RUPSEN EN POPPEN.
Reading edition
Rupsen zijn ook larven; daarom vormen Plaat I en II één geheel. Zagen we op de eerste plaat larven van verschillende insectengroepen, de rupsen vormen daarentegen maar één groep. Rupsen groeien uit tot vlinders. Voor ze overgaan tot vlinders maken ze allen een poptoestand door; daarom zegt men dat haar gedaanteverwisseling volkomen is. Rupsen en vlinders vormen een zeer aantrekkelijke orde van de insecten: de rupsen, omdat ze gemakkelijk te vangen zijn en de vlinders, omdat vele zoo prachtig geteekend zijn. Laten we nu een en ander van de rupsen gaan vertellen.
Lichaamsbouw. Een rups bestaat uit een kop, 3 borst- en 9 achterlijfsringen. De kop heeft een harde huid en is door een gegaffelde lijn in twee helften verdeeld; daartusschen ligt het driehoekige kopschild. Aan dit schild zit de beweegbare, platte bovenlip. De verdere monddeelen zitten daaronder: 2 bovenkaken, 2 onderkaken en de onderlip. De bovenkaken zijn sterk en daarmede wordt het voedsel afgeknipt; ze werken dus als een schaar. Men zegt wel eens, dat een rups knaagt, doch dat is onjuist. Aan de onderkaken en onderlip zitten de tasters; daarmede schijnt de rups haar voedsel te inspecteeren, voor zij het naar binnenwerkt. Op de onderlip zijn een paar tepeltjes of wratjes, waarin de twee spinklieren uitmonden. De spinseldraad, waarvan de cocons worden gesponnen, komt dus hier uit. Bij de spinnen zitten de spinklieren aan het achterlijf. Als een rups aan een draad naar beneden komt, is de kop boven; een spin komt met den kop naar omlaag.
Op de genoemde kophelften staan de oogen en de sprieten. Aan iedere zijde staan 6 puntoogen; de sprieten zijn 3-ledig.
Het lichaam van de rupsen is week; men drukt ze gauw dood. De huid is vaak bezet met allerlei wratjes en haren. Soms zijn die haren zeer lang, zooals bij de beerrups. Die haren en wratjes geven teekening aan het dier. Van sommige rupsen zijn de haren gevaarlijk, o.a. van de processierups.
Verschillende rupsen bezitten uitstulpbare organen, die vermoedelijk òf alleen dienen om zich vijanden van ’t lijf te houden òf bepaalde stoffen uitscheiden, die prikkelend of doodend op de aanvallers werken. De Papilio-rupsen (14) bezitten een uitstulpbaar orgaan aan het voorborststuk, dat een doordringende lucht afgeeft. Bij de rups van den Hermelijnvlinder (144) zien wij, als het dier verontrust wordt, twee roode draden uit het einde van het achterlijf komen; tegelijk scheiden zij dan uit een klier aan de onderzijde van het voorborststuk een straal vocht af, dat veel mierenzuur bevat. Op de huid komen nog allerlei doorns en uitsteeksels voor; de pijlstaartrupsen vertoonen zoo’n uitsteeksel; het hoorntje kan door een spiertje bewogen worden.
De pooten van een rups zijn in 2 groepen in te deelen: borstpooten en buikpooten. De 6 borstpooten zijn geleed; de buikpooten niet en min of meer cylindrisch. Men noemt de buikpooten ook wel valsche pooten, omdat ze bij de verpopping geheel verdwijnen. Het normale aantal buikpooten bedraagt 10. Natuurlijk komen hierop weer uitzonderingen voor; die vinden wij in de geheele levende natuur. Spanrupsen hebben maar 2 paar buikpooten, op het 6e en 9e segment. De Eriocephala-rups heeft 8 paar buikpooten en Micropteryx, die in bladeren leeft, heeft in ’t geheel geen pooten. De ademhalingsopeningen zijn bij de rupsen goed te zien; aan elke zijde zitten er 9; 1 op het voorborststuk en 8 op het achterlijf.
Het vervellen. Evenals andere larven vervellen de rupsen gedurende haar groei; ze doen dat drie of meermalen. Als een zeer harige rups vervelt, dan zitten op de nieuwe huid ook al weer haren, doch die zijn eerst nog wat nat en zitten tegen de huid; zijn ze opgedroogd, dan staan ze rechtop. Bij het opkweeken van insecten vinden wij natuurlijk geregeld afgestroopte huidjes in het rupsenhuis. Voor de vervelling begint, zit de rups eenigen tijd stil en gebruikt dan geen voedsel.
Voedsel. De meeste rupsen zijn planteneters. Sommige houden zich strikt aan één soort voedsel, b.v. de brandnetelrupsen; men noemt ze monophaag. Andere hebben een rijker menu, b.v. beerrupsen; die eten allerlei lage planten, riet en wilgen; men noemt ze polyphaag. De levenskans voor de polyphagen is dus veel gunstiger; ze vinden haast overal wat. Intusschen sterven de monophagen ook niet uit.
Er zijn ook verschillende gevallen bekend, dat rupsen zich zeer goed ontwikkelen bij een gewijzigd menu.
Onder de rupsen zijn ook vleescheters, carnivoren. Rupsen van Erastria peuzelen schildluizen op, die van Calymnia trapezina worden de „hyena’s” genoemd, en verslinden o.a. spanrupsen.
De rups van de wasmot eet in bijenkorven was van de raten, en de rupsjes van de kleeren- en tapijtmot eten de wollen haren in kleeren en tapijten. Die leven dus van afval.
Meestal leven de rupsen op de planten; er zijn er ook die in de stengels en bladeren leven; sommige maken gallen. Een paar rupsen leven in ’t water.
Nut en schade. Het aantal voor den mensch nuttige rupsen is al zeer gering. Allereerst zijn nuttig de zijderupsen. Behalve de gewone zijderups zijn er nog andere rupsen, wier cocon voor zijdewinning wordt gebruikt. Verder zijn de moordrupsen of hyena’s, die andere rupsen verslinden, ook nuttig, evenals de bovengenoemde schildluisverslinders. Maar de rest zijn planteneters, en die onze kultuurplanten aanvallen zijn natuurlijk schadelijk als zij in groote massa optreden. Vele rupsen leven evenwel op wilde planten en daartegenover staat de gewone mensch onverschillig. Wij daarentegen, vinden onder deze rupsen de schoonste exemplaren, waaruit de prachtigste vlinders komen; zoodoende zijn wij voor deze rupsen in ’t geheel niet onverschillig, maar behooren ze tot onze beste vrienden, omdat ze ons zooveel genot verschaffen.
Behalve de kultuurplantenbeschadigers zijn nog lastig de rupsen van de genoemde tapijt- en kleermotjes, de wasmotjes en de korenmotjes.
Vijanden van de rupsen. Dat de rupsen niet ongestoord door het leven zouden gaan, was te verwachten. Welk dier heeft niet zijn vijanden? Tot de meest gevreesde vijanden behooren wel de vogels, die vooral in den tijd, dat ze jongen hebben, dagelijks enorme hoeveelheden rupsen verslinden. Hoeveel rupsen zouden b.v. de Nederlandsche vogels dagelijks wegwerken? Dat zal een reuzengetal wezen. De insectenetende zoogdieren, mollen, egels, spitsmuizen, rekenen er ook nog al eentje in. En dan de roofinsecten, de rupsenjagers (kevers), graafwespen en andere. Vooral de sluipwespen en sluipvliegen zijn de oorzaak van den dood van vele rupsen. Wat deze parasieten betreft, als wij rupsen opkweeken, hebben wij herhaaldelijk gelegenheid, met deze dieren kennis te maken.
Ziekten der rupsen. Ook hiervan blijven de rupsen niet gespaard. Wij hebben reeds bij de koolrups met zoo’n ziekte kennis gemaakt. Ook andere rupsen worden door schimmels en bacteriën aangetast. Merken wij in onze rupsenkweekerij dat enkele zeer slap worden en ontijdig sterven, dan moeten wij die snel verwijderen, om te voorkomen, dat ook andere worden aangestoken. Ook de zijderups lijdt wel aan zoo’n ziekte, en dan is dit voor de kweekers een enorme schade.
Het vangen van rupsen. Dat kan geschieden overdag en ’s nachts. Het gemakkelijkst is het de rupsen op niet te lage planten en heesters te vangen. Men ziet ze daar zitten en neemt ze er met het takje of een blad af. Soms laten de rupsen gauw los als men de stengels wat stevig beweegt; een beetje kalmte bij het vangen is dus wel aan te raden. Omdat het inspecteeren van heesters nog al veel tijd kost, kan men die ook afkloppen. Een geopende paraplu wordt daaronder gehouden, terwijl de takken flink bewogen worden; de rupsen vallen dan. Veel groote rupsen, die naar beneden komen om in den grond te verpoppen, kan men verschalken als zij langs den stam naar beneden kruipen. Linden, wilgen, populieren, iepen zijn daarvoor al zeer geschikte boomen; zij leveren ons pijlstaartrupsen. Augustus en September zijn de pijlstaartmaanden. Na een sterken wind of storm in Augustus en September—en het kan er in die maanden soms spannen—zijn veel rupsen naar beneden gevallen, ’s Nachts komen veel rupsen op de vlakte, die zich overdag verschuilen; om deze te verschalken heeft men een goede fietslantaarn noodig, en een geoefend oog. Doch aldoende leert. Wie pas voor het eerst op de rupsenjacht gaat, vangt gewoonlijk weinig, omdat hij zoo weinig ziet. Het rupsen-zien moet ook geleerd worden en men leert dat alleen door te zoeken.
Het vangen van rupsen op lage planten in weilanden en langs wegen kan ook geschieden met behulp van een sleepnet, dat over de planten wordt getrokken. Omdat er haast geen planten zijn die niet door rupsen worden aangevallen, zijn er dus overal rupsen te vangen. Wie op de rupsenjacht gaat zorge voor een goede bergplaats; hij neme wat doosjes en busjes mede en tevens een plantentrommel om voer voor zijn beestjes daarin te doen.
Het overwinteren van rupsen. Een zeer groot deel van de rupsen overwintert. Sommige kruipen den grond in, andere zoeken een winterkwartier onder allerlei afval; er zijn er ook, die een spinsel maken en daarin verblijven, terwijl enkele soorten in nesten bij elkaar overwinteren. In ’t voorjaar, als de planten weer doorgroeien en het weer milder wordt, de knoppen ontluiken en boomen en heesters in blad komen, dan verlaten de rupsen haar winterverblijven. De rupsenvanger kan dus al vroeg in ’t voorjaar aan ’t verzamelen gaan.
Hebben we in ons rupsenhuis rupsen, die moeten overwinteren, dan dienen we te zorgen dat haar verblijf zoo goed mogelijk overeenkomt met dat in de vrije natuur. Men zette ze buiten en geve haar gelegenheid zich goed te verschuilen. Sommige rupsen moet men ingraven.
Poppen en verpoppen. Is de rups volwassen, dan maakt ze zich gereed te verpoppen. Dat verpoppen geschiedt op verschillende manieren; men leert die het best kennen door de dieren op te kweeken. Sommige blijven boven den grond, anderen gaan den grond in. Het koolwitje en de koninginnepagerups spinnen slechts een gordel, om daarin de pop te laten rusten; andere, zooals de vanessa’s, hangen met den kop naar beneden. Sommige maken een lossen, andere een dichten cocon. Die in den grond kruipen maken soms ook nog een los spinsel (pijlstaarten). Wij moeten iedereen aanraden te beproeven het verpoppen van rupsen te zien; het spinnen is zeer eigenaardig. Met behulp van een loupje of gewoon vergrootglas kan men het heel goed waarnemen. Zoo’n vergrootglas komt ons ook goed te pas bij het bestudeeren van de poppen; trouwens, wie wat aan insectenkunde doet kan geen vergrootglas missen. De meeste rupsen worden mummiepoppen; er zijn er echter ook, die min of meer vrije poppen worden, die wij bij de kevers aantreffen. Aan een vlinderpop zijn vele organen van den toekomstigen vlinder al te zien; elk dier organen zit in een afzonderlijke schede; alle scheden te zamen zijn onderling verkleefd. De meeste poppen zijn beweeglijk; die beweging zit dan in ring 5 en 6; die beginnen zich ook te strekken als de vlinder voor den dag komt. Evenals de rups heeft de pop 9 ademhalingsopeningen (stigma’s); de laatste is evenwel rudimentair (min of meer verschrompeld).
Aan de poppen is al te zien of daaruit een mannelijke of een vrouwelijke vlinder zal komen. Die kennis kan soms van nut zijn.
De duur van den poptoestand is zeer verschillend. In den zomer duurt hij 2 tot 6 weken, soms iets korter; poppen, die overwinteren, blijven wat langer in dien toestand, dat loopt van 6 tot 9 maanden. Een merkwaardig bestaan, zoovele maanden buiten alle actie. We hebben er reeds op gewezen, dat sommige poppen één of meer jaren „overliggen”, dat komt voor bij de pijlstaarten.
No. 13. Ligusterpijlstaartrups met pop. (Sphinx ligustri). Deze flinke rups is een prachtig dier; in de maanden Augustus en September is ze volwassen en men kan ze vinden op liguster, sering, esch, sneeuwbal, radijsboompje (het boompje of heester met witte bessen, die klappen als men er op trapt), spiraea. De rups is groen; zeer teekenend is deze kleur onderbroken door zeven witte strepen, die van boven paars afgezet zijn; ze loopen schuin naar boven, van ring 4 tot 10. De horen of het pijltje is zwart. Als we deze rups op een heester zien zitten, is het een interessante verschijning. Omdat ze groen is valt ze alleen op aan hem, die wat geoefend is in het rupsenvangen. Willen wij onderzoeken of ze in een struik zitten, dan kan men eerst den bodem daaronder onderzoeken; liggen daar uitwerpselen van bepaalden vorm, dan is dit een aanwijzing. Houden we ligusterpijlstaarten in een rupsenhuis, dan merken we, dat ze voor de verpopping wat onrustig worden; ze zoeken een plaatsje, waar ze den grond in kunnen. We hebben dus te zorgen voor een bakje met aarde. Soms worden ze al wat donker op den rug voor ze den grond in gaan. Het gebeurt wel dat ze, na eenige dagen in de aarde te hebben gezeten, weer naar buiten komen. Het duurt dan niet lang meer of ze gaan voor de tweede maal weg, en keeren dan niet weer terug. Men laat het bakje met poppen rustig staan en zet het gedurende den winter in een koele kamer. Wil men de poppen nader bekijken, dan kan men ze gerust uit den grond halen, zoo teer zijn ze niet. Men kan aan het kopeinde van de pop goed de schede zien, waarin de lange roltong zit.
De vlinder vliegt in Juni en Juli. Omdat het een schemer- of avondvlinder is, ziet men hem zelden. De lange roltong is een zeer doelmatig orgaan om honing uit bloemen met lange bloembuis te halen, zooals de kamperfoelie. Die bloemen geuren ’s avonds. Dat is dus wel een eigenaardig verband tusschen deze bloemen en de avondvlinders. Hij heeft een vlucht van 95 tot 120 m.M. De vlinder is een goede vlieger en prachtig geteekend. Als we hem opzetten kan ook gemakkelijk de roltong worden uitgestrekt.
No. 14. Rups van Koninginnepage met pop. (Papilio machaon). Deze rups is bij de tuinders en boeren bekend als de wortelrups. Deze naam wijst er op, dat het dier veel gevonden wordt op wortelen (peen). Ze komt intusschen ook voor op venkel, peterselie, zelfs wel op aardbeien. Men treft deze rups vooral aan in het Oosten en ’t Zuiden van ons land; in ’t Westen minder. Een enkele maal hebben wij haar wel bij Amsterdam gevonden.
Men vindt haar in Juni en in ’t najaar; dus 2 generaties per jaar. De najaarsgeneratie overwintert als pop; deze zit met het ondereinde vast en hangt verder in een gordel. De rups is dik; vleezig, in haar jeugd zwart; op roode wratjes staan korte dorens; later is de rups groen of blauwgroen met zwarte banden, waarop 6 of 8 roode of gele vlekken staan. De rups heeft aan de rugzijde van het voorborststuk een uitstulpbaar, gevorkt orgaan; het is oranjegeel van kleur en verspreidt een sterke lucht. Het ligt voor de hand, dat dit orgaan tot verdediging dient, tot afweer van vijanden. De mooie vlinder, onze grootste dagvlinder, is afgebeeld op No. 110.
No. 15. Rups en pop van Dagpauwoog. (Vanessa Io). Deze rups komt in geheel Nederland voor en leeft op brandnetel. Men kan haar vinden van Mei tot Juli. Ze leven, evenals de rupsen van den kleinen vos, gezellig bij elkaar. Zoodra wij op brandnetels spinsels zien zitten, die al van verre in ’t oog vallen, dan zitten daar brandnetelrupsen. Men kan ze dus gemakkelijk vinden. De rupsen zijn zwart met witte spikkels en bezet met zeer lange dorens. Deze rups is zeer geschikt om haar in een rupsenhuis op te kweeken. De poppen hangen met den kop naar beneden. Hoewel de rups door heel ons land voorkomt, is zij toch niet wat men noemt algemeen; men vindt ze wel, doch men moet er naar zoeken. In sommige jaren zijn er zeer veel en dan weer is ze schaarsch; dat komt bij meer insecten voor; de oorzaak hiervan kent men nog niet. De mooie dagvlinder is afgebeeld op No. 115.
No. 16. Rups en pop van Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De jonge rups is geelgroen met gele strepen; aan ieder segment, aan den zijkant een witte vlek met zwarten rand. Een volwassen rups is zwartgroen met gele vlekken bezet; een roode ruglijn en gele, roodgevlekte zijlijn. Stigma’s geel. Het horentje is van onder rood, van boven zwart. Zij eet wolfsmelk, maar lust ook bladeren van fuchsia. Merkwaardig is het, dat de pop meerdere jaren, soms wel 5 blijft „overliggen”. De rups komt wel voor op de uiterwaarden van onze groote rivieren. De prachtige vlinder is afgebeeld op No. 122.
No. 17. Rups en pop van Dennenpijlstaart. (Sphinx pinastri). Deze rups wordt 8 à 9 c.M. en is van Juli tot September te vinden op naaldhout. Op den rug bruinachtig rood, lichtgroen op zijde en wit gestreept, met zwarte dwarslijnen geringeld. Stigma’s hoogrood, zwart gerand. Kop okergeel met twee bruine strepen. Als deze rups in groote hoeveelheden voorkomt, wordt ze voor de kultuur schadelijk. In ons land is van zoo’n optreden nog niets waargenomen. De vlinder is afgebeeld op No. 130.
No. 18. Rups en pop van Geaderd Witje. (Aporia crataegi). Deze rups leeft aan meidoorn (Crataegus), appel, peer, mispel, kers, pruim, abrikoos. Eieren der vlinders dooiergeel, in hoopjes van 20 tot 100 aan de onderzijde der bladeren. Na het verlaten van het ei is de rups geel, na eenige dagen donker, roodbruin met zwarten kop, lang behaard. Zij spinnen kleine nesten, waarin zij ook overwinteren. Ze komen eerst in den nazomer uit de eieren, want de vlinder vliegt pas in Juni of Juli. Zoodoende zijn ze vóór den winter nog niet volwassen. Ze overwinteren daarom in kleine rupsennesten en beginnen in ’t voorjaar opnieuw haar vreterij. In Mei verpoppen ze. Merkwaardig is het, dat deze vlinder soms voor jaren en jaren uit een streek verdwijnt en dan weer plotseling in groote massa’s optreedt. De oorzaak van deze „inzinking” is nog niet bekend. De naam van den vlinder is zeer juist omdat de aderen sprekend aan den dag komen; ze zijn zwart. De vlinder heet ook wel boomwitje.
No 19. Rups en pop van Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). Deze rups levert den grootsten vlinder, die in ons land voorkomt. De vlinder heeft zijn naam te danken aan de heldergele doodshoofdteekening op het borststuk. De rups is geel of groenachtiggeel; typisch zijn de prachtige lijnen, die van de zijkanten schuin naar achteren loopen en op den rug bij elkaar komen. Het horentje is ruw en geel. Er komen veel kleurenvariaties voor. De rups leeft op aardappel, doornappel, bitterzoet en nog andere nachtschaden. Ook wel op liguster, aardbeien, jasmijn, hennep. Gewoonlijk vindt men bij ons de rupsen van half Juli tot half Augustus; en dan zijn er in den herfst ook nog te vinden; de laatste rupsen, die bij ons als pop overwinteren, brengen het nooit tot vlinders; zij sterven. De rups is feitelijk niet inlandsch; de vlinders komen in zoele nachten hierheen gevlogen uit het Zuiden. In ’t algemeen behoort de rups tot de zeldzame; misschien komt zij meer voor dan men weet, omdat er zoo weinig naar gezocht wordt: bovendien komt men van half Juli tot half Augustus niet in de aardappelvelden, omdat de struiken dan al te hoog zijn. Merkwaardig is ’t dat uit deze rups hier nog nooit een sluipwesp is gekomen; ze schijnt hier geen vijanden te hebben. Daaruit maakt men ook op, dat ze hier niet thuis hoort. Raakt men de rups aan den kop, dan blaast ze. De vlinder is afgebeeld op No 126.
No 20. Rups en pop van Nachtpauwoog. (Saturnia pavonia). Dit is een der rupsen, die wij op heidevelden aantreffen. Zij is eerst zwart, met roode zijlijn; volwassen is zij groen, met rozenroode of gele wratten. We vinden haar ’s zomers op heide, bramen, wilde rozen, eiken, kruipwilg; ze heeft dus nog al een afwisselend menu. De rups verpopt in den nazomer en doet dat in een stevigen bruinen cocon, die iets fleschvormigs heeft. De afsluiting tusschen hals en buik is voor den vlinder zeer gunstig. In April en Mei komen de vlinders voor den dag, die ’s nachts vliegen. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de eerste hebben een vlucht van 50 tot 55 m.M.; de tweede van 60 tot 70 m.M. Dit is dus een mooi voorbeeld van dimorphisme. Hun naam ontleenen deze vlinders aan de eigenaardigheid, dat zij op iederen vleugel een oogvlek, een „pauwoog” bezitten. Naast een nachtpauwoog, komen in ons land nog voor een dagpauwoog (No 115) en een avondpauwoog (No 121).
No 21. Rups en pop van Nonvlinder. (Lymantria monacha). Over deze rups, die een der gevaarlijkste vijanden van onze naaldbosschen is, schrijven we uitvoerig onder No 140 Plaat XII, waar de vlinder is afgebeeld.
No 22. Berkenspanrups met pop. (Amphidasis betularia). Deze rups behoort tot een groep, die den naam draagt van de „spanners” of „landmeters”; dezen naam ontleenen zij aan de eigenaardige wijze, waarop zij zich voortbewegen, en deze bijzondere voortbeweging staat weer in verband met het geringe aantal buikpooten. Zij missen 3 paar buikpooten; alleen de laatste 2 paren zijn aanwezig. Hierdoor kunnen zij niet gewoon kruipen als andere rupsen. Zij trekken bij het loopen de achterste ringen tot kort achter de borstpooten bij; de middelste, pootlooze segmenten worden daardoor boogvormig in de hoogte verheven. Vervolgens wordt het lichaam weer gestrekt en de voorpooten zoeken dan een nieuw steunpunt. Hebben de voorpooten houvast, dan worden de achterpooten los gelaten en het lichaam kromt zich weer boogvormig.
Er is nog een tweede eigenaardigheid. In rust staan deze rupsen soms geheel rechtuit en rusten dan alleen op de achterpooten. Wie het niet weet, ziet zoo’n rups voor een takje aan; het dier lijkt er dan ook volkomen op. Men heeft hierin willen zien een bescherming tegen vijanden, een soort vermomming, mimicry. Men meent n.l. dat de vogels net zoo dom zullen zijn als wij om een berkenspanrups aan te zien voor een takje. Natuurlijk weten wij hier niets van. Als het waar was, dat de rups van die „takgelijkenis” zooveel voordeel had, dan moest de wereld wel vol zitten met deze spanrupsen; en dat is toch niet zoo. Intusschen is de gelijkenis tusschen takje en rups zóó groot, dat iedere insectenkundige in elk takje een rups ziet; de leek ziet in elke rups een takje. Men kan de rups vinden van Juli tot October op allerlei loofboomen. Ze verpopt in den grond, overwintert daar, en levert van einde Mei tot einde Juli de vlinders; zie afbeelding No 138. Deze rups en ook andere spanrupsen leenen zich goed voor de kweekerij in huis. Over den vlinder vertellen wij later nog iets bij genoemd plaatje.
No 23. Wilgenhoutrups met pop. (Cossus cossus). Dit is weer een heel andere soort. De vlinder legt de eieren op den stam van wilgen en populieren, doch ook wel op die van fruitboomen en andere loofboomen. Op naaldhout niet. De jonge rupsjes vreten zich door de schors heen den stam in, en leven daar van het hout. Zij graven gangen in de stammen, die daardoor technisch hun waarde verliezen, omdat het doorgegraven hout voor werkhout waardeloos is. Een ander nadeel, dat zij aan de boomen toebrengen zit hierin, dat het hout inregent, vermolmt, en daardoor de sapstroomen belemmerd worden; de boomen groeien daardoor slecht en als er wat veel in één boom zitten, (men heeft er wel eens 200 in één stam aangetroffen) gaat zoo’n boom gauw dood. De wilgenhoutrupsen behooren dus tot de ergste boombeschadigers. Voor een zeer groot deel hebben zij ook de vernietiging van de knotwilgen op haar rekening. Deze rupsen leven 3 à 4 jaar in het hout voor ze verpoppen; ze kunnen dus heel wat aan. In dien tijd zijn ze uitgegroeid tot groote dieren, die wel 8 c.M. lang zijn en dik als een pink. Tot aan de laatste vervelling zijn ze rood als bessensap; kop zwart en halsschild zwart gevlekt. Tegen den tijd, dat ze gaan verpoppen, zijn de buik, de zijden en de insnijdingen tusschen de ringen geel, en ten slotte neemt het geheele dier deze kleur aan.
Het dier riekt eenigszins naar azijnzuur of creosoot; eenzelfde geur is waar te nemen aan de wortels van het herderstaschje. Wie een goeden reuk heeft, kan de rupsen in den boom daaraan waarnemen. Zij verraden zich ook door het knaagsel en de excrementen, die uit de gangen worden geworpen.
De rups verpopt aan ’t uiteinde van een rupsengang, in een cocon met veel houtknaagsel; ze zit dus goed beschermd. Tegen het uitkomen werkt de pop zich den cocon uit, en schuift voor een gedeelte naar buiten; zij zit dus al half den stam uit. In dezen toestand—in Mei—kan men de poppen dan voorzichtig uitsnijden. Het is Dr. Oudemans gelukt eenige cossus-rupsen op te kweeken met uitgedroogd brood.
De vlinder, die overdag tegen boomstammen zit, is afgebeeld op No 128.
No. 24. Rups van Dennenspinner met pop. (Dendrolimus pini). Deze rups, die bij ons nooit in zoo groot getal optreedt, dat ze schadelijk wordt aan het naaldhout, wordt dat wel in sommige deelen van Duitschland. De kleur der rups is niet standvastig; ze is aschgrauw en bezet met roode haren; bruine ruitvormige vlekken op den rug en bruine zijstrepen. Blauwe dwarsvlekken op den tweeden en derden ring en op den voorlaatsten een wrat. De vlinder legt in Juli 200 eieren in hoopjes van 50 tegen de stammen van naaldboomen. In September en October begint de eerste beschadiging, die duurt tot den herfst; dat noemt men de herfstvreterij. Tegen den winter gaan ze naar omlaag en overwinteren daar onder het strooisel. In ’t voorjaar komen ze weer voor den dag, kruipen tegen de stammen op en dan begint de voorjaarsvreterij. Zij laten niets van de naalden over. Daardoor kan de schade zeer groot worden. Een middel om de voorjaarsvreterij tegen te gaan is de boomstammen van lijmringen te voorzien. Deze rupsen hebben vele vijanden; vooral lijden zij aan schimmelziekten, waardoor sterke vermeerdering telkens wordt onderbroken.
PLAAT II.
RUPSEN en POPPEN.
13LIGUSTERPIJLSTAARTRUPS met pop. Sphinx ligustri. 14Rups van KONINGINNEPAGE met pop. Papilio machaon. 15Rups en pop van DAGPAUWOOG. Vanessa Io. 16Rups en pop van WOLFSMELKVLINDER. Deilephila euphorbiae.




17Rups en pop van DENNENPIJLSTAART. Sphinx pinastri. 18Rups en pop van GEADERD WITJE. Aporia crataegi. 19Rups en pop van DOODSHOOFDVLINDER. Acherontia atropos. 20Rups en pop van NACHTPAUWOOG. Saturnia pavonia.




21Rups en pop van NONVLINDER. Lymantria monacha. 22BERKENSPANRUPS met pop. Amphidasis betularia. 23WILGENHOUTRUPS met pop. Cossus cossus. 24Rups van DENNENSPINNER met pop. Dendrolimus pini.




[
Inhoud
]