← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 4 — Positief gedeelte: De „Uebermensch”.

M. François-Merkus translation

Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneele moraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4 te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings