← Table of contents
Ontboezemingen

KOMEDIE-SPELEN.

Reading edition

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

Geen ziekte aanstekelijker, dan die der maniën en monomaniën. — Konijnenfokkerij, tafeldans, en postzegel-collecties hebben, als zooveel epidemiën, in de groote maatschappij gewoed en uitgewoed. Aan boord van onze Arke — waar 't geslacht der konijnen niet vertegenwoordigd was, waar alle tafels zonder aanraking dansten, en waar ook geen brieven ontvangen werden — moest men zich, bij gebrek aan beter, met minder belangwekkende liefhebberijen tevreden stellen; — dáár had men eenmaal de dienst der Musen tot stokpaardje gekozen — welnu: in stap en in draf, in galop en in telgang, zou men dat beestje de tong uit den mond rijden.

't Draaiorgel en 't dansen begonnen te vervelen. Gabriël, vond men, had toch zoo geheel ongelijk niet, toen hij dien speech hield, waar niemand naar geluisterd had, doch waarin hij — zóóveel herinnerde men zich flaauwelijk — tegen bovengenoemde vermakelijkheden een motie van afkeuring had uitgebragt. — Doch hoe dan nu best de avonden zoek gemaakt? — Een congres werd bijeengeroepen, onder presidium van den Hr. Judocus, die, voorspoediger dan de Fransche keizer, zonder groote diplomatieke moeijelijkheden er in slaagde, de door hem genoodigde autoriteiten op zijn roepstem te doen toesnellen. — Over en weêr hoorde men toen de meest tegenstrijdige beginsels voorstaan. Hierin echter kwamen allen overeen: dat 't zóó niet blijven kon. 't Draaiorgel was zoo goed als versleten — dank zij de veelvuldige buitengewone obligaten door de heeren Josua en Hupman, die beide den slinger wisten te maniëren, met een vaardigheid, voorbeeldeloos zelfs onder lieden van 't vak, doch, zoo 't scheen, minder bestaanbaar met de soliditeit en duurzaamheid van 's instrumenten werktuigelijke zamenstelling; — daarenboven waren de meisjes voortdurend verkouden, onlekker en kribbig, ten gevolge van de al te subiete afkoeling, waartoe, na 't verhittend dansen, een rustplaats onder de zeilen haar gratis de gelegenheid bood. — Wat dan gedaan? Zou men een scheepscourant gaan redigeren? — neen, dat zou aanleiding geven tot hatelijkheid en oudwijfsche praatjes. Zou men weêr, als vroeger, een-of-ander allegaârtje maken? — onmogelijk: men had eenmaal van den nektar der schoone kunsten gedronken, en kon dus nooit weêr de pap van nietswaardige kinderspelen voor lief nemen. — Maar wacht — hoor ik niet des voorzitters stem, die triomfantelijk »Eureka" roept! — ja, hij heeft 't gevonden: — men zou komedie-spelen. Lumineuse idee — met acclamatie aangenomen! Hoe zouden de heeren schitteren in de heldenrol, die hun zou passen als een handschoen; en wat schoone gelegenheid voor de nonna's, om de zijden balgewaden van uit doos en koffer op te duiken; en om, zonder compromittatie, tot Josua of Judocus te mogen zeggen: Lysander, of, Lindor, gij zijt mij niet onverschillig, waarop dan Josua of Judocus met jeugdig vuur zouden antwoorden: Araminta, of, Lodoïska, herhaal dat woord — zeg, o zeg, wilt gij de mijne zijn? — De vraag bleef nu slechts, wat men spelen zou: een blijspel, »de Neven"; of een tooneelspel, »Don Caesar de Bazan"; of een treurspel, »de dood van Rollo" — — ja nu, wat zou men kiezen? — Ongelukkiglijk bleek 't, dat niemand, noch van gemelde stukken, noch van eenig ander tooneelwerk, libretto bezat, zoodat men extempore zou moeten spreken, wilde men niet dat 't gansche schoone plan in duigen zou vallen. — Te midden van deze bedroevende perplexiteit valt nonna Flora's blik op Gabriël, die ter kwader ure daar mede vergaderd was; zij glimlacht — hij bloost; doch beide begrijpen elkaâr's gedachten. Flora fluistert nonna Keetje iets in; men steekt de hoofden bij elkaâr en raadpleegt — — ja, zóó zou 't wezen — de komedie was gered: hij, Gabriël, zou een blijspel schrijven — dat kon hij, dat moest hij — —

»Nietwaar, meneer Gabriël, u zal dat wel voor ons doen, ja?" vleijt de zwartoogige Sirene.

»Maar, Juffrouw Flora, hoe komt u op 't idée — ik vaudevillen schrijven — ik, de wandelende zwaarmoedigheid, blijspelen schrijven — !"

»Molière was ook erg zwaarmoedig meen ik — — "

»Maar, Juffrouw Flora — nu hoe langer hoe doller! — Molière — — "

»Tut, tut, meneer Gabriël", roept een koor van stemmen — »geen woord meer!"

»Een profeet is opgestaan in Israël!" brullen Josua en Judocus om strijd — »Groot, groot is de Gabriël der Rotterdammenaren!"

Zóó broeder Willibald, hebben ze mij gelijmd, en me aan 't zamenflansen gezet van een komedie, waarvoor ik onderwerp, intrigue, karakters — alles uit de lucht moest grijpen. Ook weêr een gevolg van mijn journaal-schrijverij: men had mij dikwijls groote brokken papier zien volkrabben — en hield me nu voor een litterator; misschien ook had Judocus geklapt van eenige mislukte proeven uit onzen studententijd — hoe 't zij, mijn éénoogig talent gold mij in 't land der blinden de eer, tot koning te worden uitgeroepen.

Ik bespaar u een wijdloopig verhaal van de wijze, waarop mijn produkt in 't leven trad, en, na tal van repetitiën, werd opgevoerd. De grootste moeijelijkheid vond ik in 't scheppen der rollen, zoodanig, dat elk mijner schoone actrices een hoofdrol mogt spelen; zeker is 't, dat de jalousie onzer vrouwelijke sujetten den regisseur Judocus en mij in een net van kleine kabalen wikkelde, waaruit zelfs de geest van een Schikaneder zich bezwaarlijk zonder kleêrscheuren had kunnen bevrijden. — Na een week tobbens gelukte 't mij, met een soort blijspel voor den dag te komen, dat, onder den titel van »de Getergde Lankmoedigheid, of, 't Sop is de Kool niet waard", tot handeling stelde: hoe twee vrienden, waarvan de één vermomd, die aan de dochter en nicht van een ouden bonhomme 't hof maken, dienzelfden vader en voogd, door hun pedante krakeelingen, in de uiterste verlegenheid brengen; terwijl ten slotte blijkt, dat alles met een goed, edel en grootmoedig doel geschied is, en de ééne vrijer den ander slechts tot woede heeft getergd, om diens nobel karakter te doen schitteren; al 't welk eindigt met de bekeering van een coquet meisje, de ontbolstering van een ruwen diamant, zelfopoffering, herkenning, wederzien, vergiffenis, twee huwelijken, oudervreugd en kinderblijdschap — tot groote stichting der aanschouwers, enz. enz. — zie Kotzebue en Birch Pfeiffer. — De doktor speelde voor pater familias; Josua en Judocus — welke laatste bewees beter acteur dan danser te zijn — figureerden als vrijers; nonna Flora nam edelmoediglijk de rol van oude dienstmaagd op zich; de dames Coba en Keetje eindelijk stelden de beide vrijsters voor.

Er werd dien avond veel rhijnwijn gedronken, en — wat mij genoegen deed — ook hartelijk gelagchen — misschien meer om de acteurs dan om 't stukje. De gezamenlijke uitvoerders genoten de eer der terugroeping; ook Gabriël moest ten tooneele verschijnen — — kortom, daar heerschte groote blijdschap onder allen, die daar verzameld waren.

En de kritiek — wat zeî de kritiek er van?

Eilieve, lezer — zij sprak op hoogen toon, gelijk zulks haar gewoonte is, te land en ter zee. — Mevrouw Tripvoet laakte de moraliteit van mijn handeling; de Hr. Hupman klaagde over gemis aan strekking; Lepidus vond de intrigue te eenvoudig — en — en toen kwam nonna Flora, en bragt hen alle tot zwijgen, daar zij niet alleen betoogde, hoe de verhevenste strekking van een blijspel hierin ligt, dat 't 'reis lustig de lachspieren ontspant — maar zelfs, tot staving dier waarheid, passages uit Shakspeare en Beaumarchais citeerde!

Alweêr nonna Flora — en altijd nonna Flora! — Maar wie hoorde ook ooit zóó'n geletterde nonna! Ik bid u, goden en menschen — kon ik in gemoede anders, dan op zóó'n zoete nonna verlieven — ?

Maart, 1866.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings