Note 1 — Besluit.
M. François-Merkus translation
Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche’s persoonlijkheid veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingen vinden, die op zichzelve en niet alleen als uitingen van Nietzsche’s persoonlijkheid hoogst belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang zijne meeningen omtrent Wagner—in R. Wagner in Bayreuth en in Der Fall Wagner—voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel, dat ook op vele andere punten Nietzsche’s ideeën dienen in aanmerking te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel ik, dat de waarde van Nietzsche’s werk niet uitsluitend en zelfs niet hoofdzakelijk in het „objectief” belang ligt, dat zijne ideeën vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel, dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: „Wanneer men tot hem komt na de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten, wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit en hun ikheid schijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener, een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door wat hij is.”1 Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek, waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis, die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf: „Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt; n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch.”