← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

NIETZSCHE’S KARAKTER.

M. François-Merkus translation

I.

Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen, geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te trachten de verschillende denkbeelden in een „systeem” te rangschikken, wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van schitterende „losse gedachten” of vernuftige aphorismen. Maar alvorens de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche’s eigen bekentenis, niet is een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter, een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.

Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus, welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden; hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:

„Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!” sprak Zarathustra tot zijne getrouwen. „En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil ik het.

In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht heeft hij u bedrogen.…

Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?

Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.

II.

Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor, dat door Nietzsche’s aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische gevoelens de bovenhand hadden, die, naar het schijnt, slechts zelden voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig, verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek reeds deed denken aan het ideaal van de „Herrnnaturen”, aan den man van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen, steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel, en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. „Een graaf Niëtzky moet niet liegen,” zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.

Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar trouw aan zijne trotsche leus: „Alles of niets”, den weg volgt, dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk en het leven van vrouw en kind opoffert aan zijn trotschen wil; die zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand is Nietzsche de man van „alles of niets” evenals hij volgt hij zonder eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht minder zichtbaar of in het oog vallend.

Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus, die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom ook was Nietzsche m.i. zonder in ’t minst te pochen, gerechtigd tot opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te kiezen: „Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga.”

Nietzsche’s fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden van hem aangehaald, als: „Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de zweep niet!” of: „Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere physiologische abnormaliteit.” Men komt echter tot andere gedachten zoodra men Nietzsche’s werken nader leert kennen; dan begrijpt men, wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch, wetenschappelijk of economisch gebied.

Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken, hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke hartelijkheid en al te materialistische bierfuiven verfoeide; die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de XVIIde, de XVIIIde en zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische, feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd, over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of moreele „distinctie” op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner analysen besluit hij met het constateeren van het al of niet voorname in een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: „Is het waar, dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk.” In plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van de ziel. Zoo geeft hij b.v. als volgt de psychologische analyse van dat instinctief voelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier die haar eigenlijk wezen verbergt:

Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:

„Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling, wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hier uwe rust: hier is gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen—wat verlangt gij op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij: al wat ik bezit, bied ik u aan!”

Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog—want hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang met zich voerde—niet als prooi, maar als vriend, want om den nek van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.

„Dèze zijn mijne dieren,” sprak Zarathustra vol innige vreugde.

„Het meest trotsche en het wijste dier, die ooit geschapen zijn, moeten de wereld verlichten!

Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik nog wel?

Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren; en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren mij den juisten weg wijzen!”

Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak hij tot zichzelf:

„O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.

Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maar trachten mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.

III.

De eenige groote passie in Nietzsche’s leven is het zoeken naar de waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.

„Waar is God?” riep hij uit, „ik zal het u zeggen! Wij hebben hem vermoord,—gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O, waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts, dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers, die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch—die daad maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren.”

Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche’s ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst in werkelijkheid aan den „God van waarheid” en toen het hem gaandeweg duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen „God” en de „Waarheid”, bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche’s leven en denken voortaan uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden van zijn denken en leefde zijn atheïsme evenals hij zijn Christendom had geleefd.

Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche’s denken gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg tot rijpheid ontwikkelde. Hij was zichzelf geheel bewust van die overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.

Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.… Was niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?

IV.

Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie; als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet, doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijne krachten niet hoog genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.

Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan de meesten behoorden tot de jaren 1858–1864; die gedichten spreken van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.

Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877, 1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten, meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven; toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen de hooge litterarische waarde van Nietzsche’s werken erkent. Voor den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam, zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza, dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls onaangenaam klinkt. Nietzsche’s stijl is door en door waar gevoeld en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologische analysen, in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is, zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer zeker overdreven het prozagedicht Zarathustra te vergelijken bij Goethe’s Faust; Nietzsche’s werk is veel minder begrijpelijk voor de menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten kring behooren van verfijnde—wellicht zelfs eenigszins „fin de siècle” geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de, op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense, bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school, Richard Strauss, Nietzsche’s Zarathustra koos tot onderwerp van een zijner meest bekende symphonische gedichten.

V.

Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend, vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde, de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.

Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoel en die van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart aristocraat bleef.

Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objecten tot proefnemingen, zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht, zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.

In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man „uit één stuk” waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is, zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin, alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden, die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag, waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

Notes in this chapter

Note 1 · Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave zijner Werken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895–97). ↑Note 2 · D. VI, 114 s. ↑Note 3 · D. VI, 47. ↑Note 4 · Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel der Zukunft, 2 Oct. 1897, pag. 12. ↑Note 5 · Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470. ↑Note 6 · Mevr. Förster-Nietzsche, Das Leben Fr. Nietzsche’s, I. 180. ↑Note 7 · D. VII, 258. ↑Note 8 · D. VII, 262. ↑Note 9 · D. VI, 186. ↑Note 10 · D. VI, 290. ↑Note 11 · Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 194. ↑Note 12 · Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche’s, I, 125. ↑Note 13 · Mevr. Förster-Nietzsche. Als boven, I, 314. ↑Note 14 · Id. Ibid, I, 321. ↑Note 15 · Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216. ↑Note 16 · D. V, 163. ↑Note 17 · Mevr. Lou Andreas-Salomé. F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48. ↑Note 18 · D. V, 302. ↑Note 19 · D. VI, 115. ↑Note 20 · D. V, 245. ↑Note 21 · D. V, 276. ↑Note 22 · D. IV, 167. ↑Note 23 · D. V, 201. ↑Note 24 · Nietzsche’s philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch: „Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden die gij zijt.”1 DeNote 25 · En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden; wanneer gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u wederkeeren.”Note 26 · En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuw credo, een geheel ineengezette verzamNote 27 · Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap,Note 28 · Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelNote 29 · „De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel geleden heeft … de trots van den uitverkorene in de wetenschap, van den ingewNote 30 · „Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef het mij dan—in vredesnaam!” „Wat dan? Spreek!”—„Wat? O, nog een masker! Note 31 · Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk van een cynicNote 32 · En mocht ooit mijn verstand mij verlaten—want, ach, hoe licht ontvlucht het ons!—moge dan mijn trots nog één worden met mijnen waanzin!”10Note 33 · Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families, waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan wetenscNote 34 · Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare doNote 35 · De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling wierp hij Note 36 · Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad, die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of geesteNote 37 · Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem geen moreele angst of wanhoop kostte. „Het wordt ons duidelijk,” zegNote 38 · Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat Note 39 · Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal moeilijkhedenNote 40 · Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als „iets, dat telkens opnieuw zichzelf moet overtreffen,” dat voortdurend veranderen een hoofdNote 41 · Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings