← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Besluit.

M. François-Merkus translation

Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannen van het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien jaren vooral heeft de „Nietzscheliteratuur” aanzienlijke afmetingen verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche’s persoon of over zijne werken gegeven; hij is thans „in de mode” evenals Wagner of Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland, den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar, evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom, verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal uitmaken.

Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek, geloof ik, vrijwel besluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het zich aangetrokken door het „modernisme” van Nietzsche en door het schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af, tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste tegenwerpingen tegen Nietzsche’s theorieën en de waarde, die wij daaraan hechten, mee te deelen, zonder evenwel zoo dwaas te zijn in enkele bladzijden de „ware” oplossing van de samengestelde en fijne problemen, die het geldt, te willen geven.

Nietzsche’s werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er vooral op gewezen, dat het „dwalingen” bevat, wat feiten of meeningen betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een moreel oogpunt gevaarlijk was.

In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche’s argumenten ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht—om een duidelijk voorbeeld te geven—door argumenten, die hij aan de taalkunde ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving erkend werden, „aristocratisch” waren en in het vervolg der tijden door slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij het Latijnsch bonus aan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken vorm duomus (van duo, twee) en verklaart door „mensch van tweedracht, van strijd”; zoo ook brengt hij het Duitsch Gut overeen met het woord God en den volksnaam Gothen en haalt hij de verschillende beteekenissen aan van het Duitsch schlecht, schlicht, dat zoowel eenvoudig, algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen, die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van het blonde, eenzame „roofdier”, dat Nietzsche aan den oorsprong der Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt, dat de voorhistorische mensch zelfs al het „dier eener kudde” was, dat gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten, die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld van den „blonden wilde” gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche’s historische theorieën, zijne hypothese van de „Joodsche opheffing der slaven”, zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in de Antichrist, zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming en Luthers rol zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne verklaring van „slecht geweten”, zijne theorieën over het begrip „zonde” teruggebracht tot het materieel begrip „schuld”, zij allen zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:

„De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit, d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde „Uebermensch” wordt een „Untermensch” of dier; door de ontspanning of opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood.” Ten slotte is ook de leer van het „Eeuwig Wederkeeren” door niemand geloofd en zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was, noemt Zarathustra’s mysticisme „weinig overtuigend.”

Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van Nietzsche’s werk uit al die kritieken maken?

In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent, want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woorden b.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele vraagstukken met behulp van taalkunde zou kunnen aanvaarden en om de taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige feiten sociale feiten te verklaren en zich in ’t bijzonder door vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van belang ontbloot behoeft te zijn.

Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke „fouten” in Nietzsche’s theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van de objectieve waarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene „objectieve” of, wat op hetzelfde neerkomt, „algemeen subjectieve” waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger, naarmate hij met wat wij noemen de objectieve waarheid meer blijkt overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat Nietzsche in de eerste plaats zichzelf heeft willen zoeken en leeren kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis, zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem steeds minder te doen is geweest om te weten wat zij op zichzelve waren dan om hetgeen zij hem omtrent zijn eigen persoon konden openbaren; hij heeft eene „legende” van hen gemaakt, waarvan de objectieve waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend, dat hij in werkelijkheid in Schopenhauer als Erzieher en in R. Wagner in Bayreuth zichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid; hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich op dat standpunt plaatst om Nietzsche’s werk te beoordeelen, van ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche’s waarde op prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending, die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens voornaamste werk: „Der Einzige und sein Eigenthum” (1843) de moeite waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche’s geschriften vergeleken te worden.

De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de „eenige” en onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen daarentegen volkomen van Nietzsche’s ideeën afwijkt.

Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in de Dialogues Philosophiques van Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt reeds voor in l’Éternité par les astres van Blanqui en in l’Homme et les Sociétés van Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen, die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond „plebeïschen” geest, eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers, maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel meer belang is dan zijn werk.

Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche’s werk te onderzoeken, n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene „Nietzsche” school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?

In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van Nietzsche, zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch is het gewis niet genoeg een „arrivist” (om het gangbaar neologisme te gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men „volgens Nietzsche” leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen, die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:

„Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren dwingen om u heen te draaien?

Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger, zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!

Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer leegte.

Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is, die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.

Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften, willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid te rechtvaardigen.

Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte leer van Nietzsche als gevaarlijk.

Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?

Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid, hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen, weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden „medelijden,” „naastenliefde,” „belangeloosheid,” schuilgaat, scherper aan het licht gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart; hij geneest zijne zieken òf volkomen—òf hij doodt hen. De menigte gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt zelfs den naam van „beul”; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid, zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.

Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten, dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest; daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen, trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings