Note 4 — NIETZSCHE’S KARAKTER.
M. François-Merkus translation
Nietzsche’s moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon; te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijk liefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op droevige wijze verbroken. Nietzsche had n.l. de gevaarlijke gewoonte zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid, grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden; vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek—dat juist dat gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zij waarnemen trachten te verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling, maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. „De onmogelijkheid om zich te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan zijne zuster, het verschil tusschen twee naturen is gelijk een masker, dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan. Tusschen gelijken! Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem, die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht; voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte, welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken; voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop, zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer bovenkwamen, die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijken val, hoe hij aan zijn eigen ik ontrouw werd, aan dat ik niet langer genoeg had. „Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij nog een God bezit!”4