← Table of contents
Nederlandsche Insecten

FRANJESTAARTEN. OORWORMEN. HAFTEN. WATERNIMFEN. KAKKERLAKKEN.

Reading edition

[

Inhoud

]

Franjestaarten.

Dit is de 1ste Orde der insecten; zij zijn ’t minst gewijzigd. Zij hebben geen gedaanteverwisseling en dus ook geen vleugels; hun monddeelen zijn bijtend en hun sprieten bestaan uit vele leden en zijn draadvormig. Het achterlijf bestaat uit 10 vrije segmenten, waarvan het laatste draadvormige, gelede aanhangsels draagt, die men staarten noemt en borstelig behaard zijn; vandaar dat ze franjestaarten heeten. Bovendien dragen zij aan de buikschilden van het achterlijf ongelede stiften, die bewogen kunnen worden en dienst doen bij de verplaatsing.

No 73. Suikergast. (Lepisma saccharina). Deze diertjes worden hoogstens 10 m.M. lang. Als ze uit het ei komen lijken ze al precies op de ouden; door veelvuldige vervellingen worden het ten slotte imago’s. Omdat zij zich zeer snel bewegen, noemt men ze ook wel schietmotten; deze naam is hier evenwel onjuist, omdat daarmede de 14de Orde wordt aangeduid, de kokerjuffers.

De suikergast heeft zeker zijn naam te danken aan zijn snoeplust. Hij is een bekende gast in huis en in de magazijnen; overal, waar het niet te droog is, vindt men hem. Heel veel voedsel gebruikt het beestje niet. In bibliotheken voedt het zich gaarne met de stijfsel en gom achter de banden; het vreet ook de lijm achter de etiketten weg. Men noemt het beestje ook wel zilvervischje, vanwege de kleur van het schubbenkleed: van boven glanzig loodgrauw, van onder wit. In provisiekasten is het een onaangename verschijning en om hem te vangen legt men toegevouwen lappen neer, waarin het diertje zich overdag verschuilt. Ook strooit men wel insectenpoeder uit, en hoewel dit iets geeft, werken de lappen beter. Hoe droger de kasten zijn, hoe minder last men van het diertje heeft. In oude huizen en bibliotheken, waar de zon weinig binnenkomt en weinig gelucht wordt, treft men ze veel aan.

[

Inhoud

]

Oorwormen.

De oorwormen of oorkruipers vormen de 3de Orde der insecten. Hun gedaanteverwisseling heeft van lieverlede plaats zonder poptoestand; de metamorphose is dus onvolkomen. De monddeelen zijn bijtend; de sprieten draadvormig. Vier vleugels, waarvan de voorste (dekschilden) tot vliegen ongeschikt zijn. De achtervleugels zijn halfcirkelvormig en worden waaiervormig ineen geplooid en bovendien 2 maal in de lengte toegeslagen. Daardoor kunnen zij als een pakket onder de dekschilden worden opgeborgen. Aan het achterlijf bezitten zij twee harde staarten, die beweegbaar zijn en samen een tang vormen. Tot afweer van vijanden bezitten ze z.g. „stinkklieren”. Bij ons komen 3 soorten voor; over de heele wereld zijn al meer dan 500 soorten bekend.

No 74. Oorworm of Oorkruiper. (Forficula auricularia). De lengte van dit dier loopt, zonder tang, tot 15 m.M. Aan de tangen zijn de geslachten te onderscheiden; die van het mannetje zijn meer gekromd en aan de binnenzijde nog getand. Bij het wijfje loopen de binnenzijden meer parallel, en alleen de topeinden zijn gekromd. De oorworm is een nachtdier; overdag houden zij zich schuil in hoeken en gaten en onder steenen en anderen rommel.

’s Nachts trekken ze eropuit. Ze eten zoowel plantaardig als dierlijk voedsel; ze zijn polyphaag. Ze lusten graag vruchten en zijn ook verlekkerd op bloemknoppen van de peer. Ze eten ook veel schadelijke dieren op, al merken wij daarvan ’s nachts niets. Bladluizen en kleine rupsen worden gaarne verorberd. Het wijfje legt de eieren in den grond en bewaakt ze eenigen tijd; zoo’n moederlijke zorg komt zelden bij de insecten voor; meestal ziet de moeder haar jongen nooit. Trots hun goede zijde, om schadelijke insecten te verorberen, worden ze toch bestreden wegens het nadeel dat ze aan het fruit toebrengen. Men bestrijdt ze aldus:

1o men maakt ’s winters de schuttingen goed schoon, omdat in de gaten daarvan de oorwormen overwinteren;

2o men vangt ze ’s zomers door het neerleggen van rolletjes papier, rietstengeltjes, waarin ze wegkruipen; ook omgekeerde mandjes; men vult kleine bloempotjes met mos en zet die omgekeerd op stokjes; ook daarin kruipen ze dan weg. Men past dit eveneens toe om oorwormen uit dahlia’s te houden.

