Note 11 — OM DEN ZUID[11].
Reading edition
't Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een Scheepskapitein voor waar hooren vertellen, als zijnde een dergelijk voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten — — — binnenloopen — :
»Im Lande der Chinezen Bin ich niemals gewesen, Doch hab' ich einmal Ein' gekannt", etc.
Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot 't hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos, dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en West schijnt gesteld te hebben.