← Table of contents
Nederlandsche Insecten

XVII. HET KWEEKEN VAN INSECTEN.

Reading edition

Nu komen we aan het mooiste en leerzaamste werk: het in huis opkweeken van insecten. Dat dit een aardig werk is, volgt o.a. ook hieruit, dat het Insectarium in Artis te Amsterdam, waar men ook insecten kweekt, door iedereen wordt bewonderd, en dat ieder er gaarne langen tijd vertoeft. Er is ook geen beter middel om insecten te leeren kennen, dan ze geregeld in huis, in school of op een open plaats dagelijks waar te nemen. Natuurlijk moet men zorgen, dat de omgeving waarin men hen plaatst, zooveel mogelijk overeenkomt met die, waarin zij buiten leven.

Het gemakkelijkst kweekt men rupsen op tot vlinders. Dat geschiedt dan in rupsenkasten, rupsenhuizen of insectaria. Doozen en flesschen zijn ongeschikt, omdat daar te weinig luchtverversching in is. Het best is een bodem en een zolder van gaas; de bodem staat dan op pootjes, anders heeft er geen trekking plaats. De vier zijwanden mogen gerust van glas zijn, als er maar voor een gazen bodem en zolder is gezorgd. Natuurlijk kan een der zijwanden ook van gaas zijn, desnoods wel twee. Maar een paar moeten er minstens van glas wezen om waarnemingen te kunnen doen. De insectaria, die in Artis staan, zijn al zeer geschikt; voor velen zullen ze evenwel te duur zijn.

De rupsenkasten zijn daarom zoo bruikbaar, omdat er veel plaats is voor voer. Bijna alle rupsen eten bladeren. Snijdt men nu eenige stengels of takken met bladeren af en zet men die in een fleschje met water, dan blijven ze frisch en vormen een goed voer voor de rupsen. Tegen den tijd, dat de bladeren zijn opgegeten, wordt nieuw voer gehaald en in een tweede fleschje geplaatst; dit zet men dan ook in het rupsenhuis. Al heel gauw merken de rupsen dat er „versche groenten” zijn aangekomen en zij kruipen daar heen. De oude takjes zijn nu verlaten en men neemt het eerste fleschje weg. Op deze wijze behoeft men de rupsen niet aan te raken, wat anders wel eens aanleiding kan geven tot kwetsing der dieren. Het is geheel verkeerd het rupsenvoer zoo maar in het rupsenhuis te werpen. In enkele uren zijn de bladeren verdroogd en niet meer te genieten voor de rupsen. ’t Voer moet dus altijd frisch zijn. Wil men takken en stengels lang frisch houden, dan knipt of snijdt men ze even voor ze in het water gaan af, en geeft door het ondereinde een flinke kruissnede van een c.M. of 5; dan trekt het water er goed in.

Goed voer is een eerste vereischte en wie hiervoor niet zorgen kan, moet geen dieren opkweeken; ’t loopt dan toch op niets uit.

In de tweede plaats moet er gezorgd worden voor frissche lucht; als het kan, zette men het rupsenhuis altijd voor een open raam. Waar veel gegeten wordt, is de productie van uitwerpselen ook groot en omdat die soms minder aangenaam rieken of gaan schimmelen, moet het rupsenhuis dagelijks gereinigd worden. Men doet dit zeer gemakkelijk met een veer. Houdt men hieraan de hand, dan loopt de kweekerij vanzelf goed van stapel.

Op nog een ander punt dient gelet. Verschillende rupsen en bastaardrupsen verpoppen in den grond. Ze doen het ook wel boven den grond, als ze niet anders kunnen, maar voor het dier is het beter als het wat aarde tot zijn beschikking heeft om daarin te kruipen. Men zette dus in het rupsenhuis neer een laag bakje met aarde; de aarde wordt een beetje vochtig gehouden. Het aardigst is te beginnen met een kweekje van brandnetelrupsen, van de Kleine Vos. Men vindt in Mei en begin Juni op brandnetel geheele kolonies van deze rupsen.

Wij moeten vooral aanraden de dieren zoo weinig mogelijk of eigenlijk in ’t geheel niet aan te raken; de natuur helpt zichzelf wel. Dan moeten wij aanraden met niet te veel soorten in eens te beginnen; dat geeft maar verwarring en belemmert ons in het duidelijke waarnemen. Want waarom gaan wij insecten kweeken in huis? Alleen om belangrijke waarnemingen te doen, onze kennis te verrijken, om de natuur te leeren bewonderen en in die bewondering te genieten. Dan is het kweeken in huis het eenige middel om onbeschadigde volwassen vlinders te krijgen. Met een vlindernet kunnen wij gemakkelijk vlinders vangen, doch bijna altijd worden ze min of meer beschadigd. Kweeken wij ze evenwel uit rupsen in ’t rupsenhuis op, dan krijgen we gave, onbeschadigde en ook nietafgevlogen vlinders. Sommige vlinders overwinteren als pop, ’t zij boven, ’t zij onder den grond. We moeten die dus ook thuis den winter laten doorbrengen. Een goed plaatsje is een kamer, waar niet gestookt wordt. Op den zolder is ook goed; men kan ze ook buiten zetten of in een schuur. Tegen kou zijn ze voldoende bestand; men moet evenwel zorgen dat ze geen last van regen of ander water hebben.

Behalve als poppen, overwinteren ook vele insecten als imago; b.v. kleine vos, atalanta, citroentje, vele kevers, muggen, enz. Wie de geschiedenis van deze insecten wil leeren kennen, dient hiervan wat exemplaren te verzamelen vóór den winter.

In een rupsenhuis of insectarium kunnen wij ook de levensgeschiedenis volgen van verschillende kevers, b.v. O. L. H. beestjes, het goudhaantje (70) doodgravers en wat al niet meer. Als we maar zorgen, dat zij het juiste voedsel hebben. O. L. H. beestjes lusten dolgraag bladluizen, het goudhaantje leeft op de witte doovenetel. Zet men b.v. in een bloempot met aarde een plant van witte doovenetel, dan kan men verder in het insectarium eenige goudhaantjes doen, die dan op de doovenetel eieren gaan leggen, waaruit larven komen, die aan de bladeren gaan eten, ten slotte aan de bladeren verpoppen en eindelijk als kever voor den dag komen.

Hoofdzaak is, dat de dieren een goed en passend voer hebben.

Wat de waterinsecten betreft, die moet men in een aquarium houden; men lette er evenwel op, dat sommige roofinsecten zijn en andere meer planteneters. De larven zijn meestal ook erge carnivoren, zoodat ons aquarium dan met recht een jachtterrein wordt. Wie de steekmuggen wil bestudeeren, moet de larven in het aquarium houden. Het verdient aanbeveling de aquaria met een geperforeerde zinken plaat of met een glasplaat te bedekken; dan kan geen enkel insect ontsnappen; sommige waterkevers scheppen ’s avonds wel eens een luchtje en vliegen dan rond. Onze waterinsecten moeten gevoerd worden. Stukjes vleesch, daphnia’s, kleine vischjes, ze doen er hun maal mede. Er moet ook gezorgd worden voor waterplanten en een flinken bodem.

Een insecten-aquarium is veel interessanter dan een gewoon visch-aquarium, omdat er veel meer actie in het leven der insecten is; bovendien is de gedaanteverwisseling zeer merkwaardig.

Wij kunnen al deze onderwerpen hier niet uitvoerig uitwerken, doch zullen bij de afzonderlijke beschrijving der waterinsecten nog wel het een en ander mededeelen.

Van belang is dat wij bij het vangen en kweeken van insecten, vooral aanteekeningen maken van onze waarnemingen; ook vergete men niet de datums te noteeren. Vaak kan het ook nuttig zijn, het uur te noteeren, waarop iets wordt waargenomen. Wij weten nog lang niet alles van het leven der waterinsecten, zoodat er vele nieuwe waarnemingen zijn te doen. Wie zich met insecten bezighoudt, moet een dagboek aanleggen; later hebben die aanteekeningen veel waarde.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings