Note 5 — NIETZSCHE’S KARAKTER.
M. François-Merkus translation
Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte, toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen, die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken heeft, zoo o.a. aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg, de schrijfster van de „Gedenkschriften eener Idealiste”; Mevrouw Lou Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken5. Uit het weinige dus, dat wij weten van zijne verhouding tot de vrouw, wordt het ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche’s zuster, de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de waarheid—al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw, hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene zachte hartelijke vriendschap6. „Het is waarlijk alsof Nietzsche enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid, de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche’s gevoelsleven zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen, verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene bekoring te meer.