VII. POLYMORPHISME. SOLITAIRE en SOCIALE INSECTEN.
Reading edition
Insecten, die in kolonies of staten leven, zooals wespen, bijen, hommels, mieren, noemt men sociale insecten, omdat zij als het ware een maatschappij vormen. De dieren zijn dan gezellen onder elkaar; socius-gezel. Insecten, die alleen of eenzaam leven, noemt men solitaire insecten.
Onder polymorphisme verstaan wij het verschijnsel, dat van één diersoort drie of meer vormen optreden; polymorphisme beteekent veelvormigheid. Deze veelvormigheid komt nu voor zoowel bij de solitaire als bij de sociale insecten.
POLYMORPHISME BIJ SOLITAIRE INSECTEN. Hiervan geven wij de volgende voorbeelden.
1. Bij den oranje-lucernvlinder, Colias edusa, komen 2 soorten mannetjes voor en maar 1 wijfjessoort.
2. Van den geelgeranden waterroofkever kennen wij 2 wijfjesvormen; de eene met geribde, de andere met gladde dekschilden.
3. Bij wantsen komen kort- en langvleugelige wijfjes voor.
4. Bij de kleine waterjuffers treden kleurverschillen bij de wijfjes op; ’t achterlijf is daardoor niet constant van kleur.
5. Van het mannelijk vliegend hert kent men 4 verschillende vormen; de verschillen zitten in de bovenkaken.
6. Acentropus niveus is een vlinder, die als rups in het water leeft. Het mannetje is normaal; een deel der wijfjes is gevleugeld, een ander deel heeft alleen stompjes van vleugels en verlaten het water niet. Beide vormen komen bij ons voor. Merkwaardig dat in Duitschland alleen kortvleugelige en in Zweden slechts langvleugelige wijfjes voorkomen.
7. Van de oorwormen kennen we 2 mannelijke vormen; het verschil zit in de tangen aan ’t achterlijf.
POLYMORPHISME BIJ DE SOCIALE INSECTEN. Deze veelvormigheid is het langst bekend en wel bij de statenvormende bijen, hommels, mieren en wespen.
HOMMELS. In ’t najaar sterft de heele hommelkolonie uit; alleen de nieuwe, in den zomer geboren koninginnen overwinteren. Die kruipen hier of daar weg en komen in het voorjaar te voorschijn. Op een klompje stuifmeel met wat honing worden de eieren gelegd en daaruit komen kleine werksters. Later worden wat grootere werksters geboren en vervolgens ook mannetjes en wijfjes of koninginnen. Als een hommelkolonie dus op volle kracht is treffen wij daarin aan: de oude koningin, verschillende soorten werksters, mannetjes en nieuwe koninginnen. De werksters zijn gewijzigde wijfjes.
HONINGBIJEN. In een bijenkorf treffen we drie soorten individuen aan: een koningin, mannetjes of darren en werksters of gewijzigde wijfjes. De werksters zorgen voor het halen van stuifmeel en honing, zij houden den korf schoon en wat vooral van belang is, zij voeden de jongen. Precies als bij de hommels; daar verzorgen de werksters ook de jongen. De koningin legt eieren. Midden in den zomer worden alle mannetjes den korf uit gejaagd, zoodat er in den winter alleen een koningin met werksters over blijft.
WESPEN. Deze beginnen ook in het voorjaar met een overwinterde koningin. Die vangt aan zelf een nest te bouwen en uit de eerste eieren, die zij legt, komen werksters. Later komen er weer nieuwe koninginnen en mannetjes. We hebben dus ook hier weer drie vormen.
MIEREN. Hier hebben wij ook drie kasten: mannetjes, wijfjes, en werksters. Deze werksters worden gewoonlijk soldaten genoemd en kunnen weer in groepen worden ingedeeld. De soldaten zijn ook hier gewijzigde wijfjes.
Uit hetgeen wij nu vertelden over de hommels, de bijen, de wespen en de mieren, is gebleken, dat er een groote groep van dieren in elk dier kolonies leeft, die zich uitsluitend bezig houden met de verzorging der jongen; dat zijn de werksters. Als wij deze dieren afzonderlijk beschrijven komen wij hierop uitvoerig terug, maar dit kunnen wij alvast opmerken, dat door de veelvormigheid der individuen in de insectenkolonies de verdeeling van arbeid mogelijk is geworden.
[
Inhoud
]