Note 3 — NIETZSCHE’S KARAKTER.
M. François-Merkus translation
En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet te beoogen de menschheid een nieuw credo, een geheel ineengezette verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede, voor wat men noemt „ziel”, „geest”. Het sentiment en de rede zijn, volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden: „Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een machtige meester, een onbekende wijze—hij heet „Ik”. Hij is in uw lichaam, hij is uw lichaam.3 Het lichaam met zijne instincten, met den „wil van kunnen”, die het bezielt: dat is volgens Nietzsche „de groote rede” van den mensch; terwijl de „kleine rede”, waarop hij zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens zeer onvolkomen „en broos werktuig”, dat die „Ikheid” dienen moet tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen, zich doen gevoelen door die geheimzinnige „Ikheid”; al het overige telt niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven, onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt „de tafel van waarden”, die bepalen wat goed of kwaad is, laten zich niet verklaren; de mensch „leeft” die, hoe ook; de beste er van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste plaats eene daad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne tijdgenooten is dat niet door zijne kennis of wetenschap, door het algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker, maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: „Ik geef u de waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen moet,” maar integendeel: „Hier ben ik met mijne neigingen, mijne geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen en zooals ik ben, zeg ik „ja” tot het bestaan, tot zijne vreugde en zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden, die het mijne schiepen.” Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen op het onpersoonlijk denken, het zich losmaken van hun „ik”, „hun oog licht doen worden”, volgens Goethe’s schoone uitdrukking, maakt Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek van Nietzsche’s persoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze studie dient te beginnen.