Note 3 — Besluit.
M. François-Merkus translation
Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende om hem in zekeren zin a priori de afkeuring van vele geesten op den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch tegelijk individu en „dier der kudde” (zooals Nietzsche zegt), hij is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin, een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne overtuiging—terecht of ten onrecht—strijd verwekken tusschen zijn persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat alle menschen tegelijk individu en „dier der kudde” zijn, bestaan er twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand hebben al naar gelang de zorg voor zijne eigen persoon of die voor de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op te offeren—hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen—hij wedt dus ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden, toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten gunste van de moraal der „kudde” en die volkomen radicale tegenstelling van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der democratische en humanitaire leer eene onvermijdelijke vijandschap te stichten, want de afschuw, dien de „kudde” voor Nietzsche ondervindt, is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme.3