Dat oorwormen een speciale voorliefde voor onze gehoorgangen zouden hebben is een verzinsel; ook, dat zij met de tangen het gehoorvlies zouden doorpriemen. Hoe men aan dit praatje gekomen is? Wanneer iemand in ’t gras gaat slapen, kan het best gebeuren, dat een opgejaagde oorworm een goed heenkomen zoekt en omdat hij overdag een holbewoner is, kruipt hij de gehoorgang in, die voor hem een schuilplaats is. Maar kwaad doet hij er niet. Tot de vijanden van de oorwormen behooren: meezen en andere insectenetende vogels, kikkers, padden, roofkevers en enkele sluipvliegen. Oorwormen zijn sterk; van ’t weer trekken ze zich weinig aan.

[

Inhoud

]

Haften.

Zij vormen de 4de Orde der insecten. Men noemt ze ook wel ephemeriden of ééndagsvliegen, vanwege hun korten levensduur als imago. Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze bezitten bijtende monddeelen, en korte sprieten; ze hebben 4 vleugels, vliezig en naakt, waarvan het achterste paar klein is; aan het achterlijf 2 of 3 lange gelede staarten. De larven leven in het water; in ons land komen 41 soorten voor.

No 75. Oeveraas. (Palingenia longicauda). Deze haften verschijnen gewoonlijk op vasten tijd in Juni; zoo om en bij St Jan (24. Juni) en daarom noemt men ze wel St Jansvliegen. Ze komen dan tegen den avond, om een uur of zeven uit het water opzetten; vooral uit groote rivieren als de Maas, de Lek, de Waal. ’t Is een eigenaardig gezicht deze dieren bij honderden en duizenden uit het water te zien opkomen. Maar nog merkwaardiger is het, dat zij, éénmaal in de lucht zijnde, nog éénmaal vervellen. Ze stroopen de huid af en laten die vallen. In onze jeugd zeiden we, dat ze hun „hempje” uittrokken. Ze leven maar een paar uur. In dien tijd zetten ze eieren op het water af, die dadelijk zinken. Dat is maar goed ook, anders zouden ze spoedig door de visschen worden opgegeten, die op de enkele „vliegavonden” toch al zoo druk in de weer zijn om de imago’s te snappen, waarop ze verlekkerd zijn. Het oeveraas is dan ook een lekker hapje voor de visschen; dat blijkt ook, als men deze dieren aan den haak slaat om er mede te visschen; de visschen bijten dan uitstekend. De visschers weten dat en daarom bewaren zij er velen in olie, om er later ook nog mede te visschen.

Uit de eieren van het oeveraas komen larven, die zich dadelijk het slijk van den bodem inwerken en daar leven van allerlei kleine dieren en lage planten. De heele ontwikkeling duurt 3 jaar. Het mannetje van het oeveraas wordt 24, het wijfje 28 m.M.; ’t mannetje is dus iets kleiner. Daartegenover staat, dat het mannetje weer veel langer staarten heeft; die worden tot 70 m.M. en van het wijfje maar 27 m.M.

No 76. Gewone Haft. (Ephemera vulgata). In Mei en Juni vliegen ze langs vele rivieren; de larve leeft ook in slib. Ze zijn kleiner dan de vorige. Lengte van 14 tot 22 m.M.; de drie staarten van het mannetje zijn ruim 30, van het wijfje ruim 20 m.M. lang. Deze haft leeft langer dan de vorige; het duurt wel 1 of 1½ dag voor ze het hempje uittrekt. Soms bewegen deze dieren zich zeer ver van de rivieren het land in.

[

Inhoud

]

Waternimfen—Libellen.

Dit is een groep insecten, de 5de Orde, waarmede reeds de kinderen vroeg kennis maken. Iedereen kent de mooie kleurige „juffertjes” die langs het water vliegen en de groote libellen, die zich veel verder van ’t water begeven. Dat de groote soorten goed bekend zijn maken we op uit de vele namen, die zij gekregen hebben. Men noemt ze: korenbouten, rombouten, sparrebouten, glazenmakers, paardenbijters, bijenbijters, puistenbijters, vileinenbijters, bleinenbijters, blazenbijters, wrattenbijters, donderbolken, hengsten en vliegende garnalen. Dat ze echte bijters genoemd worden, daarvan zullen we straks de reden hooren.

Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; een larve, die spoedig een imago zal worden, is afgebeeld op Plaat I No 8. Men leze daar de beschrijving nog eens na. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld; het zijn bijters. Ze leven van insecten, die ze in de vlucht vangen; men noemt ze wel de „zwaluwen” onder de insecten, omdat deze vogels ook op die wijze insecten vangen. Zeer krachtig is ook de onderlip ontwikkeld, die bij de larven vervormd is tot een vangtang, die uit- en ingetrokken kan worden.

De sprieten zijn verdwijnend klein; zeer kort, haarvormig. De oogen zijn bij de grootere soorten zeer groot; ze raken elkaar. Bij de kleinere juffers staan ze een heel eind van elkaar af. Ze hebben bovendien 3 puntoogen.

Ze bezitten allen 4 vleugels, die volgens hetzelfde type gebouwd zijn. Bij de kleine juffers zijn ze alle gelijk, bij de grootere zijn de achtervleugels aan het worteleinde wat breeder. De vleugels zijn vliezig, naakt, netvormig geaderd. In ruststand worden ze niet toegeslagen; de grootere soorten houden ze in rust vlak, de kleinere soorten rechtop, achterwaarts gebogen. Vooral de grootere zijn beste vliegers; trouwens, dit brengt hun roofdierkarakter mede; zij moeten hun buit gaan opzoeken.

Het borststuk is kort, forsch; veel dikker dan het lange achterlijf. Het midden- en achterborststuk staan schuin, waardoor de flinke slanke pooten meer voorwaarts staan, en de vleugels meer naar achter. Met de pooten kunnen zij hun prooi vangen en dan gemakkelijk naar den bek brengen.

Het achterlijf is zeer lang en slank, en bestaat uit 10 segmenten; aan het laatste segment zitten een paar ongelede aanhangsels.

Het voedsel is van dierlijken aard; zoowel de larven als de imago’s zijn carnivoren.

De larven leven in het water. Zij halen adem door tracheekieuwen aan ’t einde van ’t achterlijf, of door tracheekieuwen, die plooien zijn van den endeldarm. De larven bewegen zich schoksgewijze; zij persen het water uit den endeldarm en schieten dan tegelijk voort. De einddarm werkt als zuigperspomp. Er zijn nog stigma’s om gassen uit te laten. Om haar vraatzucht worden de larven zeer gevreesd in vischvijvers.

De geheele ontwikkeling van ei tot imago duurt één jaar. De eieren worden in ’t water gelegd; de larven overwinteren.

Een eigenaardigheid van de nimfen is, dat zij soms in zulke groote aantallen vliegen, dat zij ieders aandacht trekken. In 1900, 7 en 8 Juni, had zoo’n reusachtige trek plaats; de dieren vlogen vanuit het westen en verplaatsten zich in oostelijke richting. Millioenen exemplaren moeten dat geweest zijn, want er kwam aan de vlucht geen einde. Zelf hebben wij ze toen in Amsterdam waargenomen; ze waren niet gemakkelijk te vangen. Bij onderzoek bleek, dat de dieren niets in hun maag hadden. De soort, die toen vloog, was Libellula quadrimaculata, afgebeeld op No 78. Door heel Nederland werd de vlucht waargenomen. Ook van andere waternimfen zijn zulke zwermen in ons land waargenomen; tot heden is het nog niet gelukt dit zwermen te verklaren.

De libellen vertoonen schitterende kleuren, die bij opgezette exemplaren niet altijd even mooi blijven. Er komen in ons land 53 soorten voor, zoodat wij hieruit kunnen opmaken, dat er in de slooten en plassen heel wat strijd door deze carnivoren wordt gevoerd. Zoo’n sloot is een permanente „slachtplaats”.

No 77. Gewone Platbuik. (Libellula depressa). De naam platbuik wijst op het sterk afgeplatte en breede achterlijf, dat bij de mannetjes blauw beslagen en bij de wijfjes geelbruin is. Aan den wortel der vleugels een tamelijk groote, bruine vlek. Het dier is 47 m.M. lang, en de voorvleugels ieder 36 m.M. In Mei komen de eerste, in Juli zijn er de meeste en einde Augustus zijn ze weer voor goed weg. Ze komen veel voor, alleen in veenstreken minder.

No 78. Glazenmaker. (Libellula quadrimaculata). Dit dier heeft in het midden aan den bovenrand der vleugels een donkere vlek; daarom heet het quadrimaculata. Deze libel is 45 m.M. lang en heeft een vlucht van 80 m.M. In Mei komen ze en in begin Juni zijn ze er volop; dan begint het aantal af te nemen. Deze soort komt soms in ongelooflijke hoeveelheden voor.

No 79. Groote Gordelglazenmaker. (Aeschna grandis). Deze glazenmaker is op den tweeden ring van het achterlijf vernauwd; het lijkt of hij daar een gordel om heeft; vandaar zijn naam. Het dier is te herkennen aan de roestbruine kleur, ook van de vleugels en pooten. Bij elken wortelvleugel op den rug een blauw vlekje. De mannetjes hebben blauwe, de wijfjes gele vlekjes en stippen op het achterlijf. Het dier heeft een lengte van 70 m.M. en een vlucht van 95 m.M.

No 80. Meerjuffer. (mannetje en wijfje). (Calopteryx virgo). Deze waterinsecten zijn veel slanker en dragen daarom den naam van juffers. Bij de meerjuffer treffen we een mooi voorbeeld van dimorphisme aan. De vleugels van het mannetje zijn geheel donkerblauw, de wortel en de spits uitgezonderd; het achterlijf is ook prachtig licht staalblauw. De vleugels en het achterlijf van het wijfje zijn bruinachtig. Het zijn mooie diertjes, die in stroomende beekjes in het oosten en zuiden van ons land zich ontwikkelen. Wij vingen ze zelf wel in de Leuvenumsche bosschen op de Veluwe. Lengte 47 m.M., vlucht 65 m.M.

No 81. Juffertje. (Agrion pulchellum). Dit is de meest bekende soort van de kleinere juffertjes. Er komen hiervan verschillende soorten voor, die allen mooi geteekend zijn. Ze zitten altijd aan de waterkanten op oeverplanten of vliegen daar rond. Lieve diertjes. Lengte 35 m.M.; vlucht 42 m.M.

[

Inhoud

]

Rechtvleugeligen.

Wij komen nu aan de 7de Orde der insecten, die der Rechtvleugeligen; hiertoe behooren de dieren afgebeeld op No 82 tot en met No 90. In de leerboeken over Insectenkunde worden de Rechtvleugeligen aldus ingedeeld:

I. Cursoria of loopende rechtvleugeligen. a. Blattiden of kakkerlakken. b. Phasmiden of spooksprinkhanen. c. Mantiden of roofsprinkhanen.

II. Saltatoria of springende rechtvleugeligen. d. Acrididen of sprinkhanen. e. Locustiden of sabelsprinkhanen. f. Grylliden of krekels.

Groep b en c zijn niet inlandsch, maar tegenwoordig kunnen wij in Artis in Amsterdam geregeld het heele jaar door de Phasmiden zien; die worden daar gekweekt. Het zijn de wandelende takken en wandelende bladen. Iedereen kan er dus kennis mede maken. Verder kweeken verschillende menschen voor hun pleizier wandelende takken op in huis; dat is een liefhebberij van de laatste jaren. Het opkweeken van zijderupsen is van veel ouderen datum.

Er blijven dus vier inlandsche afdeelingen over: a, d, e, en f. Laten we eerst iets in het algemeen over de Rechtvleugeligen zeggen.

Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze hebben dus geen poptoestand; de larven gelijken al veel op de imago’s. Verder voeren de larven een gelijke leefwijze als de imago’s; ze leven allen op het land en gebruiken hetzelfde voedsel. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld, waarmede ze goed kunnen bijten. De sprieten zijn draad- of haarvormig. Ze bezitten 4 vleugels; de voorste zijn leerachtig en kunnen niet opgevouwen worden; de achterste zijn vliezig, breeder en kunnen waaiervormig worden opgevouwen. Aan het achterlijf komen meestal aanhangsels voor, die soms zeer groot zijn. Men noemt deze orde Rechtvleugeligen naar de wijze, waarop de achtervleugels in rust worden geplooid. Bij de springende zijn vooral de achterpooten sterk ontwikkeld. Het aantal inlandsche soorten bedraagt 29.

[

Inhoud

]

Kakkerlakken.

De kakkerlakken zijn onaangename gasten in onze huizen, bakkerijen, branderijen, plantenkassen, enz. Eigenlijk zijn de drie soorten, die wij hier behandelen, van huisuit geen „inlandsche”. Ze zijn door het internationaal verkeer verplaatst en zoo ook bij ons gekomen. Een paar soorten komen bij ons in de vrije natuur voor, doch zijn van weinig beteekenis. Een eigenaardigheid van de kakkerlakken is dat ze hun eieren in „pakketten” leggen, die min of meer den vorm hebben van een handtaschje. Een zeker aantal eieren worden dan gezamenlijk omkleed door een kapsel, dat uit een stof bestaat, die door klieren wordt afgescheiden. Deze pakketten worden dan hier en daar neergelegd. Kakkerlakken zijn nachtdieren en eten alles wat eetbaar is. Omdat alle kakkerlakken tot de lastige en schadelijke dieren behooren, worden ze bestreden en wel aldus:

1. Men zet een mengsel neer van arsenicum, meel en suiker; de dieren, die hiervan eten gaan dood; inplaats van arsenicum neemt men ook wel gips; borax met suiker is ook uitstekend. Men gebruikt ook wel phosphorpillen, doch die zijn evenals arsenicum, gevaarlijk ook voor den mensch.

2. Men zet een ondiep bord met bier neer; om het den kakkerlakken gemakkelijk te maken bij het bier te komen legt men stokjes en smalle plankjes tegen het bord, waarlangs de beestjes naar het bier klauteren. Ze drinken hiervan, worden bedwelmd, en vallen ten slotte in het bier en verdrinken.

3. Ook kan men lappen neerleggen, die met bier zijn gedrenkt.

4. Er bestaan „kakkerlakkenvallen”; ’t zijn holle blikken trommels, die den vorm hebben van een afgeknotten kegel, waarvan het mantelvlak geribd is, zoodat de dieren gemakkelijk naar boven kunnen klauteren. Het bovenvlak kan draaien om een horizontale spil; in ’t midden van dit vlak ligt ’t aas, zooals boven is aangegeven. Zijn de kakkerlakken naar boven en willen ze naar ’t aas, dan kantelt het vlak en het dier valt naar beneden.

5. Men zet bloempotten of kistjes neer, waarin stukjes brood, waarover wat papiersnippers of houtwol. De dieren kruipen hierin en kunnen gemakkelijk gevangen worden.

No 82. Duitsche Kakkerlak. (Phyllodromia germanica). Dit is de kleinste van de drie soorten, 12 à 13 m.M. lang. De eierpakketten zijn soms zeer groot, en bevatten wel 50 eieren. Zij komen veel voor in branderijen, in hotels en ook in plantenkassen; ze komen met buitenlandsche planten wel mee. Aan ’t achterlijf bezitten ze klieren, die een sterk riekend vocht afscheiden. De kleur is geelbruin, naar ’t roodbruin loopend. Het mannetje is iets platter dan het wijfje. Beiden hebben goed ontwikkelde vleugels.

No 83. Bakkerstor. Keukenkakkerlak. (Periplaneta orientalis). De Hollandsche namen wijzen er al op, dat dit dier in bakkerijen en in huizen voorkomt. Oorspronkelijk komen ze uit Azië. Lengte 20 tot 24 m.M. De voorvleugels zijn iets korter dan ’t achterlijf. Het wijfje heeft haast in ’t geheel geen vleugels; de voorvleugels lijken een paar schubjes. De kleur van het dier is donker kastenjebruin, de pooten zijn iets lichter. De dieren zijn in ’t bezit van stinkklieren. De naam tor is onjuist.

No 84. Amerikaansche Kakkerlak. (Periplaneta americana). Dit is de grootste van de drie; 28 tot 32 m.M. lang. Mannetje en wijfje hebben beiden vleugels die langer dan het achterlijf zijn. Ze zijn iets lichter gekleurd dan de vorige soort. Ze komen in onze huizen niet veel voor, doch wel in dokken, pakhuizen, fabrieken, vooral in suikerraffinaderijen; sommige schepen kunnen er mede „vergeven” zijn. Evenals bij de vorige soort worden ook hier onaangenaam riekende klierstoffen geproduceerd.

PLAAT VII.

FRANJESTAARTEN—OORWORMEN—HAFTEN—WATERNIMFEN—KAKKERLAKKEN.

73Suikergast. Lepisma saccharina. 74Oorworm. Forficula auricularia. 75Oeveraas. Palingenia longicauda. 76Gewone Haft. Ephemera vulgata.

73
73
74
74
75
75
76
76

77Gewone Platbuik. Libellula depressa. 78Glazenmaker. Libellula quadrimaculata. 79Groote Gordel-Glazenmaker. Aeschna grandis. 80Meerjuffer (mannetje en wijfje). Calopteryx virgo.

77
77
78
78
79
79
80
80

81Juffertje. Agrion pulchellum. 82Duitsche Kakkerlak. Phyllodromia germanica. 83Bakkerstor. Keukenkakkerlak. Periplaneta orientalis. 84Amerikaansche Kakkerlak. Periplaneta americana.

81
81
82
82
83
83
84
84

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings