← Table of contents
Nederlandsche Insecten

MUGGEN. VLIEGEN.

Reading edition

Wij komen nu aan de zeer belangrijke groep der „Tweevleugeligen” of Diptera, de 16de Orde der insecten, waarvan in ons land al meer dan 2200 soorten voorkomen; over de heele wereld zijn al meer dan 40000 soorten bekend. De Diptera tellen dus wel mee. Het verschil tusschen muggen en vliegen zit voornamelijk hierin, dat de muggen slanker zijn en meestal lange pooten bezitten; een vlieg is plomper en heeft korter pooten. Het hoofdkenmerk van deze Orde zijn de vleugels, waarvan er maar één paar aanwezig is. Op de plaats waar bij andere insecten het tweede paar vleugels zit, hebben de vliegen en muggen 2 kolfjes, 2 geknopte steeltjes. Laten we de kenmerken in volgorde opschrijven; ze zijn:

1. Volkomen gedaanteverwisseling: ei, larve, pop, imago;

2. zuigende monddeelen;

3. één paar vleugels met wijdmazig aderstelsel;

4. één paar kolfjes;

5. het borststuk tot één geheel vergroeid;

6. vijfledige tarsen aan de pooten;

7. larven zijn pootloos, heeten maden; haar leefwijze loopt zeer uiteen;

8. poppen al of niet door larvehuid omsloten;

9. leggen eieren of brengen levende jongen voort.

Lichaamsbouw.

De oogen zijn groot; bij het mannetje meestal het grootst. Gewoonlijk nog puntoogen.

De sprieten zijn drie- of veelledig; zeer belangrijk voor de rangschikking dezer insecten.

De monddeelen zijn al zeer belangrijk. Een vast type is niet op te geven, omdat er nog al verschillen bij optreden, die in verband staan met de leefwijze. Het oorspronkelijke type is zuigend en dat vinden wij nog het meest zuiver bij de steekmuggen en de dazen. Alle monddeelen te zamen noemen wij den zuiger. Zonder illustraties is het niet duidelijk te maken, hoe zoo’n zuiger is samengesteld. Vooral de bovenkaken zijn stevig en hard bij de steekmuggen. Een huisvlieg heeft eenvoudiger monddeelen. Zoodra met de monddeelen wonden worden gemaakt, werken tegelijk de speekselklieren irriteerend daarop in.

De vleugels ontbreken soms; waarvoor de kolfjes eigenlijk dienen weet men niet; wel is bekend, dat als men er één verwijdert, het stuurvermogen wordt belemmerd.

In de pooten groote verschillen; een langpootmug laat gemakkelijk een poot schieten, net als een sprinkhaan; dat is een middel om aan de vijanden te ontkomen.

Bij veel larven kan men een reductie of achteruitgang in organen waarnemen. Van den kop is gewoonlijk niet veel meer overgebleven dan een paar haken bij de mondopening. Zoo’n made is dan ook zeer eenvoudig gebouwd; zij heeft heelemaal het voorkomen van een dier verloren.

Wat de poppen betreft, die zijn in ’t algemeen half-vrije; gedeeltelijk zijn waar te nemen de uiteinden der pooten en gedeelten der vleugels. De laatste larvehuid wordt veel gebruikt om de pop te beschermen; deze huid is zeer stevig. Het harde tonnetje van de huisvlieg is zoo’n larvehuid.

Voeding der larven.

Deze is nog al verschillend:

1. vele larven, misschien de meeste, voeden zich met organischen afval, zoowel uit het dieren- als plantenrijk; vele muggen en vliegen worden geboren in vuilnis, mest, molm; kamervlieg, vleeschvlieg.

2. andere larven leven van levende plantendeelen: de galvormers en die in bladeren, stengels en bloemen leven; emelten, galmuggen, mineervliegen.

3. parasitische larven leven van stoffen, die zij aan levende dieren ontleenen: parasietvliegen, horzels.

4. larven van zweefvliegen zuigen bladluizen uit.

Voeding der imago’s.

Ook deze is zeer varieerend:

1. honingsnoepsters, die naar bloemen komen;

2. de snoepsters van vochten, die uit ontbonden stoffen vloeien, zooals mest;

3. roofvliegen zuigen andere insecten uit;

4. steekmuggen en steekvliegen zuigen bloed van mensch en dier;

5. bloedzuigende uitwendige parasieten, zooals de luisvlieg.

De plaats der vliegen en muggen in de huishouding der natuur.

De plaats, die de tweevleugeligen innemen, hangt geheel af van het voedsel, dat zij tot zich nemen, en de omstandigheden, waaronder dit geschiedt:

1o Sommige brengen ziekten over; dat doen de steekmuggen en de gewone kamervliegen: malaria, typhus, cholera, gele koorts en andere ziekten.

2o Vele vliegen en muggen veroorzaken plantenziekten: koolvlieg, Hessische mug, wortelvlieg.

3o De in- en uitwendige parasieten van zoogdieren, tappen dezen dieren bloed en andere sappen af.

Tegenover deze onaangename dingen, staat ook heel wat goeds:

4o Zij ruimen veel vuil op, dat de larven „wegeten”: mest, lijken; zij zijn uitstekende „opruimers” in de natuur, echte „schoonmaaksters”.

5o De parasietvliegen dooden veel schadelijke rupsen.

6o Veel bloemen worden door de vliegen bestoven; sommige zelfs uitsluitend door haar.

7o Veel larven en imago’s dienen tot voedsel voor vogels, amphibiën en reptielen en visschen.

Uit het voorgaande blijkt, dat de plaats, die de tweevleugeligen in de natuur innemen, een zeer belangrijke is.

[

Inhoud

]

INDEELING.

Het kan niet onze bedoeling zijn, hier een wetenschappelijke indeeling te geven, maar op enkele groote groepen of families te wijzen, als: galmuggen, steekmuggen, langpootmuggen, dazen, zweefvliegen, kamervliegen, vleeschvliegen, parasietvliegen, horzels, luisvliegen en kultuurplantenbeschadigsters.

Van al deze families zullen wij nu 1 of 2 vertegenwoordigsters beschrijven.

No 145. Hessische Mug. (Mayetiola destructor). Deze mug is maar een klein dier, 2½ à 3½ m.M. lang, doch de schade die zij in tarwe, rogge, gerst aanricht, is zeer groot. Men noemt haar Hessische mug, omdat de Amerikanen meenen, dat soldaten uit Hessen haar in 1779 met stroo naar Amerika hebben overgebracht. Het wijfje legt de eieren op de bladeren en de larven zakken dan omlaag naar de bladscheden. Hier zuigen ze aan de cellen, wat ten gevolge kan hebben, dat de stengels omvallen. Waar de larven leven, verpoppen zij ook. De heele ontwikkeling kan wel in 4 tot 6 weken afloopen, zoodat meerdere generaties in één jaar optreden. Het weer heeft hierop evenwel veel invloed. De pop kan zeer goed tegen uitdroging. Door de landbouwers worden allerlei middelen aangewend om deze mug te bestrijden. Vruchtwisseling is zeer aan te bevelen, omdat die het meest afdoende bestrijdingsmiddel is. In Amerika heeft men reeds 4 soorten van sluipwespen ontdekt, die ons helpen in den strijd; men zou kunnen beproeven deze parasieten kunstmatig te kweeken.

No 146. Steekmug. Mannetje en wijfje. (Culex pipiens). Op Plaat I No 3 zijn afgebeeld een larve en een pop van de steekmug. Men leze nog eens over wat daarbij is geschreven, want dat staat in ’t nauwste verband met de bestrijding van deze muggen. Over de heele wereld zijn 500 soorten van deze steekmuggen bekend, terwijl er in ons land 10 à 12 soorten voorkomen. De eieren worden alle in ’t water afgezet, soms vereenigd tot een vlotje van een 200 stuks. Is ’t noodig, dat de steekmuggen bloed zuigen? ’t Schijnt van niet, want er komen veel steekmuggen voor op plaatsen, waar de mensch niet leeft, b.v. in bosschen en ook in ’t hooge noorden. Poolexpedities moesten daar wel terug om de vele muggen die daar leven op visch en rottende stoffen.

Van de steekmuggen is alleen het wijfje gevaarlijk; dat steekt zijn snuit in de huid en zuigt dan het bloed op. Het mannetje is te herkennen aan de fraai gepluimde sprieten; het steekt niet. Dat de steekmuggen ons een beetje bloed aftappen, is nog zoo erg niet; ieder mensch bezit een 4 of 5 L. bloed, dus er kan zonder gevaar wel een beetje af. Maar het gevaar zit hierin, dat deze muggen ziekten overbrengen. Zij steken zoowel gezonde als zieke menschen, en nu is het te begrijpen, dat daardoor smetstoffen van den een op den ander worden overgebracht. Straks, bij het volgende plaatje, zullen wij er iets meer van vertellen. Men hoort zoo dikwijls zeggen: „de koorts is mij op het lijf gevallen” en als men het verloop eens kon nagaan, zou menigmaal blijken, dat de smetstof, die de koorts veroorzaakt, door muggen, vlooien of andere parasieten is overgebracht.

De steekmuggen overwinteren als imago, en wel alleen de wijfjes, die zich dan verschuilen in den kelder, in gangen, onder waranda’s en andere donkere plaatsen. Als iemand dus in ’t voorjaar vraagt: „Waar komen die muggen toch vandaan?” dan kunnen wij hem antwoorden: „Die hebben den geheelen winter bij U in den kelder tegen den zolder en de muren gelogeerd.” De kelders moet men ’s winters uitzwavelen of met een brandenden flambouw bewerken. Ook kan men de muggen dooddrukken.

En als we ’s zomers de muggen in huis hebben? Men kan als voorzorgsmaatregel horretjes plaatsen en tegen den avond de ramen sluiten. Een gordijn van gaas over het ledikant. De muggen, die tegen de muren zitten, kan men ’s avonds met een glas vangen, dat aan de binnenzijde voor een deel met petroleum is besmeerd. Als men zoo’n glas vlug over een zittende mug brengt, dan bedwelmt ze direct. Men vangt zoo deze dieren zonder het behang te bemorsen. De ontwikkeling der muggen gaat zeer snel. Van ei tot mug duurt tot 3 weken en dan begint over 2 weken het eierleggen. Zoodoende krijgen we wel 5 generaties in één jaar. Eén mug in ’t voorjaar kan in ’t najaar reeds 100 x 100 x 100 x 100 x 100 vrouwelijke nakomelingen hebben. Gelukkig dat er velen verongelukken als larve. De wijfjes zijn 5 tot 6 m.M. lang.

No 147. Malaria-mug. Mannetje en wijfje. (Anopheles maculipennis). Deze mug komt ook in ons land voor en de larven leven in meer grootere wateren dan de vorige steekmug. Men kan de kleine zwarte larven daar vinden aan de onderzijde van het kroos en het flap. De malaria-mug is te herkennen aan de gevlekte vleugels en de ongevlekte pooten. Er zijn nog meer kenmerken, doch die kunnen zonder teekening niet duidelijk worden gemaakt. Een malaria-mug zit schuin tegen een muur, met het achterlijf naar boven; een gewone steekmug zit evenwijdig aan den muur. Hoe bezorgt ons deze mug nu de koorts? Zelf heeft deze mug de smetstof niet, doch als zij eerst een malaria-lijder steekt en van hem de smetstof opneemt en daarna een gezond mensch prikt, brengt ze de ziektekiemen over op den gezonden mensch. De malaria-mug is dus de overbrengster van de ziektestof. Als er geen malarialijder in de buurt is, kan de mug, ook al steekt ze ons, geen malaria overbrengen. De wijfjes zijn 6 tot 8 m.M. Over de malaria-mug is heel wat literatuur verschenen, ook in ons land. In de warme landen worden de gele koorts en andere koortsen ook door steekmuggen verspreid.

No 148. Langpootmug. (Tipula oleracea). De langpootmuggen zijn wel onze grootste muggen, vooral door haar lange pooten. De kleur is aschgrauw tot geelbruin. Ze komen overal voor en we kennen al meer dan 30 soorten in ons land. De mug legt haar eieren in graslanden, waar dan de larven (emelten) aan de wortels der grassen vreten. Ook in moestuinen komen ze voor, en overal waar ze zijn, doen ze veel schade. Tegenwoordig doen de emelten veel van zich spreken op de nieuwe ontginningen in het oosten van ons land. Het schijnt, dat daar te weinig vogels zijn, want die houden gewoonlijk een flinke opruiming onder hen. De emelten verplaatsen zich ’s avonds over den grond. Als men leege bloempotten of glazen tot den rand ingraaft, vallen ze daar wel in.

De langpootmuggen komen ’s avonds in verlichte kamers binnenvliegen en zijn zelf geheel onschadelijk. Omdat de dieren groot zijn, kunnen wij ze gemakkelijk eens bekijken; de kolfjes zijn zeer goed te zien.

No 149. Runderdaas of Brems. (Tabanus bovinus). De daas behoort tot de groep der steekvliegen; het zijn ook hier weer de wijfjes, die aan de dieren het bloed aftappen. De daas zelf is een der grootste vliegen en 22 tot 24 m.M. lang. Zij achtervolgt de runderen, die vreeslijk bang voor haar zijn; als dol rennen de koeien door de weide. Van dit geslacht zijn al een 1000 soorten bekend, zoodat ze heel wat onaangenaams veroorzaken. Sommigen brengen ook ziekten over, wat van deze bloedzuigers is te verwachten.

De daas legt de eieren op den grond, waar de larven verder in de weide leven. De mannetjes, die geen bloed zuigen, voeden zich met honing of met boomsappen; men vindt ze dikwijls tegen boomstammen, waar sap uitvloeit. Dat alleen de wijfjes bloed zuigen staat hiermede in verband, dat zij dit bloed noodig hebben voor de ontwikkeling der eieren.

No 150. Zweefvlieg. (Syrphus ribesii). Het komt herhaaldelijk voor, dat wij plotseling een vlieg in de lucht zien blijven „staan”; dat is dan een „zweefvlieg” of „staande vlieg”. Men kan ze zoo herhaaldelijk boven de bloemen zien staan. De afgebeelde is een zeer gewone; sprieten, pooten en buik van het achterlijf rood geel; lengte 13 m.M. De eieren worden gelegd op de bladeren; de larven zijn bekend als uitzuigsters van bladluizen, behooren dus tot de nuttige dieren. Het valt niet moeilijk deze larven aan het werk te zien. Larven van andere zweefvliegen leven in modder en andere stoffen en behooren dus tot de opruimers. Omdat de zweefvliegen gaarne honing snoepen, en dus veel de bloemen bezoeken, bevorderen ze in hooge mate de kruisbestuiving.

No 151. Kamervlieg. (Musea domestica). De larve en de pop zijn afgebeeld op Plaat I No 1. Daar hebben wij toen over het leven der larven geschreven. Wij hebben toen opgemerkt, dat die larven nuttige dieren zijn, omdat ze veel vuilnis verwerken en opruimen, vooral paardenmest en ook anderen afval. Zoo nuttig de larve is, zoo lastig en gevaarlijk is de vlieg. De kamervlieg is de overbrengster van typhus, tuberculose, cholera en nog andere besmettelijke ziekten. De zomerdiarrhee bij kleine kinderen verspreidt zij; ook o.a. huidziekten. Hoe zij dat doet? Een vlieg is een snoepster en zit overal op; het vuilste en smerigste bezoekt ze evengoed als een suikerpot; daardoor brengt ze allerlei ziektekiemen over. Als het raam van de kamer, waarin een choleralijder ligt, openstaat, komt de vlieg naar binnen en zet zich b.v. neer op de bevuilde beddelakens of onderkleederen, en neemt zoo de cholerabacillen mee. Ze vliegt vervolgens weg en zet zich in een ander huis op het brood neer, dat nu met cholerabacillen wordt besmet en slachtoffers maakt. Daarom moet met kracht de kamervlieg bestreden worden. Ze is een echte cosmopoliet en komt overal voor. Steken doet ze niet; daarvoor zijn haar monddeelen niet geschikt. Het beste middel om haar te bestrijden is den mest op te ruimen, dan ontnemen wij haar de broedgelegenheden. Over den mest kalk en creolin; daarmede ook de naden der stalvloeren reinigen.

De kamervlieg wordt aangevallen door een schimmel; in ’t najaar ziet men de vliegen zitten met uitgestrekte ledematen en gezwollen achterlijf, omringd door een wit, fijn poeder. Dat is het werk van een schimmel. De kamervliegen komen veel meer op het platteland dan in de steden voor; in de steden ligt geen mest bij huis.

No 152. Steekvlieg. (Stomoxys calcitrans). Als we zoo in den zomer plotseling door kousen en kleederen heen gevoelig worden gestoken, dan is dat het werk van de steekvlieg. Behalve den mensch steekt zij ook het vee. Mannetje en wijfje steken beiden; bij de steekmuggen en dazen steken alleen de wijfjes. Vooral in paardenstallen komt de steekvlieg voor, want de eieren worden in verschen paardenmest gelegd. In September komt ze ook veel in de huizen. Men kan ze herkennen aan den vrij langen, dunnen, hoornachtigen zuiger; ze lijkt anders veel op de kamervlieg. De steekvlieg schijnt in verband te staan met de verspreiding van de kinderverlamming. Deze vlieg komt ook veel voor op Java en veroorzaakt in Britsch-Indië de soera-ziekte onder de runderen. Juist omdat ze cosmopoliet is, is ze zoo gevaarlijk voor den mensch. Steekvlieg en kamervlieg zijn evenlang, 6–7 m.M.

No 153. Brom- of Vleeschvlieg. (Calliphora erythrocephala). Deze brommer is de schrik van de huismoeders, want die vlieg heeft de gewoonte op vleesch haar eieren te leggen. Reeds den anderen dag komen uit de eieren de maden, en dat is dan zoo’n vies gezicht, dat men het vleesch wegdoet. Om deze aanvallen te voorkomen, zet men het vleesch in een vliegenkast. In de vrije natuur is de bromvlieg anders zeer nuttig, want zij legt haar eieren daar in allerlei vleeschafval, enz., die zij netjes door haar larven laat opruimen. En dat zij nu onze biefstuk ook voor een stuk van een dierenlijk aanziet, is haar niet kwalijk te nemen; ze heeft immers gelijk? En zij kan het toch niet helpen dat de mensch ook geworden is een „opruimer” van dierenvleesch? Zoodoende zijn bromvlieg en de mensch „concurrenten”.

De bromvlieg is 11 à 12 m.M. lang, zwart, met een glanzig staalblauw achterlijf.

No 154. Schaakbord. (Sarcophaga carnaria). Ook deze vlieg behoort als de vorige, tot de opruimers. De eieren worden in ’t lichaam al uitgebroed, zoodat deze vlieg een „larvelegster” is. Vooral op dierenlijken, doode honden, katten, enz., legt zij haar larven, die dadelijk aan den slag trekken. Ze zijn dus zeer nuttig. Men noemt deze vlieg „schaakbord”, omdat het achterlijf „grijs en zwart geblokt” is, zoodat het op een schaakbord gelijkt. In huis komt ze weinig. Oogen helrood, pooten zwart. Lengte 8 tot 15 m.M.

No 155. Nonvlinder-Parasietvlieg. (Parasetigena segregata). Deze vlieg is zeker wel de grootste vijand van de nonvlinder-rupsen, en daardoor is het dier van groote waarde voor de boschkultuur. Toen wij vroeger het parasitisme bespraken, hebben wij reeds op de beteekenis van de parasietvliegen gewezen. Zij leggen haar eieren op de rupsen, en de larven, die hieruit komen, werken zich naar binnen, en eten allengs de geheele rups uit. Als zij in voldoend aantal aanwezig zijn, dan brengen zij rupsenplagen tot staan. De parasietvliegen vertoonen het echte vliegentype, hebben niet-behaarde sprieten, en groote stekelharen op het achterlijf. Van deze vliegen zijn reeds honderden geslachten bekend, zoodat zij jaarlijks zeer veel slachtoffers maken. Het zijn dus ook „opruimers”, maar zij ruimen levende dieren op. Behalve rupsen worden ook andere insecten, b.v. hommels, geïnfecteerd. Bij het opkweeken van allerlei rupsen komen we herhaaldelijk in aanraking met verschillende sluipvliegen.

No 156. Runderhorzel. (Hypoderma bovis). Dit is inderdaad een mooie vlieg, die iets op een hommel gelijkt. Ze is 13 m.M., dus lang niet klein. Maar hoe mooi ze ook is, ieder jaar brengt ze ons een schade toe van een paar millioen gulden, en dat is geen kleinigheid. De zaak zit zoo. De horzel zet haar eieren af op het lichaam van een koe; hoe dat eigenlijk gaat, waar, wanneer, weet men nog niet precies. De zaak is nog in onderzoek. In ieder geval uit de eieren komen larven, en die larven vindt men na eenigen tijd in de koe vlak onder de huid. Die larve doet zich daar te goed en groeit zoo flink, dat we op den rug van de koe bultjes kunnen zien. Met eenige handigheid drukken wij de larven door het gaatje heen, dat ze al zelf gemaakt heeft. Is de larve volwassen, dan is ze 22 tot 28 m.M. lang en 11 tot 15 m.M. breed, dus een groot dier. Het blijft niet onder de huid, doch het werkt zichzelf naar buiten en valt dan op den grond; hier wordt het een pop, graaft zich den grond wat in en na een week 3 of 4 komt de horzel voor den dag. De wond, die de larve in de huid heeft gemaakt, geneest wel, doch het gat blijft bestaan, en als van de huid nu leer wordt gemaakt, krijgen we „leer met gaatjes”, dat veel minder handelswaarde heeft. Afgescheiden van het nadeel, dat het rund van deze „kostgangsters” heeft, maken ze het leer voor vele doeleinden ongeschikt.

Daarom beproeft men deze horzels te bestrijden. Dat gaat op deze manier. Men haalt de larven met een pincet of een naald uit de huid en doodt ze daarbij. Als men dit geregeld en overal toepast—maar zoover hebben wij het nog niet—dan vermindert het aantal horzels zoo sterk, dat ze weinig nadeel meer kunnen doen. In Nederland ziet men nog niet overal het groote belang van deze zaak in.

PLAAT XIII.

MUGGEN—VLIEGEN.

145Hessische mug. Mayetiola destructor. 146Steekmug, mannetje en wijfje. Culex pipiens. 147Malariamug, mannetje en wijfje. Anopheles maculipennis. 148Langpootmug. Tipula oleracea.

145
145
146
146
147
147
148
148

149Runderdaas of Brems. Tabanus bovinus. 150Zweefvlieg. Syrphus ribesii. 151Kamervlieg. Musea domestica. 152Steekvlieg. Stomoxys calcitrans.

149
149
150
150
151
151
152
152

153Bromvlieg, Vleeschvlieg. Calliphora erythrocephala. 154Schaakbord. Sarcophaga carnaria. 155Nonvlinder-parasietvlieg. Parasetigena segregata. 156Runderhorzel. Hypoderma bovis.

153
153
154
154
155
155
156
156

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings