven.
Maar nu — — we dobberen onder de Linie: de Noord-Oost-Passaat heeft ons verlaten, de Zuid-Ooster komt nog niet: een gansche week reeds, draaijen, drijven en dobberen we, in den stiltegordel, boven, onder en op den Equator.
Geen zuchtje, geen zephyr, geen togtje verkwikt ons — niets dat naar wind gelijkt, dan 't blazen van den loggen botskop,[7] die opduikt, snakkend naar adem.
Toch — ondanks de stilte — rolt over 't spiegelgladde watervlak een deining uit den Noordwesten, die ons schommelt en slingert en zeeziek maakt — als ware er een Typhon los.
En 't is warm, vrienden — warm!
Vraagt niet, of 't warmer is dan in de hondsdagen, warmer dan in een kermistent, warmer dan in 't zweetkamertje van Leidsche of Utrechtsche academie! — — Ik zeg u, vrienden — de hel is hier — de hel van Torquemada!
Een dompige hitte drukt loodzwaar van uit den bewolkten hemel: geen drooge felle zonnebrand — maar vochtig, laauw, als stoom uit een ketel omringt ons de logge atmospheer. Ieder oogenblik kletteren tropische stortregens op 't dek neêr; gezondheidshalve kan men zich niet laten natregenen: men gaat dus omlaag; maar, ofschoon de luiken gesloten blijven, toch dringt de regen met stroomen binnen — een klamme, broeijende pestwalm vult den engen kerker — alles druipt, dampt, zweet en riekt!
»Zal de mensch" — zoo spreekt Mohammed, de Veelteprijzene — »zal de mensch, voor wien deze dingen zijn toebereid, even als hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren? — En wat zal u doen verstaan wat de hel is? Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen. Zij verbrandt des menschen vleesch."[8]
Met kokend water gelescht: ik bid U, groote Profeet, wiens neusgaten de geurigste van Arabiës reukwerken niet konden bevredigen — ons water kookt wel niet — maar 't riekt! Zij laat geen ding onverteerd: eilieve, zoon van Abdallah — zelfs onze ligchamen niet, want merg en bloed gaan op in damp! Zij verbrandt des menschen vleesch: ik zweer u, kleinzoon van Abdelmottalib, bij al de welgedane maagden die gij tot vrouwen hebt gehad — aan ons zullen eerstdaags niets dan uitgedroogde beenderen te verbranden overblijven!
De hel — ja, zoo men ze ergens zoeken mag — de hel is hier: hier, en in de zandvlakten van Sahara, en in 't gemoed van den onverdraagzame, en in de Roode zee, en in één huis met een booze wederhelft — maar hier vooral — hier, onder de Linie.
Komt dan, onmenschlijke vischwijven, die kreeften en garnalen springlevend durft koken! En gij, nog onmenschlijker godgeleerden, die heidenen en ongeloovigen springlevend durft neêrploffen in den ziedenden zwavelpoel uws eeuwigen vuurs — komt, doet een uitstapje naar Nederlands Overzeesche Bezittingen beoosten de Kaap de Goede Hoop; toeft een weekje in den stiltegordel onder den Evenaar of Evennachts-lijn; zweet er, smacht er, stikt er en braadt er, zooals ik er gezweet, gesmacht, gestikt en gebraden heb — — en voelt, en weet wat 't is, springlevend gekookt of geroosterd te worden! Komt, orthodoxen van alle gezindheden — komt alle, regtgeloovige woordaanbidders, die aan een hel gelooft voor anderen, en aan een hemel voor uzelf — komt, en leert hier 't verschrikkelijke begrijpen van de pijnen, waartoe uw geloof den broeder veroordeelt — leert hier 't afschuwelijke inzien van den leelijksten, de tastbaarsten, den onchristelijksten uwer leugens — !
Edoch, zacht wat, Gabriël — wáár holt ge heen! Zal een philippica tegen regtgeloovigen u tot kouden omslag rond de slapen dienen — !
Ai, laat idioten en duivelen malkander een hel stoken! — Maar gij — roep gij de hulp der Goden in!
Aeolus, winderige Vader der Winden — slaapt ge — zijt ge dood?
Zie, de Nautilus zelfs heeft in wanhoop zijn rooskleurig zeiltje gestreken, en laat zich zachtkens neder in den azuren afgrond.
Hoe benijden we u, kleine Argonaut, als we u zien wegzinken in de diepte van uw frisch, doorschijnend bed!
Duik meê in, gestoofde sterveling — duik meê in, en koel u aan den boezem der hemelsche Amphitrite, die u wenkt — dáár, zie: spelend met haar jonkvrouwen: haar bruingevinde, witgebuikte, wijdgebekte jonkvrouwen! Duik — en wees zalig in haar omhelzing, als ze u zullen omvatten, en u meêvoeren in triomf — diep, diep — tot in 't koelste diep der blaauwe wateren — — ! O, Tantalus, arme Tantalus — !
Januarij, 1866.