Note 19 — NIETZSCHE’S KARAKTER.
M. François-Merkus translation
Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd, hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof, die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het bestaan; het luidt: „Alle goden zijn dood, nu moet de „Uebermensch” leven.”19—Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.