← Table of contents
Ontboezemingen

IN »POETS CORNER."

Reading edition

(GEDEELTELIJK NAAR AANLEIDING VAN WASH. IRVING'S »WESTMINSTER ABBEY").

Religioso.

Zacht — zacht! Ontdekt uwe hoofden, schudt 't stof van uw voetzolen: de grond dien we betreden is heilig. Heilig! — ja: want hier rust 't stof van onsterfelijke dooden! — Zie rond, menschenkind, en lees de namen die gegrift staan in 't marmer: zie, lees — en buig 't hoofd in eerbied en zwijgend nadenken!

We hebben de Abbey doorgewandeld.

Niet lang toefden we bij de trotsche kapel van Henry VII; we stonden niet in bewondering bij Buckingham's gedenkteeken, noch bij de eerzuilen van honderd Helden en Grooten der aarde.

Wat hadden we met U te doen, bloedige mannen van Vuur en Zwaard, priesters van geweld en ligchamelijke overmagt; of met U, Koningen en Vorsten, die geleefd hebt en gestorven zijt in luiheid en ijdelheid; wier graftomben zelfs zijn opgerigt ten koste van 't Volk, dat gij verachttet en uitzoogt — ! — U, Helden, zal God toeroepen, »dat wie slaat met 't zwaard door 't zwaard zal omkomen." U, Koningen, zal de Opperste Regter rekenschap vragen van 't talent dat Hij U gaf tot woekeren, en dat gij begraven hebt in den grond — !

Wat hadden we met U te doen! — : de dagen uwer heerlijkheid zijn vervlogen; en de kinderen dezer eeuw kussen niet meer in slaafsche onderwerping de voeten der beulen, die 't bloed en zweet der vaderen niets geteld hebben.

In »Poets' Corner" zijn we teruggekeerd.

We hebben ons neêrgezet, en om ons heen gezien — en 't was ons, of vriendelijke, welbekende geesten ons uitnoodigden, voor een oogenblik mét hen de aarde te verlaten, en óm te zweven in de spheren van een hoogere wereld.

Hier rust de zachte Goldsmith, de bevallige Addison, Shakspeare, de reus; hier rusten Chaucer, Spencer, Milton, Dryden, Gray, Macaulay — en zooveel anderen, wier namen ons terugroepen in den tooverlusthof, waar zoo vaak hun werken onzen geest deden omdwalen. — Hier, zoo ergens, bloeit in overvloed de trage plant die slechts op de graven tiert.

Gelukkige stervelingen, wier roem uw stof overleefde! — : en wat roem? — niet de holle roem, door 't bloed van duizenden gekocht; — neen: U siert 't dankbaar nageslacht met den eeuwig groenen palmtak van Vrede en Wijsheid en Kunst: Uw namen prijken in eeuwentartend gesteent, als de namen van hen, wier werken, in Gods hand, de trappen zijn geweest, waarlangs de menschheid tot hooger volmaking opklom.

Gelukkige stervelingen! — — — — Zwijg, prozaïsche Genius onzer eeuw! Spreek mij niet van de vergankelijkheid, die alle menschelijke grootheid in 't duister doet wegzinken! Brul mij geen »vanitas vanitatum" in de ooren! Houd mij geen predikatie over de kortheid van 't geen wij onsterfelijk heeten! — Deze hier zijn onsterfelijk — ten minste voor ons menschenras. Zoolang nog de taal zal gesproken worden waarin zij schreven, zoolang nog een beschaafd volk den naam zal voeren van de natie waartoe zij behoorden — zóólang zullen zij, levend en sprekend in hun werken, een deel van 't menschdom blijven leeren, stichten, vermaken.

— Ik weet wel: 't marmer hunner praalgraven zal vergaan, gelijk hun gebeente vergaan is; maar ook dan nog zullen ze een schooner gedenkteeken vinden in de harten der kinderen en kindskinderen van hen, die ze hebben liefgehad, toen ze rondwandelden op aarde! — ja, hier namaals nog, in de woningen des Vaders, zullen gelouterde zielen hen danken, dat zij, van uit 't stof, hun den weg hebben gewezen tot 't eeuwig goede en schoone!

Peinzend stonden we tegenover Haendel's heerlijk standbeeld, en neurieden zachtkens de onovertroffen phrase uit den »Messias", I know that my Redeemer liveth, die 't marmeren muziekblad aan den voet ons te binnen bragt. — 't Was reeds laat in den namiddag, en de schemering begon te vallen. Er werd dienst gehouden: een plegtige stilte heerschte alom — : slechts hier en daar een gesmoorde voetstap, en, in de verte, de galmende stem van den leeraar.

Plotseling jaagt de diepe stem des orgels ons een zalige rilling door de leden. Een statig preludium; — daar ruischt de zilveren koorzang omhoog, en speelt en trilt langs 't beeldhouwwerk der zuilen, en verliest zich, zacht jubelend, aan den boog der hemelhooge daken. Dan weêr valt 't duizendmondig speeltuig in, losbrekend in een daverend Hallelujah, een zwellend, juichend, onweêrstaanbaar Looft den Heer — dat zweept en rolt over de zerken, als 't bazuingeschal des laatsten oordeels — dat 't stof der dooden doet sidderen in de graven — dat de gewelven vult met den stroom der akkoorden, en de zielen der levenden meêsleept op de golven van een alvervoerende harmonie — !

Hoe groot is de magt van een kerkdienst die tot de zinnen spreekt; en hoe ligt beseffen we 't, onder de bogen van zulk een heiligdom, dat de zinnelijke schare slechts bidden kan en bidden wil in tempelen door menschen gebouwd. — 't Ware bidden is in de natuur: onder den blaauwen hemel, als God-zelf ons voorbijgaat in 't fluisteren van een zachte koelte; — maar ook liefelijk is 't, te bidden in 't huis, waar alles zamenwerkt om zelfs in 't hardst gemoed een heilige aandoening op te wekken.

Vergeven we 't daarom den vaderen, dat ze zoolang binnen deze muren een heerschzuchtige priesterschap hebben vergood, die, Roomsch of Onroomsch, den grooten naam van Christus vernederde tot een wachtwoord voor domme dogmaprediking en bloedige dweeperij; vergeven we hun een ijveren voor dwalingen, uit wier botsing de vonk sprong, die ons 't Christendom in een beter licht doet beschouwen! En nemen we hierin een voorbeeld aan hun warme geestdrift: dat ze goed en bloed opofferden voor de instandhouding van een dienst, die hun heilig en éénig toescheen! — De tijden van geloofsdwang zijn voorbij. Wee ons, zoo ze slechts hebben plaats gemaakt voor de koude onverschilligheid van een laf scepticisme — !

't Orgel zweeg; de dienst was afgeloopen. — Reeds waren zijvleugels en nissen in schemerdonker gehuld; — maar door de bontgekleurde vensterglazen schoot de winterzon een laatsten matten stralenbundel, en speelde met spookachtig rooden gloed over de graven van Koningen en Helden.

We traden buiten. 't Memento mori dat de kloosterklok ons nariep, verstierf in 't gewoel der levenden. De dooden waren vergeten. — Dienzelfden avond nog leefden we en zondigden — als ware er voor ons aan geen sterven te denken.

London. November, 1865.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings