← Table of contents
Nederlandsche Insecten

II. LICHAAMSBOUW DER INSECTEN.

Reading edition

[

Inhoud

]

a) UITWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.

Hoe verschillend de insecten er ook mogen uitzien, denk b.v. aan een mier en een vlinder, zij zijn allen volgens hetzelfde beginsel gebouwd. En dat beginsel is dit: het lichaam bestaat uit 3 goed te onderscheiden deelen:

1o de kop, 2o het borststuk en 3o het achterlijf.

Elk van deze deelen heeft zijn eigen werk te doen, heeft een bepaalde functie. Met den kop neemt het dier voedsel op en neemt het zijn omgeving waar; het kan zich oriënteeren. Door middel van de organen, die aan het borststuk zitten, de pooten en de vleugels, kan het zich verplaatsen. In het achterlijf zijn opgeborgen de ademhalings- en spijsverteringsorganen; als deze organen werken blijft het dier in leven.

De indeeling van het lichaam berust dus op een verdeeling van arbeid; ieder deel heeft zijn eigen werk.

I. DE KOP.

Aan den kop treffen wij de volgende organen aan: 1o de sprieten, 2o de oogen, 3o de monddeelen.

DE SPRIETEN. Ieder insect heeft 2 sprieten. Vroeger noemde men die voelhorens, omdat men meende, dat de insecten hiermede zouden kunnen voelen. Het is wel mogelijk, dat de insecten er mede voelen kunnen, maar zeker is het, dat ze er mede ruiken. De sprieten zijn dus de neuzen. Als men in een rupsen- of vlinderhuis, waarin levende vlinders zijn, een schoteltje honing zet, komen oogenblikkelijk de sprieten in beweging, en gaan de vlinders op den honing af. Had men vooruit van enkele vlinders de sprieten afgeknipt, dan zou men bemerken, dat de sprietloozen niet naar den honing gingen, omdat zij dien nu niet ruiken kunnen.

Zoowel de larven als de volwassen dieren hebben sprieten; die van de larven zijn meestal klein, b.v. bij de rupsen. Zeer groote sprieten hebben de boktorren; soms zijn die eenige malen langer dan het lichaam. Hoe grooter de oogen zijn, hoe kleiner de sprieten; dat zien wij goed bij de glazenmakers. Het aantal vormen der sprieten is zeer groot; ze kunnen zijn: draad-, snoer-, haar-, en spoelvormig; ook: geknopt, gezaagd, gekamd, bladvormig. Meestal hebben de mannetjes grootere en meer ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.

DE OOGEN. De insecten bezitten twee soorten van oogen: enkelvoudige en samengestelde. Een rups heeft aan iedere zijde van den kop 6 enkelvoudige of kleine oogen; in ’t geheel dus 12. De samengestelde oogen vertoonen aan de buitenzijde een groot aantal zeshoekige vlakjes; soms eenige duizenden. De meeste volwassen insecten bezitten zoowel enkelvoudige als samengestelde oogen; de kevers evenwel hebben haast alleen slechts samengestelde oogen. Een groot aantal insecten is blind. Het zijn dieren, die in holen, onder steenen of in hout leven. Ook onder de mierengasten (31) komen blinden voor. Nog meer dan bij de volwassen insecten vinden wij blinden onder de larven, b.v. de vliegenmaden; de larven van bijen, mieren, wespen, sluipwespen en boktorren zijn ook blind. Zij worden geboren midden in haar voedsel en hebben dus geen oogen noodig; overal, waarheen zij zich wenden of keeren, vinden zij haar boterham. Oogen dienen vooral om voedsel op te zoeken. Verschillende blinde insecten zijn toch wel gevoelig voor licht.

DE MONDDEELEN. De mond is een zeer belangrijk orgaan omdat hiermede het voedsel wordt gegrepen en verkleind. Evenals bij de gewervelde dieren de tanden verschillen al naar het voedsel, dat het dier gebruikt: graseters, vruchteneters, vleescheters, vischeters, insecteneters, zoo staat de vorm der monddeelen van een insect ook in verband met het voedsel, dat het nuttigt. Van een insect geldt ook: „Laat mij je monddeelen zien, en ik zal zeggen wat je eet”.

De monddeelen kunnen we in de volgende groepen verdeelen:

één bovenlip

twee bovenkaken

twee onderkaken

één onderlip;

dus totaal 6 deelen. De bovenlip, die een soort luifel is, hoort er eigenlijk niet bij, maar gewoonlijk wordt zij er bij gerekend en daarom zullen wij het ook maar doen.

Aan de onderkaken en aan de onderlip zitten vaak nog allerlei aanhangsels, die men tasters noemt; hiermede schijnen de dieren het voedsel te inspecteeren voor zij het naar binnen werken. Het voedsel dat de insecten opnemen is vast of vloeibaar. Het vaste voedsel: bladeren, stengels, wortels, vleesch, moet worden fijngeknipt; de kaken werken dan als een schaar in horizontale richting, dus van links naar rechts. Op deze wijze eten de kevers. Men zegt dat ze kauwen. Is het voedsel vloeibaar, dan moet dit worden opgelikt of opgezogen. Zoo likken de bijen en hommels den honing uit de bloemen, dat gemakkelijk gaat omdat de honing aan de oppervlakte ligt. Ligt de honing evenwel zeer diep, dan wordt hij door een buis naar boven gezogen; die buis is dan gevormd door de twee onderkaken, die zeer in de lengte zijn uitgegroeid, en met de holle zijde aan elkaar sluiten. Die lange buis, die oprolbaar is, heet roltong. Bij een koolwitje kan men met een speld of dun sprietje deze roltong heel gemakkelijk afrollen en uittrekken.

Soms zit het vloeibare voedsel, dat de insecten zullen verorberen, nog achter weefsels verborgen, die dus doorboord moeten worden. Zulk voedsel is b.v. menschenbloed en plantenvocht. Als een steekmug ons bloed wil aftappen, geeft zij ons eerst een prik, zoo diep, dat zij bij het bloed is; dan zuigt zij het bloed op. Haar monddeelen zijn dus een soort zuigpomp die in ons lichaam wordt gezet. Daarom zijn de monddeelen van een steekmug zeer in de lengte uitgegroeid. Dat is ook het geval met de monddeelen van een bladluis. Die steekt haar snuit in den stengel of in het blad en zuigt dan zoo de sappen uit; stengel en blad worden leeggepompt, en als een blad nu aan één zijde met bladluizen is bezet, de onderzijde, dan begint het om te krullen; omgekrulde bladen wijzen op bladluizen of op mijten, die precies leven als de bladluizen.

De bovenkaken werken, zooals wij zagen, van links naar rechts en niet van boven naar beneden. Zij dienen:

1o om te kauwen en te bijten; men vindt die bij oorwormen, glazenmakers, sprinkhanen, kevers; wespen, bijen; een rups knipt de bladeren af.

2o om prooi te vangen; dat ziet men goed bij de roofinsecten (32).

3o als verdedigingsmiddel; dit is goed te zien bij de mannetjes van het vliegend hert (48); die groote geweivormige kaken zijn de bovenkaken en daarmede schijnen de mannetjes elkaar wel eens te lijf te gaan.

4o als steekwerktuigen bij de wantsen.

Soms zijn de bovenkaken geheel verdwenen of rudimentair; dat komt voor bij vlinders en de meeste tweevleugeligen.

De onderkaken dienen slechts zelden tot kauwen; meestal zijn die gewijzigd tot steek- en zuigorganen.

De onderlip heeft ook geen vasten vorm; soms is zij een grijporgaan geworden en dan weer doet zij dienst als een koker om de onder- en bovenkaken te bergen.

II. HET BORSTSTUK.

Aan het borststuk treffen wij de organen aan, waarmede de insecten zich kunnen verplaatsen: de pooten en de vleugels. Als wij een borststuk netjes uit elkaar halen, dan blijkt, dat het uit drie deelen bestaat: 1o ’t voor-, 2o ’t midden- en 3o ’t achterborststuk. Elk van deze deelen draagt één paar pooten, terwijl het midden- en achterborststuk ieder één paar vleugels dragen. Het voorborststuk draagt nooit vleugels. Bij de vliegen en muggen is het tweede paar vleugels gewijzigd en vinden wij daarvoor in de plaats de z.g. kolfjes.

DE VLEUGELS. De vleugels dienen om te vliegen. Bij de kevers zijn de voorste vleugels hard en dienen tot bescherming van de achtervleugels, die in rust onder de dekschilden liggen opgevouwen. De oorspronkelijke beteekenis der voorste vleugels is dus gewijzigd. Een kever vliegt alzoo alleen met zijn achtervleugels. Bij de vliegen en muggen zijn de achtervleugels zooals wij zagen gewijzigd tot kolfjes; daarmede kunnen zij niet vliegen, dat doen zij dus met de voorvleugels.

De voor- en achtervleugels zijn vaak verbonden, zooals dat voorkomt bij sommige avondvlinders en bijen en wespen; dat zijn daarom goede vliegers. Gewoonlijk verschillen de voor- en achtervleugels in vorm, teekening en grootte; bij vele libellen (77–79) zijn ze tamelijk wel gelijk.

Mannetjes en wijfjes zijn vaak te herkennen aan de vleugels. Het komt ook voor, dat de wijfjes de vleugels missen; dat vinden wij bij enkele wintervlinders (139), den witvlakvlinder (143), de glimwormen (43) en bij de schildluizen. Soms zijn van de vleugels nog kleine stompjes over. Er zijn ook gevallen, dat mannetjes en wijfjes de vleugels missen; dan kunnen ze vaak hard loopen of springen: de vloo en sommige sprinkhanen. Sommige blijvende parasieten missen ook in beide geslachten de vleugels; aan verplaatsing zouden zij ook weinig hebben; waar ze zijn, vinden ze voedsel genoeg, We denken aan de hoofdparasieten bij kinderen. Er zijn ook gevallen, dat gevleugelde en ongevleugelde geslachten elkaar opvolgen: bladluizen.

DE POOTEN. Het normale aantal pooten bij de volwassen insecten bedraagt 6; daarom heeten ze wel hexapoden of zespootigen. Spinnen hebben 8 pooten.

De larven hebben soms meer dan 6 pooten, b.v. de rupsen, die meestal nog 10 buikpooten er bij hebben; sommige bastaardrupsen hebben zelfs 16 buikpooten. De buikpooten en de eigenlijke of borstpooten verschillen in vorm.

Elke borstpoot bestaat uit 5 deelen: heup, dijring, dij, scheen en voet. In de dij zitten goede spieren. Aan het uiteinde van den voet zitten 1 of 2 klauwtjes; daartusschen zitten vaak nog hechtlapjes o.a. bij de vliegen. Door verlenging, verkorting, verbreeding, sterkere beharing van een of meer der 5 deelen waaruit een poot bestaat, ontstaan allerlei pootvormen, die aan de insecten speciale diensten kunnen bewijzen.

Daardoor kunnen wij onderscheiden:

1. looppooten; die hebben de meeste insecten,

2. roofpooten; bij de waterschorpioen,

3. graafpooten; bij de veenmol en de mestkevers,

4. springpooten: bij de sprinkhanen,

5. verzamelpooten; bij de bijen en hommels,

6. zwempooten; bij de waterkevers en de waterwantsen.

Soms zijn de voorpooten in meerdere of mindere mate verkommerd; dan spreekt men van poetspooten. Die komen voor bij de volgende vlinders: vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes. Larven zonder pooten noemt men maden (vliegen).

III. HET ACHTERLIJF.

Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart, legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen, waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier.

Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen. Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af; dat zweeten zij uit aan de buikzijde.

In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen:

1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en kevers. Hiertoe behooren ook de springers.

2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen.

3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen.

De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen, waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s (123).

[

Inhoud

]

b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.

Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten, treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal, ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen of naar buiten afscheiden.

SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten.

Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken. Gewoonlijk eten de larven het meest.

Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets; zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis wordt gereinigd.

ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen, tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf. Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door, doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de zijkanten van het achterlijf zien.

Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”.

Hoe halen nu de waterinsecten adem?

1o Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2 stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat doen meer larven.

2o Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door de huid heen plaats.

BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut. Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen.

ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring.

Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren. De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle inwendige organen.

DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders vertellen.

HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld; zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen.

In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk vertakte luchtbuizen.

Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het dier zelf is; na den dood lichten ze nog.

DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether, dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i. met stroop werken.

Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar.

Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht, het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100 mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben, waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen, heliotroop.

HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken. Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen wild door elkaar als op een viool d′ wordt aangestreken.

Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten. Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel. Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit, dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een kam strijken ontstaat ook geluid.

Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt.

Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw heeft; het zit vaak op een andere plaats.

Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje, Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de achtervleugels ontbreken.

Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom.

De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af.

De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen loktonen noodig hebben.

Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar kan men hen geluid zien en hooren maken.

Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje (50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar.

Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen: vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180 en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt.

DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop; als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters. Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam.

HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei manieren de buitenwereld kunnen waarnemen.

DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en lijmklieren, wasklieren.

VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje.

Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten.

GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen bezit eveneens scherpe eigenschappen.

SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis.

LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de lijmstof worden de eieren vastgehecht.

WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die van de blad- en schildluizen.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings