Note 22 — NIETZSCHE’S KARAKTER.
M. François-Merkus translation
Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid der hedendaagsche ziel. „Hoe eenvoudig,” schreef hij, „was de mensch van het oude Griekenland, in het beeld, dat hij van zichzelf vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden wij een labyrinth moeten kiezen als model.”22 Hij wist trouwens te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien drang weer in een aphorisme getiteld: De Zucht van den Zoeker. „O, hoe groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid, want in haar is eene „ik-heid”, die naar alles vraagt, die niet alleen met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien en vasthouden, eene „ik-heid”, die niets wil prijsgeven van wat haar zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij, die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!”23