EEN EERSTE STORM.
Reading edition
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
I.
Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.
STERNE.
We zaten nog vrij laat bij elkaâr, in dien gedenkwaardigen nacht van 24 op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.
»Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, »'k mag lijden dat we toch ook 'reis een storm bijwonen!" — »O wee," kermde Judocus, van achter 't kooigordijntje — .
»Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat, Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme, Und jetzo warm und ruhig sitzt Im guten Rathskeller zu Bremen."
Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als bandieten, en droomden als poëten bij maneschijn.
Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd geslapen, gesnorkt en gedroomd, — lang kon 't niet wezen, want onze kajuitslamp brandde nog, — toen ik, Gabriël, gewekt werd door — — ja, door iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor; — daar volgt een slag — een gerinkel als van brekend glas; — ik spring mijn kooi uit, loop naar de tafel, en — zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.
De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze »Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.
Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken; doch, waren onze ooren ons van weinig dienst — we zagen beiden nog zeer goed uit de oogen, en — wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaâr — want nog niemand had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan — , een flesch jenever was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten en stommelen — als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten los. Bij alle krachten en resultanten — hier had Galileï zijn hellend vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand! — We trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd, dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand te blijven afwachten; — — maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik in een killen waterplas: ik vloek, zie rond, — hemel, hebben we een lek gemaakt, gaan we te gronde! — neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die, mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten — !
»Geduld is zulk een schoone zaak"! — Juist, mijn brave Sancte Hieronyme, uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze geëmancipeerde schooljeugd er van zeggen — maar, als ge mij de daarin vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U, ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken »bondel gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen — !
's Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen naar boven. — Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.
De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan. — Hoe ze steigeren en ploffen door elkaâr, jagend voortgestuwd door den magtigen Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden! — Hoe klein vond ik alles aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen, als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ook mijn aanzijn als »Koning der Schepselen »gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want ook ik had moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste wateren — gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind, die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan mogelijk gevaar — alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed weêr eens warm en jeugdig vloeijen — ja, voor de eerste maal sints 't smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de verre kust zijner droomen zag heengedragen. — Lang stond ik zóó, me vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten — : opgetogen, boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen omrukken; of ik 't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en als meester bevel voerde over den strijd der elementen — !
Eilaas — »stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."
Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord bewonderen der worstelende natuurkrachten — toen een hoogst stoffelijk voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.
Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen, met 't loffelijk voornemen, om, in vertrouwelijke overgave des harten, zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning bukken — — boem — daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug. — »Hel en dood!" vloekte de patiënt. — »Bravissimo!" lachten de omstanders. — »Voelt u zich niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij op de beenen stond; — Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen de tanden, en — bibberend van koû en katterigheid zette hij zich op 't kippenhok, om wat bij te komen. — »Wil ik je wat eten boven brengen?" vroeg ik toen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen toon. — »Stik-jij!" siste hij nijdig. — Kort daarop, na 't trekken van eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en hekjes naar omlaag scharrelen — om, in zijn kooi, 't voorbeeld van zooveel andere braven na te volgen.
Mij dunkt — ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf, boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn — welke overtuiging oorzaak is, dat men, onder zeeluî, op een zeezieke ongeveer evenveel acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim; — en, van dit beginsel uitgaande, ziet men er minder bezwaar in — mits men zelf frisch en gezond blijft — een weinig aan schadenfreude toe te geven, en aan een neiging tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo onbevreesd en levenslustig — nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel zieltogenden erbij neêrliggen.
Wáár bleef — vraagt men — toch de reddende kracht van de heerlijke probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde — ? Wáár was die heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn gift A qua Laur. cer.; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en saffraan — ? — Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige radicalen; ons zou geen aqua mirabilis sterken; geen specificium uit Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de jammerlijkste aller misselijkheden; — en juist dáárom bleven we zoo gezond, meende Josua, in zijn overmoed; — hoe dat ook zij, 't was ons geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren — wij, buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord: want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer inclus, waren naar kooi — zóó hevig was 't stampen. — Hoe kwam 't, dat we zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk? — »Ik zal 't je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet, begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund, quantum sufficit, en, om de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood, ham, snert of ossetong.
Ik voor mij geloof — indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets anders te gelooven mag overblijven — dat niets de zeeziekte kan voorkomen of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit opzigt volmaakt ééns met Lepidus — spitsvondiger gedachtenis — die, tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten in 't midden brengen: »hoe zijn ondervinding hem had geleerd, dat men, in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten 't gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te strekken." — Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden — edoch, hier vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden: want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen — ge moogt eten wat ge wilt — ham of brood, tong of snert — 't zal u alles opbreken als den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras — ; zoodat, uit de tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den wind slaan: niet zullen eten, niet drinken — maar te kooi gaan liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel wenschen.
II.
Mercy on us! — We split, we split — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
Now would I give a thousand furlongs of sea
for an acre of barren ground: long heath, brown
furze, any thing; the wills above be done! but I
would fain die a dry death.
SHAKSPEARE.
Wederom vier-en-twintig uren vervlogen! — wat zeg ik — met den gang van een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen, koû en snerpend guren tegenwind.
En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen — : Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen, als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren wijngaard des levens.
Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd, en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon linnen doen uitgluren; — doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en arbeidt, zij bouwt op en vernietigt — alsof ze den dwerg niet kende, die zich »Heer der Schepping" durft noemen.
Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts roepen — de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der ziele!
Mijn slaap was onrustig geweest — of liever, ik had niet geslapen: de hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen. — Ik stond daarom bij tijds op, en ging aan 't dek.
De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in 't Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te gemoet — als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de toppen der stuivende brekers — : 't was of de magten van licht en duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend slagveld van wind en wateren. En zie — waar de zwarte wolkenmassa in schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den horizon — teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte krijtklippen van Engelands zuidkust.
Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet — neen, mijn hart was te vol — daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn boezem; — ik bewonderde, ik aanbad — ik gaf mijn lot over in de handen van mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare, zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't verhevene in ons doet spreken, en die ons — helaas, voor een oogenblik slechts — waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan de Engelen." — Ik vreesde niet; — maar dan ook — dacht ik weêr aan mijn huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet zou weêrzien — : want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht; wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.
»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen — "Josua, onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld: nu wonen we een storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen aardigheid; — Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend voorwerp op de teenen te krijgen.
Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan, rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag — »we zijn naar de haaijen!" roept hij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem volgen, schijnen niet veel beters te zeggen. — Groote God, we hebben gestooten! — Ik spring op; — — o, ik was bedaard — maar, pijnlijk als een hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden doodsangst; — ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken — dan zou ik een reddingsboei pakken — ik kon zwemmen — of neen, liever zou ik mij in de boot trachten te bergen — als er maar plaats was — en niet de hooge deining — — — — »Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem van Josua — — — — — — — dát bragt me tot bezinning; — »lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén hier — wilt ge uzelf 't eerst helpen — voelt ge niet in u de kracht van een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt — ?" En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me den moed van een Frans Naerebout; — haar, hen allen te redden — met haar in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last aan land en leven weêr te geven — — dan naar Gretna-green — een hutje in de bergen — met haar, met haar te wonen tusschen de dens en glens van Rob Roy's »Land o' Cakes" — — !
Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.
't Bleek alras, dat — ofschoon er wezenlijk gevaar bestond — de roep erger was geweest dan de daad. — Een der groote ijzeren waterketels was over de klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen de andere zijde te botsen. — Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en, zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling was voorkomen.
Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren — een voorkomendheid zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet, en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest staan. — Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en, met algemeene stemmen — voor zoover die gehoord werden — besloot onze scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.
Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen, ja, verwenschingen er, na 't vernemen van dit besluit, uit de heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid; — neen, 't barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje — — doch neen, nogmaals neen — we hooren 't niet: de zang van den storm alleen — niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen — is onzer aandacht waardig.
En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?
Neen, lezer — ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij, weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen, even 't luik hadden opengemaakt — een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.
Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit; en, ik beken 't — 't zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen; — maar zie, toch is 't niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat oogenblik — terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige planken — die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit, wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer — !
Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming. — »Bl.......... stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast genoeg gesjord had. — »Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der Grogmeijers. — »Schade, schade!" zuchtte Fräulein Einheit, die veel hield van worst zonder trichinen. — »Kasihan!"[4] lispelde nonna Flora, toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf — »Kasihan, stomme diertjes!" — En ik zweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid had met eigen mond dat kasihan niet zachter, niet gevoelvoller, niet lankmoediger kunnen uitspreken, dan 't klonk van de rozelippen mijner zoete nonna Flora! — Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te beseffen — — om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn verkouden neus — u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem — !
Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet, dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te begeven. — Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons veilig voor Spithead ten anker.
November, 1865.