← Table of contents
Nederlandsche Insecten

KEVERS (3)

Reading edition

No 49. Mierkever. (Clerus formicarius). Deze aardige kever, die 7 tot 10 m.M. lang wordt, heeft zijn naam te danken aan zijn mier-achtig voorkomen. Men kan hem vaak aantreffen op boomstammen. De larven zijn rozerood en leven in de gangen van bastkevers, vermoedelijk verslinden zij deze. De kop van den kever is zwart, het halsschild rood en de schilden zwart, die evenwel aan den wortel rood zijn. Over de schilden loopen 2 witte, kortbehaarde dwarsbanden. Het achterlijf is weer rood en de pooten zijn zwart. Het is een mooi diertje, dat we niet gaarne in onze verzameling missen. De kever is nuttig doordat hij jacht maakt op den dennenscheerder en diens larve.

No 50. Doodskloppertje. (Anobium striatum, A. domesticum). Dit kleine kevertje, dat niet grooter wordt dan 2½ tot 4¾ m.M. is de schrik van de huismoeders, want zijn larve is de gevreesde houtworm, die onze meubels aantast en ten slotte geheel ondermijnt. De kevertjes leggen op onze meubels een 40 à 50 eitjes; de larfjes, die hieruit komen, vreten zich direct naar binnen, en beginnen aan het hout te knagen. Zij graven gangen, en als zij volwassen zijn verpoppen ze; de kevers, die uit de poppen komen maken grootere gaatjes en komen dan naar buiten; het zaagsel valt dan op den grond. Als wij dus gaatjes in onze meubels zien, is dit een bewijs, dat de kevertjes er uit zijn. Wil men de kevertjes bestrijden, dan moet men hen trachten te vangen. Ze komen van Mei tot Juni voor. Een ander middel is, in die maanden de meubels elken dag met was te wrijven; dan drukt men de eitjes dood. Met petroleum of benzine in de gaatjes spuiten geeft niet veel, want de oude kevers zijn er al uit. Intusschen kan het geen kwaad, want dan trekt de olie in ’t hout en petroleum is doodend voor alle insecten. Laat het hout het toe, dan kan men het sterk verwarmen en dan gaan de larven ook dood. De kevers hebben de gewoonte elkaar door tikken tegen ’t hout te lokken. Hoort men dit tikken in den nacht, dan heeft dit iets geheimzinnigs, en bijgeloovige menschen hooren hierin een „doodstijding”. Het spreekt vanzelf, dat deze kevertjes geen opdracht hebben zulke tijdingen over te brengen. In de vrije natuur leven deze diertjes in allerlei hout. De larven hebben 6 pooten en zijn blind. Een andere soort, Anobium paniceum, is een echte cosmopoliet, en leeft in magazijnen en schepen in allerlei droge stoffen en eetwaren, scheepsbeschuit, enz.

No 51. Zwartlijf. (Blaps mucronata). Bijgeloovige menschen hebben aan dezen kever den naam gegeven van „doodentor”; hij zou als bode van den dood dienst doen. Deze functie heeft hij dan zeker te danken aan zijn zwart uiterlijk en zijn nachtelijke leefwijze. Hij vertoeft op donkere, vochtige plaatsen, in stallen, kelders, schuren, enz., en eet daar beschimmelde planten- en dierenresten. Raakt men hem aan, dan scheidt hij een vocht uit aan het achterlijf. De kevers worden 19½ tot 23 m.M. lang.

No 52. Meeltor. (Tenebrio molitor). Iedereen, die wel eens insectenetende vogels heeft gehouden, weet wat „meelwormen” zijn; men kan ze koopen bij den handelaar in vogelvoeder. Deze meelwormen nu zijn de larven van den meeltor. De handelaar kweekt ze op, maar wij kunnen het ook wel. Men koopt wat meelwormen, een twintig, en doet die in een leeg jampotje en doet er wat droog hard brood bij. En nu zet men het maar ergens neer. De meelwormen ziet men vervellen en ten slotte ook verpoppen. Die poppen liggen dan maar zoo tusschen het brood in. Eindelijk komen uit de poppen de kevers, en dat zijn de meeltorren. Laat men die torren in het potje, dan gaan ze eieren leggen en komen er weer nieuwe meelwormen, en zoo gaat dat maar door, als men ten minste zorgt, dat ze voer hebben. Veel hebben ze niet noodig. De geheele ontwikkeling van ei tot imago duurt 2 jaar, soms korter. Wij kunnen ieder aanraden eens zoo’n kweekerijtje van meelwormen te beginnen; ’t is zeer eenvoudig en men leert de ontwikkeling kennen.

Komen de meelwormen in molens en bakkerijen voor, dan zijn ze natuurlijk zeer schadelijk. In de vrije natuur vindt men de larven wel in boommolm en in doode vogels. De kever is donkerbruin tot zwart en wordt 14 tot 16 m.M. lang.

No 53. Oliekever of Meiworm. (Meloë proscarabaeus). Deze kever en ook de volgende, behooren tot de „blaartrekkers”. Zij bevatten scherpe vochten, die een blaartrekkend vermogen hebben. Gewoonlijk noemt men dezen kever oliekever, omdat hij bij aanraking een geel, dik vocht kwijt raakt; dit vocht is scherp en tast onze huid een weinig aan. Dit vocht is bloed. Deze kever heeft een merkwaardige gedaanteverwisseling. Wij kunnen daarop niet verder ingaan, omdat de meeste lezers er toch nooit iets van zullen bemerken, doch wij willen er wel iets van zeggen. De kever legt de eieren in den grond, en de larven, die hieruit komen, kruipen tegen bloemstengels op en dan de bloemen in. Komen nu bepaalde bijensoorten deze bloemen bezoeken, dan hechten de larven zich aan deze bloemenbezoeksters, en trekken met haar mede naar het nest. Hier eten ze eieren op en verder het voedsel, dat voor de bijenlarven was neergelegd. Zijn ze hiermede klaar, dan nemen deze larven een andere gedaante aan, worden ook poppen en ten slotte kevers. Het is een ontwikkeling vol gevaren, zoodat velen omkomen. Dit is geen bezwaar, want de oliekever legt 4000 eitjes, dus kan er eentje mislukken. Men kan de oliekevers al vroeg in ’t jaar vinden, in April en Mei; daarom heeten ze ook wel Meiwormen. De kever schijnt gaarne bladeren van de boterbloem te eten.

No 54. Spaansche Vlieg. (Lytta vesicatoria). Deze vlieg is geen vlieg, maar een kever. Hij behoort tot de blaartrekkers en wordt wel in de geneeskunde gebruikt. Het werkzame deel heet cantharidine en de stof zelve cantharis; het zit in het bloed en in klieren. De kever is goudgroen, smaragdgroen, blauwgroen, of roodkoperkleurig-goudglanzig. De dekschilden fijn en dicht rimpelig bestippeld. Lengte 10–19 m.M. Hij komt in het oosten van ons land veel voor op bloeiende ligusters, en is in Juni bij zonneschijn op die planten wel te vangen. In het zuiden van Frankrijk wordt hij in het groot verzameld tot vervaardiging van de Spaanschevlieg-pleister, want het blaartrekkend vermogen is van dezen kever zeer groot.

No 55. Paalkever. (Nacerda melanura). Deze kever heeft een zeer ongunstige reputatie, want zijn larven tasten de palen aan van de zeeweringen, o.a. in Zeeland. Zij doorkruisen het hout in alle richtingen. De larve leeft evenwel in dat gedeelte van het hout, dat altijd droog blijft. Onze zeeweringen worden door 4 verschillende dieren aangevallen. Vooreerst door genoemden paalkever, maar die blijft altijd in ’t droge hout. De boorpissebed (Limnoria terebrans) en de borende vlookreeft (Chelura terebrans), twee schaaldieren, leven in hout, dat bij eb droog loopt. De paalworm (Teredo navalis), een weekdier, vernielt het hout dat altijd onder water staat.

De lengte van den paalkever bedraagt 8–12 m.M. Deze kever komt ook wel in balken in huizen voor. In Juli en Augustus kan men hem wel vangen op schermbloemen.

No 56. Groote Dennensnuittor. (Curculio (Hylobius) abietis). Dit is een groote snuittor en ze wordt 8 tot 14 m.M. lang. De kever is pekkleurig bruin of zwart, korrelig ruw en heeft op elk schild tien langsstrepen. De gele haartjes op de dekschilden geven hieraan eenige teekening. De kever is een der gevaarlijkste vijanden van de dennenbosschen. De larve is niet gevaarlijk, want die wordt meestal aangetroffen in oude stompen; tusschen hout en bast heeft de kever daar eieren gelegd. De kever boort in jonge, eenjarige dennen en takken en trekt lappen van de schors, wat gevolgd wordt door een sterke harsafscheiding. Uit deze leefwijze volgt al dadelijk, dat men een geveld bosch niet direct moet inzaaien of inpoten. De kever verschijnt midden Mei, ook wel iets vroeger.

Ter voorkoming van deze keverplaag worden dennenbosschen wel omgeven door een mantel van loofboomen. Berken b.v. willen nog wel naast dennen groeien. Verder worden wel vanggreppels aangelegd, waaruit men de kevers een paar maal per dag laat opzoeken. De kevers worden wel gelokt door op bepaalde plaatsen bundeltjes van dennentakjes neer te leggen; dat doet men dan van half April tot half Juni. Hoe sterker de harslucht is des te beter is de vangst. Ook worden wel stukken versche schors neer gelegd. Ten slotte legt men kunstmatige broedplaatsen aan door oude stompen te laten zitten tot den zomer en ze dan uit den grond te halen. Dan zitten de eitjes er in of de larven. Hoe schadelijk deze kever ook is, het dier zelf is een zeer mooie snuittor.—

No 57. Spitsmuisje. (Apion apricans). Dit is een klein snuittorretje, dat maar 2⅓ tot 2½ m.M. lang wordt en het behoort tot een uitgebreid geslacht, waarvan wel 68 soorten bij ons voorkomen. De dekschilden zijn eenigszins langwerpig-eirond en zwart. Pooten roodgeel of geel. Het wijfje overwintert en legt de eieren in de bloemhoofdjes van klaver; daar tusschen leven ook de larven. Dit kevertje is zeer algemeen.

No 58. Appelbloesemkever. (Anthonomus pomorum). Dit snuitkevertje kost ons jaarlijks heel wat appels en soms ook peren. Het is maar 3½ m.M. lang, de snuit niet mede gerekend; ’t is op de rugzijde bruin, aan kop en buikzijde zwartachtig grijs behaard. Op de schilden ziet men één of twee V-vormige figuren. In April begint het wijfje haar verwoesting. Zij boort, of juister, zij bijt een gat door de knoppen, en schuift dan een eitje naar binnen. Na 8 dagen komt uit dit eitje de larve, die de meeldraden en stampers opeet. Natuurlijk komt er van de bloem dan niets meer terecht; de kroonbladeren verschrompelen en het lijkt wel of de bloemen bevroren zijn. Spoedig verpopt de larve en al heel gauw is de nieuwe kever er. Deze verlaat de verschrompelde bloem en zwerft dan den zomer rond, om zich al in Augustus op te bergen tot het volgende voorjaar. Soms worden haast alle bloemen verwoest en geeft zoo’n boom niet één vrucht. Wat is hiertegen nu te doen? Men kan in het vroege voorjaar onder de vruchtboomen een laken leggen en dan de boomen afkloppen; de kevers komen dan omlaag. Men moet dit doen vroeg in den ochtend. Verder kan men in Juli om de stammen boombanden aanleggen. Men neemt wat houtwol en bindt daarover een papierband. Hieronder kruipen de kevers weg. Men maakt deze banden in November los en verbrandt ze. Dan is men de kevers tegelijk kwijt.

No 59. Wilgensnuitkever. (Cryptorhynchus lapathi). Deze kever is goed herkenbaar. Het dier is zwart; op de bovenzijde dicht, hier en daar dakpansgewijze, bedekt met gedeeltelijk lichte, gedeeltelijk zwarte, duidelijke schubjes. Sprieten roestkleurig. De snuit kan in een sleuf tusschen de pooten tegen het lichaam worden aangedrukt. Men vindt dezen kever, die 7 tot 9 m.M. lang is, van Juni tot September op wilgen, berken, elzen en populieren. Het wijfje legt haar eieren aan jonge scheuten; de larven vreten zich daarin. Zoo’n larvegang wordt geregeld wijder, omdat de bewoonster groeit. Eigenaardig is het, dat behalve de „vreetgang” nog een „luchtgang” aanwezig is. Die mondt hooger dan de opening waardoor de larve naar binnen ging. Wordt de kever verontrust, dan trekt hij snuit en pooten in, en valt daardoor minder op. De kever komt overal voor.

No 60. Erwtenkever. (Bruchus pisi). Deze kever, die 4–4½ m.M. lang wordt is gevaarlijk voor de erwtenteelt. Het wijfje legt de eieren in de jonge peulen; de larve werkt zich in een erwt en vreet de zaadlobben uit; de kiem laten ze zitten. Heeft de larve aan één erwt niet voldoende, dan verhuist ze naar een tweede. In de erwt verpopt de larve en ook de kever komt daarin tot ontwikkeling, doch die komt er vooreerst niet uit. Zaait de boer in ’t voorjaar deze erwten weer uit, dan kruipen de kevers op den akker uit de zaden en beginnen later hun verwoestingen. Zoo bevordert de boer dan zijn eigen schade. Tegen den erwtenkever kan men de volgende bestrijdingsmiddelen toepassen.

1o Láát zaaien; dan komen de kevers vóór het zaaien al uit de zaden.

2o Men werpt de erwten in het water. Veel aangetaste drijven en men schept die af.

3o Als men de erwten gedurende 4 à 5 minuten verhit tot 50° à 55° C., dan gaan de kevers dood en de gezonde erwten behouden haar kiemkracht.

4o Men doet de erwten in een doofpot, die gesloten kan worden. Vervolgens giet men over de erwten zwavelkoolstof en laat de dampen 10 minuten inwerken. Alle kevers zijn dan dood. Voor 1 H.L. erwten heeft men ½ deci L. zwavelkoolstof noodig. We merken nog even op, dat zwavelkoolstof een vergift is en de dampen zeer brandbaar zijn. Men blijve dus met vuur uit de buurt.

PLAAT V.

KEVERS (c)

49Mierkever. Clerus formicarius. 50Doodskloppertje. Anobium striatum (domesticum). 51Zwartlijf. Blaps mucronata (obtusa). 52Meeltor. Tenebrio molitor.

49
49
50
50
51
51
52
52

53Oliekever of Meiworm. Meloë proscarabaeus. 54Spaansche Vlieg. Lytta vesicatoria. 55Paalkever. Nacerda melanura. 56Groote Dennensnuittor. Curculio (Hylobius) abietis.

53
53
54
54
55
55
56
56

57Spitsmuisje. Apion apricans (nec.) 58Appelbloesemkever. Anthonomus pomorum. 59Wilgensnuitkever. Cryptorhynchus lapathi. 60Erwtenkever. Bruchus pisi.

57
57
58
58
59
59
60
60

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings