← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 12 — NIETZSCHE’S KARAKTER.

M. François-Merkus translation

Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche’s ziel eene omwenteling gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst, maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur, de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de „waarheid” zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich in zijne oogen—in theorie althans—met de liefde voor de waarheid en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij „een sterk verlangen in zich om alles te weten, alles te begrijpen,” toen kwam hij er toe een uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen, waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de woorden: „Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle wetenschap.”12 Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In 1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig philosophische studie over „het Noodlot en de Geschiedenis”, eene studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien „onmetelijken oceaan van denken” in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeën van twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk, „dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel, alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk geloof zijne toevlucht te zoeken.”13 Hij blijft een Christen, maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij: „Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen, en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan schenken. Het geloof, dat God als mensch tot ons is gekomen, leert ons, dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten … Te midden van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem „de geboorte, de kracht en het einde van den godsdienst”14 Eer nog drie jaren waren verloopen had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen: hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in het subjectief wezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken (wat trouwens geen enkel bewijs is van de objectieve waarheid van dat geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge; zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar „het eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede.”15 Zoodra Nietzsche vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk, want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad van het geloof vaarwel had gezegd om met „heldenmoed” den moeilijken weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad, die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den „Dood van God” de voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste omwenteling in ’s menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar doel te bereiken. In „Die Fröhliche Wissenschaft” gaf hij op treffende wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings