KEVERS (4)
Reading edition
No 61. Letterzetter. (Bostrichus (Tomicus) typographus). Deze kever, en de iepenspintkever, No 63, behooren tot de schorskevers. Het is een betrekkelijk klein dier, 4–5 m.M., en wordt aangetroffen in sparren. Het wijfje boort en vreet zich door de schors heen, en is het tusschen schors en hout gekomen, dan graaft het een gang naar boven. Links en rechts van deze „moedergang” worden eieren gelegd. De larven, die hieruit komen beginnen ook gangen te graven, die min of meer loodrecht op de moedergang staan. Maar dat duurt niet lang of ze wijken uit. Deze „kindergangen” worden hoe langer hoe wijder, omdat de larven geregeld dikker worden. Zijn de larven volwassen, dan verpoppen ze aan het einde van zoo’n gang in een „kinderwieg”, zooals men dat plaatsje daar noemt. Uit die poppen komen later kevers, die op hun beurt weer gangen gaan graven. Wanneer men stukken schors van aangevallen boomen wegneemt, ziet men aan de binnenzijde van de schors de moeder- en kindergangen; ook in het hout zijn die gangen uitgevreten. Het lijkt er dus wel wat op, of dat hout kunstig door een houtbewerker is uitgesneden. Iedere soort schorskever heeft zijn eigen „eetwegen”, of vraatfiguren, zoodat men hieraan reeds zien kan, welke kever aan het werk is geweest. Vooral op oude en zieke boomen kan men vele en mooie teekeningen zien. De „Letterzetter” komt bij ons niet veel voor, wel in naburige landen.
No 62. Heldenbok. (Cerambyx cerdo) (heros). De larve van dezen boktor hebben wij afgebeeld in No 2, Plaat I en daar een en ander verteld over de beteekenis der larven, die „boorders” zijn en het hout minderwaardig maken. De kever wordt 3 tot 5 c.M. De sprieten van het mannetje zijn veel langer dan het lichaam. Men kan deze kevers in de maanden Juni tot September tegen eikenstammen vinden, waarin de larven leven. ’s Avonds vliegt hij wel rond. Hij is de grootste boktor, die in staand hout leeft. Bij ons komt hij zelden voor, maar het gebeurt wel, dat hij uit bewerkt hout (meubelen) te voorschijn komt.
No 63. Iepenspintkever. (Scolytus Geoffroyi). Deze kever leeft op dezelfde wijze als de letterzetter (61). Alleen komt hij bij ons veel meer voor en richt daardoor ook grooter schade aan. Hij heeft het gemunt op iepen. Het schijnt, dat hij bij voorkeur iepen aanvalt alleen in doode takken en dan verder werkt. Wij hebben in Amsterdam aan den Haarlemmerweg en ook in de Linnaeusstraat tegenover de gasfabriek geheele rijen iepen door dezen kever zien vernielen. Ook jonge boomen, die in slechte conditie zijn, valt hij aan. De schors van de aangetaste boomen is als doorpriemd; zooveel gaatjes zitten er in, waardoor de kevers naar buiten kwamen. De kever, die 3 tot 5¼ m.M. lang wordt, is glanzig, zwart; dekschilden eenkleurig roodbruin of donker gevlekt, ook wel zwart. De kevers zwermen van einde Mei en in Juni.
No 64. Populierenbok. (Saperda carcharias). Dit is de grootste van onze 3 populierenboktorren; het dier wordt 20½ tot 28 m.M. lang, en in de maanden Juni tot September kan men het tegen populieren en ook wel tegen wilgen zien zitten. ’s Avonds vliegt de kever. De larve leeft in genoemde boomen; de geheele ontwikkeling duurt 2 jaar. De kever is zwart, doch met een dicht okergeel of meer grauw haarvilt bedekt. Kop en halsschild, evenals de dekschilden, met kale stippels bezet. Het mannetje is kleiner dan het wijfje. Het is een kever, die overal voorkomt. Maar omdat zijn kleur nog al overeenkomt met die van de boomstammen is hij niet gemakkelijk te zien. Evenwel, die veel insecten zoekt, snapt hem ook wel.
No 65. Dennenboktor. (Acanthocinus aedilis). Als we deze boktor eenmaal gezien hebben, vergeten wij het dier nooit. Het is bekend, dat de boktorren haar naam ontleenen aan de gekromde sprieten, die doen denken aan de horens van een bok. Welnu, het mannetje van de dennenboktor heeft sprieten, die 4 à 5 maal, en het wijfje heeft sprieten, die 2 à 3 maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, dat een lengte heeft van 11 tot 19 m.M. Het zijn dus reuzensprieten, die dit dier bezit, en iedereen wil gaarne zoo’n exemplaar in zijn verzameling hebben. De kever vliegt al vroeg in ’t voorjaar, en is overal in de dennenbosschen gemeen. De larve leeft in geveld hout en in doode takken, zoodat zij feitelijk geen kwaad doet aan het levende hout. Maar het gevelde hout wordt technisch verwerkt, en zoo vinden wij dezen kever wel in houtmagazijnen en in huizen. De kleur is grijs, met een flauwen, donkeren dwarsband over de dekschilden; de grijze kleur wordt veroorzaakt door een zeer korte beharing. De kever heet ook wel „timmerbok”, en hij verlaat in Augustus en September de pop. Het is een zeer interessant dier.
No 66. Wilgenbok. (Aromia moschata). Ook dit is een mooie boktor, die men op oude wilgen veelvuldig kan aantreffen. Men noemt den kever ook wel „rozenbok”, omdat hij geurt naar rozenolie; men kan in dien geur evenwel ook muskus herkennen. De lengte van het dier bedraagt 20 tot 34 m.M., dus het is een flinke kever. Het lichaam is zeer gestrekt, vlakgedrukt, op de bovenzijde kaal; metallisch groen, goudgroen, purperachtig-roodkoperkleurig of blauwachtig. Sprieten staalblauw. De dekschilden zijn minder glanzig dan het halsschild. De larve vreet gangen in wilgenhout.
No 67. Tangbok. (Rhagium mordax). Dekschilden met een groote, onbehaarde, zwarte vlek nabij het midden aan de zijden, tusschen de twee roestkleurig-gele dwarsbanden. De sprieten zijn half zoo lang als het lichaam, dat een lengte heeft van 13 tot 20 m.M. De larve leeft in verschillende boomen, in eiken, ahorns, beuken, dennen en sparren. Soms vindt men den kever op bloeienden meidoorn en sneeuwbal. In zandstreken wordt hij wel gevonden.
[
Inhoud
]
Goudhaantjes.
De volgende 4 plaatjes, No 68 tot No 71, stellen kevertjes voor, die allen behooren tot de goudhanen of Chrysomelidae. Ze hebben hun naam gekregen naar den glans van de dekschilden. Zij leven allen van planten en omdat het een zeer uitgebreide groep is, is hun beteekenis in de huishouding der natuur zeer groot. Oorspronkelijk leven ze allen op wilde planten, doch van lieverlede zijn ze overgegaan op de kultuurgewassen, en dan worden ze natuurlijk lastig.
Ze leggen hun eieren op de planten; ze doen dat aan de onderzijde der bladeren, dan zitten ze beschut tegen te felle zon, regen en tegen eenige vijanden. De larven, die hieruit komen, zijn z.g. vrijlevende larven; d.w.z. zij leven op de planten. De larven, die in de planten of in den grond leven, zijn meestal wit; we hebben dat gezien bij de verborgen levende larven van boktorren. De vrijlevende larven der goudhaantjes evenwel zijn bont gekleurd, in ieder geval hebben ze een donker aanzien. Omdat zij gekleurd zijn, lijken ze veel op rupsen. Men kan ze hiervan evenwel dadelijk onderscheiden door het aantal pooten, dat bij hen maar 6 bedraagt; buikpooten, zooals de rupsen, bezitten ze niet. De larven zijn voor iedere keversoort zeer teekenend, zoodat men daaraan al kan zien, welke kevers er uitkomen.
Leven de larven vrij, ook de poptoestand is meestal vrij, d.w.z. de larven verpoppen aan de bladeren. De poppen hangen met den kop naar beneden en het achterlichaam is door een kleefstof aan het blad vastgemaakt. Deze poptoestand duurt maar kort, en de kevers, die hieruit komen, overwinteren; de imago-toestand duurt dus heel wat langer. Larve en imago hebben dezelfde leefwijze, ze eten de bladeren van dezelfde plant. Maar de larven hebben zachtere monddeelen dan de imago’s en daarom eten die aan de onderzijde der bladeren en laten de bovenhuid zitten; die is wat harder dan de onderhuid. Een blad, dat door de larven is opgepeuzeld, ziet er uit of het verdord is. De kevers daarentegen eten het geheele blad op. De meeste van deze kevertjes zijn maar klein, erg middelmatig. Op de plaatjes geven we wat grooter afbeeldingen, dan zijn ze beter te herkennen.
De mannetjes zijn meestal kleiner dan de wijfjes. De diertjes zijn meer ovaal, en verschillen dus hierin nog al wat met de meer slanke boktorren. De pooten zijn niet bijzonder lang. Beharing ontbreekt gewoonlijk en als die er is, dan alleen aan de onderzijde. ’t Is te begrijpen, dat de metaalkleurige schilden onbehaard zijn, want anders kwam de metaalkleur niet tot haar recht, en het vermoeden ligt toch wel voor de hand, dat die kleur het dier van nut zal zijn.
Zooals wij zeiden, leven de larven op planten: een enkele leeft in het water, o.a. die van de Donacia’s, prachtkevertjes, de wij langs de waterkanten vangen. Ons bestek laat niet toe, alle kevers, die tot deze groep behooren te behandelen, wij hebben er enkelen uitgekozen, die iedereen vangen en bestudeeren kan. Tot de schadelijke voor de cultuurplanten behooren o.a. het lelietorretje, het aspergekevertje, het elzenhaantje, de aardvlooien, het mosterdtorretje en ook de buitenlandsche coloradokever. Hoewel deze kever niet in dit album thuis hoort, willen wij er toch iets over zeggen, omdat hij een 35 jaar geleden ook ons land in opschudding bracht. Deze kever is een Amerikaan en leefde tot 1859 op wilde planten, die tot de familie der aardappels behooren. Maar in dat jaar vertoonde hij zich voor ’t eerst op de aardappels en werd toen de schrik der Amerikanen, want in 1 jaar ontstaan er wel 3 of meer generaties van dezen kever. De kever won hoe langer hoe meer veld en werd een ware plaag. In Europa werd men ook bevreesd voor hem, en vooral ook in ons land, waar zooveel aardappels worden geteeld. Over het geheele land heeft men toen afbeeldingen van den kever verspreid, opdat men hem dadelijk zou herkennen als hij soms hier of daar voorkwam. Intusschen is hij bij ons nog niet waargenomen, wel 2 maal in Duitschland en ook eenige keeren in Engeland. De kever was dan met andere artikelen uit Amerika overgekomen. Nog onlangs heeft men een paar kevers in Engeland gevonden in de dokken. En nu gaan wij voort met de beschrijving der plaatjes.
No 68. Wilgenhaantje. (Phyllodecta vulgatissima). Op de wilgen leven meerdere haantjes. Dit haantje is 4 tot 5 m.M. lang en men kan het van Mei tot September op de wilgen vinden. De kleur van de dekschilden is metaal-glanzig, groenachtig-blauw. Pooten donker gekleurd. De verpopping heeft in den grond plaats. Een andere soort is Phyllodecta vitellinae, iets kleiner, wat smaller; ze is 4 tot 4⅔ m.M. Deze kever is vooral berucht, omdat hij onze grienden dikwijls zwaar beschadigt. Grienden zijn stukken laag land, die bepoot zijn met wilgen. De takken van deze wilgen worden gebruikt voor mandenwerk, hoepels, enz. Komen er nu veel van deze kevers in de grienden voor, dan worden de takken kaal gevreten en houdt de groei der takken op. Dit wilgenhaantje komt in ’t voorjaar uit zijn schuilhoek en gaat direct op de jonge wilgenblaadjes af. Hij eet er van en legt daarop de eieren. De larven eten ook van de bladeren, kruipen dan den grond in, verpoppen, en spoedig zijn er weer nieuwe kevers. Die planten zich ook weer voort en in den nazomer verschijnt voor de derde maal een leger kevers. Deze blijven den winter over en komen in ’t voorjaar weer voor den dag. Er komen dus per jaar 2 generaties voor.
Wat zal men nu doen om deze kevers te bestrijden? Veel geld moet dit niet kosten, want de opbrengst der teenen is ook niet zoo hoog. Het eenvoudigste is in het voorjaar met een geteerde plank tusschen de wilgen te gaan en dan tegen te takken te kloppen. De kevers springen weg en zeer velen komen op de geteerde plank terecht. Men moet dit eenige keeren herhalen en er vooral vroeg mede beginnen. Deze eerste kevers zijn de grondleggers van de verdere familie. Men kan wat later in den tijd de teenen ook wel bespuiten met een petroleum-emulsie om de larven te dooden, doch die raakt men niet zoo gemakkelijk. In sommige streken doet het wilgenhaantje veel schade, maar dat is meestal eigen schuld, omdat men er weinig of niets tegen doet.
No 69. Populierenhaantje. (Melasoma populi). Dit is het grootste van alle haantjes en wordt 9 tot 12 m.M. lang; ’t is blauwzwart, doch de schilden zijn rood. Er komen wel 7 soorten hiervan in ons land voor, doch deze is de grootste. Men vindt ze veel op lage populieren. De eieren worden op de bladeren gelegd, waar ook de larven leven, die ook op de bladeren verpoppen. Gewoonlijk vindt men eierhoopjes, larven, poppen en kevers tegelijk op denzelfden boom. Het is een mooi dier. De eieren zijn roodachtig. Raakt men de larven aan, dan komen er groote vochtdruppels naar buiten, die sterk rieken. Dit vocht is een verdedigingsmiddel. Is het gevaar geweken, dan trekt het vocht weer het lichaam in. Het vocht bevat salicyl-aldehyd.
No 70. Goudhaantje. (Chrysomela fastuosa). Dit is het bekende mooie torretje, dat we al in Mei op de witte doovenetel vinden. Het is een prachtig diertje, dat veel kleurvariatie vertoont in zijn dekschilden. De eitjes worden gelegd op de bladeren, waar ook de larven leven en de verpopping geschiedt. Wie een terrarium of rupsenhuis bezit, moet eens een doovenetelplant in een pot zetten en daarop wat goudhaantjes brengen, dan kan men de geheele ontwikkeling van dit mooie diertje zien. Het mannetje is iets kleiner dan het wijfje; de lengte loopt van 4⅔ tot 6½ m.M.
No 71. Schildpadtorretje. (Cassida nebulosa). Van deze torretjes komen er 17 soorten bij ons voor. Zij danken hun naam aan de sterke ontwikkeling van het halsschild en de dekschilden, die als het ware te groot zijn voor het dier. Daardoor heeft deze tor iets schildpadachtigs. Deze kever wordt 5½ tot 7 m.M. lang en 3 tot 5 m.M. breed. De larve leeft op melde, een wilde plant, doch gaat ook wel over op de bieten, en wordt dan zeer schadelijk. Het beste is de kanten der bietenakkers van onkruid te zuiveren, dus zwart te maken. De kevers overwinteren. Soms heeft er een groote „keververhuizing” plaats. Zoo werd er in September 1872 een groote zwerm van deze torren in Amsterdam waargenomen. Dat ze in Amsterdam neerstreken was een vergissing, want daar viel voor haar niets te eten. Wel belangrijk zou het zijn te weten, wat deze dieren tot zoo’n verhuizing drijft.
No 72. Lieveheersbeestje. (Coccinella septempunctata). Het treft wel, dat wij van den laatsten kever, dien wij hier bespreken, niets dan goeds kunnen vertellen. En dat goeds zit dan hierin, dat het diertje eigenlijk een echte kannibaal is, die blad- en schildluizen en mijten eet, die onze kultuurplanten aanvallen. Van het uiterlijk der kevers behoeven we eigenlijk geen beschrijving te geven, zoo bekend zijn deze torretjes. De dekschilden van den „zevenpuntige” zijn helderrood met zeven zwarte punten. Andere soorten zijn weer anders gekleurd en hebben een ander aantal punten. In ’t geheel komen er van deze Lieveheersbeestjes in ons land 22 soorten voor. In ’t najaar kan men ze in grooten getale aantreffen, soms heele zwermen. Ze maken zich dan gereed om te gaan overwinteren, waarvoor ze onder allerlei afval wegkruipen. Als men ze in den herfst verzamelt en in een flesch doet, waar wat verdroogde bladeren in zijn, dan kan men ze gemakkelijk den winter overhouden, als de flesch op zolder wordt gezet. De overwinterde kevers komen in April en Mei weer voor den dag en leggen dan hun eieren op planten, waar reeds de eerste bladluizen aangekomen zijn. De larven, die uit de eieren komen, kunnen dan dadelijk aan den maaltijd beginnen. De verpopping geschiedt ook aan de planten, zoodat we de geheele ontwikkeling boven den grond kunnen waarnemen. In den zomer ontstaat er nog een tweede generatie. Omdat zoowel de larven als de kevers zeer vraatzuchtig zijn, vernietigen ze veel blad- en schildluizen; ze behooren tot onze beste vrienden. Zelf hebben ze niet veel vijanden. Door vogels, die anders menig insect verslinden, worden de coccinella’s weinig gegeten. Dit zit vermoedelijk hierin, dat de kevers bij aanraking een geel vocht kwijtraken, dat zeer giftig is voor warmbloedige dieren. Dit vocht komt uit de pooten, tusschen dij en scheen. Vroeger meende men, dat het bloed was, doch dat is onjuist. Het is ’t zelfde vocht, dat wordt afgescheiden door de galklieren. Ook de larven scheiden zoo’n vocht af.
Zooals we reeds zeiden, zijn de Lieveheersbeestjes zeer belangrijk voor onze kulturen van wege hun vraatzucht, die soms onder de larven zoo groot is, dat zij haar eigen soortgenooten opeten. De omstandigheid, dat men de kevers kunstmatig kan kweeken, heeft aanleiding gegeven, dat men deze torretjes met succes in den tuinbouw heeft gebruikt en nog gebruikt. Hoewel dit succes in ’t buitenland is behaald en de mededeeling daarvan feitelijk buiten ons program valt, willen wij er toch iets van mededeelen omdat het zoo interessant is, en duidelijk illustreert wat wij onder de biologische bestrijdingsmethode van insectenplagen hebben te verstaan.
In Californië werd de cultuur van sinaasappels, die aan boomen groeien, geheel bedreigd door een schildluis, Icerya purchasi, die de boomen totaal verwoestte. Wat men er ook tegen deed, men kon deze schildluis geen baas worden. Vele boomgaarden had men al gerooid, want de boomen brachten toch niets op. De insectenkundigen lieten het er evenwel niet bij zitten. Er moesten toch vijanden van deze schildluis bestaan, en het zou daarom de moeite loonen, die te gaan opsporen. De Amerikanen, een ondernemend volk, zijn er op uitgegaan en hebben in Australië een kever gevonden, die dienst zou kunnen doen. Die kever was een O. L. Heersbeestje, en heet Novius cardinalis. Van dien kever heeft men er vele verzameld, ze met bladluizen voortgekweekt en toen naar Amerika gezonden.
Men heeft daar Novius op de schildluizen los gelaten en met welk resultaat? De plaag is volkomen tot staan gebracht; Novius heeft een opruiming onder de schildluizen gehouden van belang. En nog heden is hij daarmede bezig. Het gevolg is, dat de cultuur van sinaasappels weer mogelijk werd, en thans weer bloeit. Novius werd in 1889 in Amerika ingevoerd.
Uit dit geval zien wij, dat het heel goed mogelijk is insectenplagen door andere insecten te laten bestrijden, als men de vijanden maar weet te vinden. Het mooie en practische van deze methode is, dat ze weinig kost. Als de vijand er eenmaal is, vermeerdert hij er wel, en wij hebben er niets meer aan te doen. Wij laten het de dieren onder elkaar maar uitvechten, en de grootste roovers winnen het dan wel. Deze bestrijdingswijze heet de biologische methode, omdat zij berust op de kennis van de biologie of levensleer der dieren.
Nog een ander geval van een ander O. L. Heersbeestje. In de laagvlakten van Californië wordt veel gedaan aan meloenenteelt; honderden H. A. zijn daarvoor in gebruik. Deze éénzomerige plant heeft veel te lijden van bladluizen, zoo erg, dat hierdoor jaarlijks enorme schade werd geleden. Wat men ook deed, men kon de jaarlijks terugkeerende bladluizenplaag niet tot staan brengen. En wat de mensch niet kon, kan een O. L. H. beestje wel. Er leeft in Amerika zoo’n torretje, dat den naam draagt van Hippodamia convergens. Als het najaar wordt gaat deze kever overwinteren, net als onze kevertjes. Het eigenaardige is evenwel dat de H. convergens naar de bergen trekt en daar met zijn soortgenooten in groote hoopen bijeenkruipt. Dan zitten er honderdduizenden op hoopen bij elkaar. Ze vallen daar in een winterslaap en spoedig bedekt de sneeuw hen. Wat doet nu de Amerikaan? Hij laat door speciale „keverjagers” deze torren in den winter verzamelen, in groote zakken doen en zoo naar beneden brengen. Daar worden ze opgeslagen in koelpakhuizen, om ze niet te doen ontwaken, want warmte wekt hen. Is de meloenenteelt nu zoo ver gevorderd, dat de bladluizen weer aan het werk gaan, dan krijgt iedere kweeker een zending O. L. Heersbeestjes thuis. Voor 1 H. A. zijn noodig 7500 kevers, en omdat er 4000 H. A. voor deze kultuur in gebruik zijn, heeft men totaal 30 millioen kevers noodig. En die worden dan ook gevangen. Natuurlijk telt men de torren niet, doch men weegt ze. 30 millioen torren wegen tusschen de 400 en 500 K.G.
Men ziet, wat een practisch gebruik de Amerikanen weten te maken van deze torren. Maar ze zouden er nooit toe gekomen zijn, als niet eerst die insectenkundigen het leven van deze kevers hadden bestudeerd. Uit dit geval blijkt weer duidelijk hoeveel nut de studie der insecten voor het practisch leven afwerpt.
Willen wij in het klein het voorbeeld der Amerikanen volgen, dan verzamelen wij in het najaar O. L. Heersbeestjes en laten die in Mei op onze rozen los, waar dan de eerste bladluizen al aan het werk zijn.
En hiermede nemen wij afscheid van deze nuttige kevertjes.
PLAAT VI.
KEVERS (d)
61Letterzetter. Bostrichus (Tomicus) typographus. 62Heldenbok. Cerambyx cerdo (heros). 63Iepenspintkever. Scolytus Geoffroyi. 64Populierenbok. Saperda carcharias.




65Dennenboktor. Acanthocinus aedilis. 66Wilgenbok. Aromia moschata. 67Tangbok. Rhagium mordax. 68Wilgenhaantje. Phyllodecta vulgatissima.




69Populierenhaantje. Melasoma populi. 70Goudhaantje. Chrysomela fastuosa. 71Schildpadtorretje. Cassida nebulosa. 72Lieveheersbeestje. Coccinella septempunctata.




[
Inhoud
]