← Table of contents
Nederlandsche Insecten

VLINDERS (1).

Reading edition

Bij de beschrijving van Plaat II hebben we uitvoerig gesproken over de rupsen en de poppen. We mogen dus hiernaar verwijzen en zullen thans nog alleen iets vertellen over de vlinders. Zij vormen een groote, goed herkenbare groep, die trots de verscheidenheid in kleur en grootte, toch min of meer eentonig is. In het leven der vlinders zit niet veel actie. Roofdieren hebben wij er niet onder; het zijn allen—voor zooverre zij eten—honing- en boomsapsnoepers. Er is maar één geslacht dat stuifmeel eet: Eriocephala. Veel behendigheid om den honing te bemachtigen behoeven zij niet aan den dag te leggen; ze gaan op een bloem zitten en halen hem er uit.

Intusschen hebben de vlinders van af de vroegste tijden de aandacht van den mensch getrokken, en wel voornamelijk door hun inderdaad schitterende kleuren en vleugelteekeningen, die dan ook ongekend mooi en interessant zijn. De vlinderpracht neemt toe naarmate we meer de tropen naderen; ook de grootte. Dit neemt niet weg, dat we ook bij ons prachtige soorten hebben.

Het aantal inlandsche vlindersoorten bedraagt 1713; hiervan behooren 764 tot de grootere en 949 tot de kleinere soorten. Het aantal dagvlinders is betrekkelijk gering, slechts 79, dus 4,6% van het totale aantal. Laten we nu iets in ’t algemeen over de vlinders zeggen.

[

Inhoud

]

1. De kop.

De sprieten zijn zeer belangrijke organen. Vooral bij de schemer- en avondvlinders treffen wij allerlei vormen aan. Meestal hebben de mannetjes sterker ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.

De oogen zijn meestal groot; er komen ook nog stippeloogen voor, soms ontbreken ze.

De roltong of zuiger. Dit is het belangrijkste orgaan met het oog op de voeding, en wordt gevormd door de twee zeer in de lengte uitgegroeide onderkaken, die aan de binnenzijde zijn uitgehold. Sluiten zij nu tegen elkaar aan, dat door z.g. sluitkaken geschiedt, dan vormen zij een buis of kanaal, waardoor vloeistoffen kunnen worden opgezogen. Wordt de roltong niet gebruikt, dan is zij opgerold. Een zeer lange roltong hebben pijlstaarten; ook het koolwitje heeft een flinke. Aan den top van den zuiger zitten nog allerlei papillen, tastorganen, waarmede de vlinder het voedsel kan inspecteeren.

[

Inhoud

]

2. Het borststuk.

Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd, waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk lichaamsdeel.

De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden.

De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar, afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij „fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen, strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz., aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in geen enkele andere insectengroep aantreffen.

[

Inhoud

]

3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt.

Leefwijze.

De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig.

Vliegtijd.

Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie; telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten.

Levensduur.

Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen. Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel gebruiken.

Generaties.

Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v. pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het koolwitje.

Verspreiding der vlinders.

De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen (zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer.

[

Inhoud

]

INDEELING.

Een eenvoudige en voor ons doel bruikbare indeeling is de volgende; in wetenschappelijke werken volgt men een veel meer uitgewerkt systeem. De vlinders worden ingedeeld in 2 hoofdgroepen:

I. Dagvlinders. II. Nachtvlinders.

Tot de dagvlinders behooren:

1. Nymphaliden: Vanessa’s en Parelmoervlinders.

2. Satyriden: Zandoogjes.

3. Pieriden: Witjes.

4. Papilioniden: Koninginnepage.

5. Lycaeniden: Blauwtjes.

6. Hesperiden: Dikkopjes.

1 en 2 hebben poetspooten, de anderen niet.

Tot de nachtvlinders behooren:

1. Sphingiden of pijlstaarten; ze bezitten een vleugelhaakje; de sprieten zijn in het midden verdikt; goede vliegers.

2. Bombyciden of spinners; geen vleugelhaakje, slechte vliegers. Verschil tusschen mannetjes en wijfjes in de sprieten.

3. Lipariden met vleugelhaakjes.

4. Noctuiden of uilen; met draadvormige sprieten.

5. Geometriden of spanvlinders; die hebben vleugels als de dagvlinders.

6. Microlepidopteren of motvlinders. Deze worden weer verdeeld in bladrollers en motten; deze laatste hebben smalle vleugels met franje.

[

Inhoud

]

Dagvlinders.

No 109. Citroentje. (Gonepteryx (Rhodocera) rhamni). Het mannetje is citroengeel, van onder bleek; het wijfje groenachtig wit. Op elken vleugel een oranje-stip, die van onder bruin is. Vlucht 49 tot 58 m.M. De mooie vlinders vliegen tweemaal in ’t jaar; in ’t voorjaar en van Juli tot het najaar. In Juli verschijnen de eerste van de nieuwe generatie en deze blijven den geheelen zomer en verschuilen zich dan gedurende den winter. Zij overwinteren dus als vlinder. In ’t voorjaar worden de eieren gelegd op den vuilboom en kruisdoorn. De rups is dof groen met een witten zijlijn. Komt in ’t geheele land voor. Geen poetspooten. Eén generatie.

No 110. Koninginnepage. (Papilio machaon). Rups en pop zijn afgebeeld op Plaat II. No 14. Onze prachtigste vlinder, daarop doelt ook zijn naam. Grondkleur geel; verder met zwarte aderen, vlekken en banden. Een in het midden blauwachtige band op de achtervleugels, die in een oranjebruine oogvlek op den staarthoek eindigt. Twee generaties, in ’t voor- en najaar; de pop overwintert. In ’t oosten en zuiden van ons land. Vlucht 62 tot 88 m.M. Geen poetspooten.

No 111. Koolwitje. (Pieris brassicae). Voor de beschrijving verwijzen wij naar het eerste hoofdstuk: „De Geschiedenis van het Koolwitje”.

No 112. Kleine Vos. (Vanessa urticae). De rups leeft gezellig in troepjes op den brandnetel. Ze zijn te vinden in ’t laatst van Mei en begin Juni. Ook later nog, doch dat is dan de tweede generatie in Augustus. De pop hangt aan de bladeren. Ze zijn gemakkelijk in huis op te kweeken. Rups donker met groen en gele langslijnen. Op den voorvleugel verstrooide zwarte vlekken en één witte. Donkere achterranden met blauwe vlekjes. Grondkleur oranje met geel. Vlucht 38 tot 49 m.M. Zeer algemeen. Komt op mooie dagen in Februari al uit zijn schuilhoek.

No 113. Parelmoervlinder. (Argynnis paphia). De vleugels van de parelmoervlinders zijn helder roodgeel met zwarte vlekken of teekening. Onderzijde der vleugels met parelmoervlekken; de afgebeelde soort heeft 3 parelmoerstrepen. Vlucht 57–69 m.M. De rups leeft op viooltjes.

No 114. Groote Vos. (Vanessa polychloros). De rups leeft op allerlei boomen, ook wel op vruchtboomen, en wordt in Juni en Juli daarop aangetroffen. In Juli en Augustus vliegt dan de vlinder, die, zijn naam zegt het reeds, veel gelijkt op den kleinen vos. Dof oranjebruin, met geel gemengd: verstrooide zwarte vlekken op de vóór-, en één dergelijke vlek op de achtervleugels. Onderzijde geel van grondkleur, geheel donkerbruin gewaterd. Vlucht van 48 tot 60 m.M. Overwintert als vlinder. Wordt soms op peren wel eens schadelijk.

No 115. Dagpauwoog. (Vanessa Io). De rups en pop zijn afgebeeld op Plaat II No 15. De vlinder is paarsachtig roodbruin; op elken vleugel een groote oogvlek, vandaar zijn naam. De onderzijde is geheel donkerbruin, zwart gewaterd. Hij vliegt vooral in Augustus en September; in tuinen zit hij dan, evenals alle Vanessa’s, gaarne op dahlia’s, zonnebloemen en andere composieten. Vlucht 52 tot 60 m.M. Hij overwintert als vlinder en komt weer vroeg voor den dag in het voorjaar. Op heldere dagen vliegt hij al in Februari en Maart.

No 116. Koningsmantel. (Vanessa antiopa). Dit is een heel prachtige vlinder; zijn naam wijst er op. De bovenzijde is koffie- of kersbruin met gelen rand, en daarvoor paarse vlekken. De onderzijde is nog zwarter dan bij Vanessa Io, met een meer witten rand tegenover den gelen van de bovenzijde. Vlucht 58 tot 71 m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert en komt in ’t voorjaar weer voor den dag en legt eieren op wilgen, berken en populieren. De rups is zwart met roode rugvlekken en witte haartjes. Vliegt wel overal en is toch zeldzaam.

No 117. Nummervlinder. (Vanessa (Pyrameis) atalanta). Deze vlinder is een mooie verschijning op de bloemen. Van boven is hij zwart met een helrooden schuinen band over de voorvleugels; zoo’n band zien we ook aan den rand van de achtervleugels. Witte vlekken aan de bovenpunt der voorvleugels. De onderzijde der achtervleugels is zeer woelig geteekend; men ziet er het getal 18, 98 of 89 op. Hieraan dankt hij zijn naam; hij heet ook wel schoenlapper of admiraal. Vlucht 52 tot 56 m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert, en komt in ’t voorjaar weer voor den dag. De rups leeft op brandnetel, is evenwel niet gemakkelijk te zien, want zij zit in saamgesponnen bladeren. Maar heeft men er eenmaal een paar gevonden, dan herkent men de rupsenverblijven gauw. Soms zitten er in de samengesponnen bladeren spinnen of bladrollers. De poppen zijn met goud afgezet. Als het een mooi najaar is vliegen de vlinders tot in ’t laatst van October, ja tot in November. Het zijn prachtige rupsen om op te kweeken. Zij komen overal voor.

No 118. Groote Weerschijnvlinder. (Apatura iris). Eveneens een prachtige, groote vlinder met een vlucht van 64 tot 75 m.M. Van boven bruinzwart, bij het mannetje met helder blauwen weerschijn. Op de voorvleugels witte vlekken en op de achtervleugels een witten band. De rups is groen met witte puntjes en gele lijnen en leeft op waterwilg. De vlinder vliegt in Juli en wordt in het oosten en zuiden van ons land waargenomen.

No 119. Het Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. (Chrysophanus (Polyommatus) virgaureae). Bij deze kleine vlindertjes,—de vlucht is van 31 tot 33 m.M.—die ook wel vuurvlindertjes heeten, nemen wij een zeer duidelijk dimorphisme in de vleugels waar. De bovenzijde van de vleugels van het mannetje is roodachtig goud zonder weerschijn, bij het wijfje goudgeel met 2 rijen zwarte vlekken op de voor- en 3 rijen op de achtervleugels. De rups is groen met gele rug- en zijlijn; kop zwart. Zij leeft op zuring en komt vooral op droge gronden voor. Het vlindertje vliegt in Juli en Augustus.

No 120. Het Blauwtje. Mannetje en wijfje. (Lycaena icarus). Ook bij deze vlindertjes zien wij een duidelijk dimorphisme. Het mannetje is boven geheel licht paarsachtig hemelsblauw en het wijfje is donker zwartbruin. De onderzijde van de vleugels van het mannetje is lichtgrijs, bij het wijfje meer donker en bruinachtig grijs met vele vlekken. Vlucht 27 tot 32 m.M.; 2 of 3 generaties per jaar. Op heide, bloemrijke weiden. De rups leeft op vlinderbloemigen en is dofgroen. Deze vlindertjes zijn een aangename verschijning en laten zich gemakkelijk uit rupsen opkweeken. Dan leert men tegelijk de aardige poppen kennen.

PLAAT X.

DAG-VLINDERS (a)

109Citroentje. Gonepteryx (Rhodocera) rhamni. 110Koninginnepage. Papilio machaon. 111Koolwitje. Pieris brassicae. 112Kleine Vos. Vanessa urticae.

109
109
110
110
111
111
112
112

113Parelmoervlinder. Argynnis paphia. 114Groote Vos. Vanessa polychloros. 115Dagpauwoog. Vanessa io. 116Koningsmantel. Vanessa antiopa.

113
113
114
114
115
115
116
116

117Nummervlinder. Vanessa (Pyrameis) atalanta. 118Groote Weerschijnvlinder. Apatura iris. 119Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. Chrysophanus (Polyommatus) virgaureae. 120Blauwtje. Mannetje en wijfje. Lycaena icarus.

117
117
118
118
119
119
120
120

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings