← Table of contents
Nederlandsche Insecten

VLINDERS (2).

Reading edition

No 121. Avondpauwoog. (Smerinthus ocellata). Evenals de andere pijlstaarten en avondvlinders leeren wij den avondpauwoog het best kennen door het opkweeken van de rupsen. Kunnen wij de dagvlinders nog met het net „scheppen”, met de avondvlinders gaat dat niet. Intusschen kan men ze wel eens op „de stroop” vangen. Doch mooie en ongeschonden exemplaren van de vlinders krijgt men als men ze opkweekt uit rupsen; bovendien leert men dan iets van hun leven. De rups van den avondpauwoog leeft vooral op wilgen en populieren; zij is blauwachtig groen, wit gestippeld, en heeft een witte streep aan de rugkanten; op zijde witte schuine strepen. Het hoorntje is blauw; de pop donkerbruin glanzig, met stekelige staartspits. De achtervleugels zijn rozenrood met een groote, blauw en zwart gerande donkere oogvlek; vandaar zijn naam. De rups is zeer algemeen en verpopt in den grond. Men zette in het rupsenhuis dus een kistje met aarde. De rups vinden we in Augustus en September; de vlinder komt uit de pop in Juni. Vlucht 75 tot 95 m.M. De rups is 8–9 c.M. lang.

No 122. Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De rups is afgebeeld op Plaat II. No 16 en wordt 8–9 c.M. lang. De vlinder is zeer mooi. Grauwgeel met rozenroode en groote donker-olijfgroene vlekken op den voorvleugel. De achtervleugels en onderzijde zijn rood. Sprieten zijn geheel wit. Vlucht 60–87 m.M. De vlinder vliegt in Juni en Juli.

No 123. Bijvormige Sesia. (Trochilium apiforme). Deze vlinders gelijken veel op wespen en deze sesia heeft veel gelijkenis met een groote wesp, de hoornaar, Vespa crabro. Die gelijkenis ontstaat door het grootendeels onbeschubd zijn der vleugels. De rups leeft in populierenstammen, dicht bij den grond, en overwintert daar 2 maal. Voor den tweeden winter spint zij een cocon van houtvezels; ’t volgende voorjaar verpopt zij. De vlinder komt overal voor en heeft een vlucht van 35 tot 50 m.M. Omdat de rups het ondereinde der boomstammen ondermijnt, waaien deze bij storm wel om.

No 124. Avondrood. (Deilephila elpenor). De hoofdkleuren zijn olijfgroen en rozenrood. De wortelhelft der achtervleugels is zwart. Het achterlijf is olijfgroen met roode ruglijn en zijden. Vlucht 55 tot 62 m.M. De rups vinden we van Juli tot September op fuchsia, galium, wilgenroosje, en wordt 7 tot 8 c.M. lang. Hoorntje kort, zwartbruin.

No 125. Beervlinder. (Arctia caja). De beerrups dankt haar naam aan de ruige beharing; zij wordt 5 tot 7 c.M. lang en leeft op allerlei lage planten; met brandnetel kunnen wij ze goed grootbrengen, ook met wilg en notebladeren. Ze schijnen in haar menu niet kieskeurig. Men vindt de rupsen zoowel in den nazomer als in ’t voorjaar. Dit komt omdat zij als rups overwinteren onder allerlei rommel op den grond. In Juni of Juli heeft de verpopping plaats in een los spinsel, waarbij wat verdorde bladeren worden getrokken. De vlinders zijn buitengewoon mooi. De voorvleugels zijn bruin, wit gemarmerd; achtervleugels en achterlijf menierood, blauwzwart gevlekt. Sprieten van het mannetje gebaard. Vlucht 55–70 m.M.

No 126. Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). De rups is afgebeeld op Plaat II No 19, en daar beschreven. De vlinder is onze grootste. Zijn vlucht loopt van 100 tot 134 m.M. Kop en borststuk zwart; op dit laatste de „doodshoofdteekening”. Voorvleugels zwartbruin, door haren en blauwwitte schubben blauwig. Achtervleugels helder okergeel met 2 zwarte banden. Achterlijf ook okergeel, met staalblauwe rugbaan en zwarte segmentgrenzen. Bij de wijfjes is het achterlijf dik en plomp. Deze vlinder heeft de gewoonte om bijenkorven binnen te gaan. Daar wordt hij door de bijen gedood en in de was (propolis) gezet.

No 127. Lindepijlstaart. (Smerinthus tiliae). De achterrand der voorvleugels is duidelijk gehakkeld. Kleuren niet standvastig. Voorvleugels wittig paars tot okerbruin, vaak groenachtig; in het midden een paar groene vlekken. In rust bedekken de voorvleugels wel de achtervleugels, doch niet het achterlijf. De rups is lichtgroen met 7 gele, van boven rood afgezette, schuine zijdestreepjes. Hoorn van voren blauw. Voor de verpopping, die in den grond geschiedt, verkleurt de rups. Pop is zwartbruin, dof, met een stekelige staartspits. Veel op linden, iepen, ook op berken en elzen. De rups wordt 8 tot 9 c.M. lang en is te vangen in Juli en Augustus. Pop overwintert in den grond. Vlucht 60–80 m.M.

No 128. Wilgenhoutrupsvlinder. (Cossus cossus). De rups is uitvoerig beschreven naar aanleiding van Plaat II. No 23. Wij verwijzen daarheen. De vlinder is een plomp dier, met een vlucht van 60 tot 90 m.M. Men kan hem vangen einde Mei en begin Juni, zittend tegen stammen van knotwilgen. Voorvleugels zilverachtig grijs, gemengd met bruingrijs en geteekend met zwarte dwarsstrepen; achtervleugels meer effen en donker. Achterlijf grijs, de ringen licht gerand. De rups is zeer algemeen en komt overal in wilgenhout voor.

No 129. Oleanderpijlstaart. (Deilephila nerii). Dit is een groote prachtvlinder. Donkergroen met witte, rozenroode, paarse en gele vlekken en strepen, zijn de voorvleugels; achtervleugels grijsachtig paars. Het achterlijf groenig met witte segmentranden. Een mooi dier, met een vlucht van 72 tot 112 m.M. De rups is zeer groot, van 12 tot 15 c.M. Het is jammer, dat deze rups weinig bij ons voorkomt. Als ze hier is, zijn de vlinders uit zuidelijker streken komen overvliegen. De rupsen leven op Oleander, een heester, die in kuipen wordt gekweekt. In zuidelijker streken komt de Oleander veel voor aan waterkanten en wordt daar zeer hoog. In den warmen zomer van 1911 bloeiden de Oleanders bij ons zeer mooi.

No 130. Dennenpijlstaart. (Smerinthus (Sphinx) pinastri). Rups en pop zijn afgebeeld op Plaat II. No 17. De vlinder heeft een vlucht van 75 tot 80 m.M. en is grijs van kleur; op het midden van elken voorvleugel drie overlangsche, zwarte streepjes. Achtervleugels donkerder dan de voorvleugels, effen donkergrijs. De vlinder is te vangen van Juni tot Augustus in dennenbosschen.

No 131. Windepijlstaart. (Sphinx convolvuli). Dit is onze grootste Sphinx met een vlucht van 95 tot 122 m.M. Kleur grijs, de voorvleugels lichter en donker geteekend; op de achtervleugels donkere dwarsbanden. De rups, die 12 tot 15 c.M. wordt, is geelbruin met donkere ruglijn; donker afgezette, driehoekige schuine strepen op de achterlijfsringen. Buik okergeel. Zij leeft op akkerwinde, dicht bij den grond. De pop is licht roodbruin en te herkennen aan de gebogen zuigerschede, die niet aan het lichaam aansluit. Soms komt deze rups in veel exemplaren voor.

No 132. Bloedvlekvlinder. (Zygaena trifolii). Op de voorvleugels zien we vijf roode vlekken; vandaar den naam. Op de achtervleugels een breeden zwarten zoom. Vlucht 30 tot 36 m.M. Rupsen geelgroen, zwart gevlekt. Pop groenzwart in een geel, perkamentachtig, spoelvormig spinsel, tegen een stengel. De rups eet vooral rolklaver en komt op drassige weiden veel voor.

PLAAT XI.

VLINDERS (b)

121Avondpauwoog. Smerinthus ocellata. 122Wolfsmelkvlinder. Deilephila euphorbiae 123Bijvormige Sesia. Trochilium apiforme. 124Avondrood. Deilephila elpenor.

121
121
122
122
123
123
124
124

125Beervlinder. Arctia caja. 126Doodshoofdvlinder. Acherontia atropos. 127Lindepijlstaart. Smerinthus tiliae. 128Wilgenhoutrupsvlinder. Cossus cossus.

125
125
126
126
127
127
128
128

129Oleanderpijlstaart. Deilephila nerii. 130Dennenpijlstaart. Smerinthus pinastri. 131Windepijlstaart. Sphinx convolvuli. 132Bloedvlekvlinder. Zygaena trifolii.

129
129
130
130
131
131
132
132

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings