Positief gedeelte: De „Uebermensch”.
M. François-Merkus translation
I.
Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernen mensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?
Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.
Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geen doel, maar een brug, een doorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.
„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?
Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willen zijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.
Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.
Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.
II.
Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?
Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waarden scheppen inplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.
Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.
Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.
Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.
Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.
Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uit de mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.
Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.
„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”
„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is tot nieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…
„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…
De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.
De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.
Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.
„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.
III.
„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophouden da capo roept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.
Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leer van den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:
De som der krachten, die het heelal vormen, blijkt vast en bepaald te zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.
Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig vele malen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.
„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het „Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”
Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malen juist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het niet a priori verworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het te verwezenlijken en de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.
Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt, waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.
Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.
„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.
„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.
En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.
„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”
Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.
Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert. En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen: