Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Het is nu vier jaar geleden, dat ik bij Drouot in den Haag voor het eerst boeddhistische beeldjes zag. Ze waren van groven steen, en niet bizonder fijn van kleur en lijn, maar ik voelde er toch iets liefs van. De kleineren stelden eene vrouw voor, op een lotus gezeten, in wit gewaad met een kindje op den arm. De grooteren dezelfde vrouw, op een zetel in een rots, met aan weerszijden een kind, en nog een op den arm. Naast haar, links, een vaasje met bloemen, ook wel eens met een enkel takje, waarmede zij verondersteld wordt dauw (Amrîta) te sprenkelen, en rechts een vogel, ter hoogte van haar schouder. Ik vond in deze vrouw zulk een gelijkenis met beeldjes van de Heilige Maagd, dat ik vermoedde, dat zij eene oostersche Maria was. Er was iets zachts en teeders in, door de ruwe vormen heenschijnend, dat mij aantrok, en ik zette zulk een beeldje op mijn schrijftafel, waar enkel mooie dingen mogen staan, opdat ik mij rustig en vertrouwd blijf voelen, even opkijkend van mijn werk.
Hoe heerlijk voor mij te bedenken, welk schitterend liefs en subliems mij is gekomen van deze vrouwenfiguur; hoe op dit ruwe, eenvoudige beeldje àl mooiere en mooiere zijn gevolgd, hoe de grove lijnen van dat weinig zeggende gezicht daarin zijn geworden zacht en aetherisch als gebeden, hoe de harde, schelle steen is geworden een fijn, transparant porselein, een mirakel van tot materieloozen zieleglans ópreinende stof, hoe het eerst nog menschelijke gezicht is geworden tot een revelatie van Godheid, mij aanziende met groote, stille oogen, van ziel tot ziel!
Waar in het Westen de gebeden der donkere volkeren opgaan naar de lichte, lelieblanke Moeder-Maagd, gekleed in den zuiveren schijn van haar kuischheid, teeder houdende boven de wereld het schuldeloos Godskind, dat de zonden der stervelingen met zijn bloed zal boeten; waar in majestueuze paleizen van adoratie het eeuwig-glimlachend beeld der Moeder Gods troont, in ongenaakbare staatsie, op van goud en juweelen schitterende altaren, in een gewijde atmosfeer van wierook en gebeden, daar licht het éven virginaal reine beeld van de Godin der Genade boven de duistere zondenwereld der oostersche Aziaten; biddende scharen liggen geknield, priesteren in goud-omzoomde gewaden zingen sombere Soetra’s met monotone melodieën, statig als het ruischen der zee, en zij zweeft hoog in de witte wolken, in een blank gewaad van aether, schijnend van een maneglans, en sprenkelt zoeten dauw van genade in den chaos der menschelijke smarten. En vrouwen op aarde liggen geknield in het stof, smeekend om vruchtbaarheid van nieuw leven, en zij heft een zacht-lachend kindje op boven de devote in deemoed, en belooft zegen aan haren schoot.
Het is zeer bizonder, en nooit voldoende verklaard, hoe onder de goden van het boeddhistische pantheon eene vrouwelijke figuur in China een allereerste plaats inneemt, en een figuur, van welke men in het geheele boeddhisme van Azië nergens eene volkomen gelijkenis terugvindt. De meeste sinologen hebben gezegd, dat zij niets is dan eene chineesche varieteit van de indische Avalokites’vara, die vooral in Thibet wordt aangebeden.
Ik zal mij hierin niet verder verdiepen, daar het tot mijn mooi-vinden van de Kwan-Yin-idee er weinig toe afdoet of zij uit Indië dan wel uit China afkomstig is, en ik meer de schoonheid en de mij door haar gedane emoties van chineesche menschen en godsdiensten en dingen wil geven dan de wetenschap, die mij slechts hulpmiddel is.
Wat wel het allerverschrikkelijkste is in het boeddhisme is de leer van Karma, of, zooals de chineezen het noemen, Yin Kwo (Oorzaak en Gevolg), de wet, dat het goede en het kwade zich eeuwiglijk zelf weer produceeren, en die van het menschenleven een noodlot maakt, vooraf bestemd door daden en gedachten uit vorige levens. Wèl wordt hierdoor op bizondere wijze verklaard, dat àlles wat voor ons in dit leven onrecht schijnt toch nog recht kan zijn, als boete voor vroegere zonden, maar het is zwart en hard om de onverbiddelijkheid en het vergevinglooze. Daarom is des te meer liefelijk die witte, zachte vrouw, in dat zoet-wuivende gewaad, die van weening wordt bevangen door het ontzaglijk lijden der menschen, al is het door hun eigen Karma zoo bestemd, en die door de intense kracht van hare tot daad geworden liefde de verdoemde zielen, knarsetandende in hellepijn, met millioenen overvoert naar de reine gewesten der zondeloozen, glimlachend van vrede.
Daarom is het wèl wonder, dat de verbeelding van dit volk, dat het divien vrouwelijke niet begrijpt en daarom inferieur is aan de europeesche, een volk, dat de vrouw voorstelt als de personificatie van het principe „duister”, een zoo wonder-teêre, van liefelijk-reine vrouwelijkheid glanzende figuur als Kwan Yin heeft gecreëerd.
En, wel het meest miraculeuze van alles, de kunstenaars van China, die haar beeld in steen, porselein of hout, in krijt of kleuren weergaven, zooals zij haar in hunne aanbidding zagen, zij maakten een vrouw, die in geen enkel opzicht op de typen de chineesche vrouw gelijkt, een vrouw, rijzig en recht-statig, schrijdende met majestueuzen stap, in een kuisch, zacht-wuivend gewaad, dat geen vrouw in China draagt, of wel zittende in wijd-uitvallende gewade-plooien als St. Barbara van Van Eyck, het lijf een weinig voorovergebogen, als neêrneigende tot het leed der menschen beneê, met blanke, effen borst, die niet-ontwikkeld is, als van een heel jong meisje, en een gelaat, waarin àl wat fysieke bekoring heeft volkomen weg is, en waarover een schijn glanst van zuivere ziele-essence. Een vrouw, om voor op de knieën te vallen en het hoofd biddend te verbergen in de plooien van haar gewaad, een vrouw met oogen, om de duisterste onbewustheden van de ziel te verreinen en te doen schitteren van haar licht, een vrouw met handen, om zacht op een brandend hoofd te leggen en te plooien tot eindeloos teeder gebaar van vergeving, een vrouw, als de vernietiging van de fysieke verlangens, die stomgeslagen terugsidderen voor haar heilig blank gewaad, en de verheerlijking van het zuiver-geestelijke, van Het Vrouwelijke als de revelatie van God.—Heeft in de westersche kunst het beeld van de Heilige Maria op schilderijen of in statuën nog dikwijls het te lief-aanvallige, het te begeerlijke, dat de adoratie van een priester onbewust verlangen van een minnaar zou doen worden, de meeste oude Kwan Yinbeelden zijn zoo wonderrein uitgevoerd, dat niet de vaagste gedachte aan de vleeschelijke vrouw haar zou durven naderen. Zij heeft geen mollige, ronde vormen, haar zwarte lokken vallen niet lang uit, golvend over haar schouders, geen glimlach beroert haar mond. Haar lichaam is als de pure incarnatie in opperste openbaring van het idee ziel in stof, en een kuisch, blank gewaad omvouwt het zacht, uitvallend in groote, wijze plooien. Hare oogen staren streng en rustig naar één punt, als verloren in meditatie; haar ooren zijn lang, met dikke lobben, haar kin onmerkbaar klein, haar wangen teêr als bloemebladen. Het haar is opgemaakt in een wrong, hoog op het hoofd, zoo fijn dat ieder haartje apart glanst als een straaltje licht; het wordt opgehouden door een langen naald, en rust van voren op een kroontje met paarlen. In het voorhoofd schittert de zieleparel—She Li Tsz’—die in de intense meditatie is omhoog gerezen, en daar straalt van zuiver goddelijk licht; op haar vlakke, spiegelreine borst schittert het kruis Svastika in een krans van paarlen.
Men is zoo algemeen gewoon, van oude boeddhistische beelden te spreken als van afgoden, of wel van curiositeiten, of bibelots. Maar na veel—o zoo genotvol—zien van zulke beelden heb ik heel duidelijk in mij gevoeld, dat zij een beteren naam verdienen, want zij zijn echte, zuivere kunst. Zij zijn gemaakt door kunstenaars,—simpele menschen, van eigen grootheid onbewust; iedere omtrek, ieder lijntje, ieder vormpje is geboren uit adoratie, en zij zijn onsterfelijk als de beste oud-egyptische beelden en de reinste creaties der primitieven.—Zij zijn op de uiterste grens van geest en stof, en geven in stof zichtbaar weêr de onstoffelijke en onzichtbare idee van de goddelijke ziel. Zoo als het sereene, eindeloos kalme gelaat van een oud boeddhabeeld moet wel het gezicht zijn van den uítgeleden, verreinden asceet, als zijn ziel, opzwevende in het eeuwig Nirvana, nog éven den afglans van haar licht scheen op het in ’t stof achtergelaten lichaam. Het aandachtig zien naar zulke wonderen van religieuze kunst als oude boeddhabeelden van brons of porselein leert veel meer van het boeddhisme dan het lezen van vele soetra’s. Want het onzichtbare ziet u hier aan, met stil-starende oogen, en de materielooze ziel schijnt voor u op in deze simpele figuur van een tot een gebed van strenge lijnen en aetherische vormen geworden lichaam.
En dit heeft deze kunst voor boven die der afbeelding van den Christus, dat zij niet geeft het lijden, maar het hoogste geluk, niet de bloedende pijn, maar de verlossing, niet den kruisdood, maar de opstanding, het suprême moment, als de bevrijde ziel wègdroomt in het eindelooze.
„—Ik heb U slechts dit te zeggen, dat ik heden de tallooze menschen op aarde in verleiding en dwaling zie. Dit moet ophouden, en zij moeten op het goede Pad komen; zij moeten weten, hoe zich te bekeeren, hoe uit de poorten van leven en dood te treden, en uit de bittere zee. Dit werk moet ik volbrengen.”
„Zij slaan de priesters, schelden op de leer, en verguizen de wetten der boeddha’s. Hun is het zoet, zoo diep te vallen. Het is een karrewei, ze te vermanen en te bekeeren.”—
„Genadevolle, gouden Moeder, open wijd uwe eindelooze liefde. Sta mij toe, op de aarde neder te dalen! Ik zal de harten der menschen volmaken. Ik zal zwoegen om ze te vermanen, totdat zij vanzelf terugkeeren en veranderen.”
Toen boog de Eerwaardige diep het hoofd en dankte voor die eindelooze liefde.
Licht en duisternis gaan voorbij, snel als pijlen, dagen en maanden wikkelen af als een weefgetouw, en weldra was de onbevlekte dracht voldragen, en baarde de koningin een prinses.
Koning Tsjoang keek vreemd op toen hij zijne dochter zoo hoorde spreken en antwoordde:
„Ik wil geen echtgenoot kiezen, maar mij toeleggen op het verreinen mijner ziel. Honderd jaren levens zijn als de droom van een oogenblik. Als ik mij niet ga verreinen zal ik weêr in de omwenteling des levens vervallen.—Mijne ouders, die oorspronkelijk vol liefde en genade zijt, doet nu uw kind geen droefenis aan! Van oudsher werden diegenen boeddha’s of geesten, die van een gewoon mensch af een heilige leerden worden.”
Maar koning Tsjoang wilde er nìets van weten, en schold haar uit met verachtelijke namen. Hij beval haar, alle vorstelijke gewaden, die zij aanhad, uit te trekken, en alleen één stuk goed aan te houden om het lijf te bedekken. Hij verlaagde haar tot een dienstmaagd, die in den bloementuin water moest dragen en de bloemen verzorgen.—De prinses weende zeer, maar deed hare gewaden uit, en ging gehoorzaam naar den tuin.
En nu volgt de geschiedenis van lijden, en hoe zij in de smart juist hare ziel louterde en rein maakte van alle aardsche verlangens. Hoe zij in den tuin met gekruiste beenen zat, in intenze meditatie. Hoe de bloemen bloeiden als nooit te voren, doordat geesten het zware werk voor haar deden. Hoe de boeddha Jên Teng haar kwam beproeven in de gedaante van een’ priester, maar ziende, dat zij niet wankelde, haar de esoterische leer onthulde. Hoe hare zusters haar kwamen vermanen, maar door hare prediking werden bekeerd. Hoe haar vader, in groote woede over hare hardnekkigheid, haar verbande naar het klooster de Witte Musch, maar hoe zij daar juist een welkom thuis vond, en een’ ouden wijze ontmoette, met wien zij diepzinnige gesprekken over de leer hield; hoe zij tot het bewustzijn kwam, dat ééne ziel het ál doordrong, en alles weer tot dat principe terugkeerde (want de Ouden zeggen, dat tienduizend dingen allen één zelfde ding zijn (van oorsprong)), en de diepe beteekenis begreep van die twee simpele karakters die boven tempeldeuren staan: „Wu Ngo,” Niet-Ik, géén-Ik, die zinspelen op de algeheele overgave en vernietiging van de Ikheid en absorptie in het universeel Nirvana. De oude wijze, dien zij in het klooster ontmoette, zat in een donkere kamer, en toen zij hem vroeg, waarom het zoo weinig licht was, antwoordde hij: „doe nu nog deze twee bewegelijke, klepperende deuren dicht en sluit het buitenlicht geheel af. Dan zal het eerst recht een groot Licht worden.” Zoo leerde hij haar de meditatie met gesloten oogen, de verwerping van het daglicht van buiten, en den eindeloozen glans van het zielelicht van binnen.—
De tweede beul kwam met een rood koord, en nu liet zij zich gewillig worgen. Een donderslag weerklonk door de hemelen. Zij gilde en was gestikt. Maar haar ziel, haar eigenlijke Oorsprong, zweefde door de poorten der duisternis naar de Eindeloosheid des Lichts. En lachend zeide de prinses: „Géén vorm hebben is nu eigenlijk eerst recht een vorm hebben, en nú krijg ik mijn ware Gedaante te zien. Nu het lichaam der hartstochten door het roode koord geworgd is, komt het eindelooze licht te voorschijn.” Toen hief zij de handen op en aanschouwde de onsterfelijke boeddha’s, in den gouden lotus, van aangezicht. Maar hare taak was nog niet volbracht. De Gouden Moeder beval haar, een tocht te maken door de tien hellegebieden der onderwereld. De geest Hwang Lung, De Gele Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, vergezelden haar.
In de hellen zag zij de tallooze zondaren in groote ellende, boetende met afschuwelijke pijnen voor evenveel zonden als zij nu straffen ontvingen. Het was een geheele wereld van knarsetandende slachtoffers; het bloed stroomde in rivieren, en de lucht weerklonk van kermen en schreien. Hun lijden was onverbiddelijk bepaald door hun eigen Karma, en na geleden straf werden de uitgepijnigde zielen weer door de omwenteling van een rad in het leven teruggewenteld, om òf als mensch òf als dier geïncarneerd te worden, en nieuwe ellende te lijden. Maar—treffend en zéér bizonder, die witte, teêre meisjesfiguur, hier zachtschrijdende door de rotsharde onverbiddelijkheid van het idee van Karma—Miao Sjen vouwde de handen saam, en sprak in intenze extaze van liefde eene prediking met zulke geestvolle, diviene woorden, dat door één wonder al de hellen werden verlicht van het goddelijk licht, wolken van gouden lotusbloemen vielen neer, en de verloste zielen, gepurifieerd door de verreining van haar goddelijk Woord, zweefden óp in volmaakt zuiveren staat, vér boven de omwenteling des levens, en droomden het eindeloos Nirvana binnen.
Door deze daad van liefde werd de zonde van den koning geboet, en kwam hij tot inkeer. Al de leden der koninklijke familie legden zich ten laatste op verreining der ziel toe, en werden boeddha’s. Door de Hiao van het kind konden dus de ouders en zusters de onsterfelijkheid verkrijgen.
Haar ijver in het heilige reddingswerk is wonderbaarlijk, en rust nooit. Eeuwiglijk werkt de liefde, die zij uitstraalt, op de zonden der wereld. Alle menschen zijn kinderen van deze blanke moeder van genade, die, in de hemelen troonend op eene witte wolk, zich zacht-neigend voorover buigt om te luisteren naar der zondaren gebed. Zij wordt aangeroepen als „Ta Ts’z’ Ta Pei”: „De groote Genade, het Groote Medelijden. Zij is „de Oceaan van Mededoogen”, de „Beschermer der Wereld”, de „Verlosser van Vrees”.

Kwan Yin, zwevende in de wolken, met haar dienaren Kin Tong en Yü Nü.
De uitingen van vereering aan Kwan Yin zijn naïef en simpel als die van de westersche vrouw uit het volk voor haar Mariabeeld. Het Kwan Yinbeeld wordt opgetooid en versierd als een lievelingskind; het krijgt een mooi zijden baadje, en een hoed met pluimen en blinkende paarlen. Kleine kinderen dragen een klein Kwan Yinbeeldje van goud of koper op het hoofd, en loopen met vlaggetjes, waarop haar roem staat geschreven.
Op de drie groote feestdagen van Kwan Yin, op den 19en van de tweede, zesde en negende chineesche maand: den dag van hare geboorte als Miao Sjen, den dag, waarop zij werd geworgd, en den dag, waarop zij, na haren vader gered en hare geheele familie bekeerd te hebben, voor goed ten hemel steeg, worden de publieke offeranden en ceremonieën voor haar verricht, maar bovendien wijden voorál de vrouwen haar eenen dienst van elken dag. De mannen hebben niet zulk eene groote vereering voor Kwan Yin, en dienen liever de woeste goden van het taoïsme, met de dreigende gebaren en de bloeddorstige gezichten. En dit is juist eene bizondere teêrheid voor mij in de figuur van Kwan Yin, dat zij alleen door het vrouwelijke gevoel, dat altijd naïef en intuïtief is, wordt begrepen, en zij als ’t ware schijnt te breken voor minder gevoelige beschouwing. Al wat China mist aan essentiëel vrouwelijks, al wat de chineesche vrouw mist in hare omgeving, om haar onbegrepen gevoel aan te wijden, is gepersonifiëerd in die wonderreine vrouwenfiguur van Kwan Yin.
De mooiste tempel van Amoy, Nam Phu Tho, het zuidelijk Phu Tho, is voornamelijk aan den dienst van Kwan Yin gewijd.
Eén middag zal ik nooit vergeten. Het was een donkere, sombere Novembernamiddag, tegen vijf uur. Zwarte wolken hingen dreigend om de rotsen, toen ik van een rit terugkeerde; en ziende, dat het gevaarlijk was, met den naderenden storm, in een sampan de zee over te steken naar mijn eiland, zocht ik een schuilplaats in den tempel.
Het was duister in het derde paviljoen, waar het kolossale beeld troont van Kwan Yin. Het oude goud glom in het donker van een mystiek rooden glans. Groote schaduwen weifelden aan de wanden en in hoeken, en glimplekken beefden vreemd in het rond. Er was een vaag, somber licht om de boeddha.
Juist toen een ratelende donderslag door de lucht weerklonk, sonoor voortdaverend over de bergen, kwam een grijze priester binnen, die voor het groote beeld bleef staan, en een monotoon gezang aanhief. Somtijds sloeg hij op een houten voorwerp, met doffen slag van gedempt geluid, of deed hij een kleine schel zilverig tinkelen. Hij stond onbewegelijk. Het gezang weêrklonk hol in het paviljoen, ál somberder en somberder. De regen kletterde neer, de donder sloeg met fatale slagen, de wind brulde om de deuren, en felle bliksemstralen lichtten blauwgeel weêr over het biddend-gebogen hoofd. Maar den priester bewoog het met geen enkel vreezen, en hij zag noch hoorde. Steeds klonk zijn somber gezang, een eentonig, plechtig zingen als van een ziel, die, in de diepste duisternissen verloren, om licht bidt en erbarmen.
De roerlooze priester, stil, als enkel een ziel, zingende zoo somber-droef gezang, het vreemd-lichtende beeld van Kwan Yin, zoo hoog-statig en sereen in het duister; de brullende storm, de daverende donder, het hel-bliksemende licht, het was als het diepe mysterie van het geheele boeddhisme gesymbolizeerd, de droef-verloren, maar rustig-biddende ziel, eindeloos kalm in den woedenden passiestorm van het leven.…
Geeft deze legende van Miao Sjen een verhaal van een der voornaamste incarnaties van Kwan Yin en van hare lotgevallen als mensch, er bestaan nog tallooze andere sprookjes en vertellingen over hare daden van liefde als boeddha.
Op de meeste platen, die Kwan Yin voorstellen, ziet men haar met een kindje aan elke zijde. De een is een jongetje, Shen Ts’ai, de ander een meisje Lung Nü. Om de beteekenis van deze twee dienaren te verklaren, moeten wij zoeken in het werk „See Yiü”: Zwerftochten in het Westen. Dit wonderlijke boek, dat niet in den ouden stijl der „Kings” maar in den verhalenden trant is geschreven, en dat eene verzameling van sprookjes is van eene zoo rijke en weelderige fantasie, dat alleen de Märchen van Grimm er mede kunnen vergeleken worden, en wel een van de allerpopulairste boeken is van de chineezen, bij oud en jong geliefd, en overal in theaters vertoond,—dit schijnbaar kinderlijke werk is van een veel diepere beteekenis, dan de meeste westersche lezers wel hebben vermoed. En de Kwan Yinfiguur speelt er een hoofdrol in.
De beroemde koning T’ai Tsung (627–649 n. C.) van de Thang dynastie, die door eene onvoorzichtigheid zijn generaal Wei Ting gelegenheid had gegeven, Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning, te dooden, en die deze schuld alleen volkomen kon boeten door een mysterieuzen „King” (soetra) te verkrijgen, die de macht had, de zielen uit de hellen te verlossen, liet een priester oproepen, die den moed had, dezen soetra in het onbekende Westen te gaan zoeken. Toen bood zich een priester aan, Saan Tsang geheeten, die op zich nam, het heilige boek te vinden. Deze priester stond onder de bescherming van Kwan Yin, die hem, met andere gaven, het kostbare, van goud schitterende gewaad Kia Sha deed geven, afkomstig van Shakyamuni.

De priester Saan Tsang en zijn witte paard.
Met deze vier dienaren trekt Saan Tsang naar het Westen, om de kostbare soetra te zoeken.
Saan Tsang is niets anders dan de menschelijke „Sing”, de hemelsche oorsprong, die echter hulpeloos is, als het lichaam niet helpt. De aap, dat zonderlinge beest, dat nooit zijn natuur verloochent, en altijd grimassen maakt, is het menschelijk hart. Het paard, dat, zonder teugel, in het wilde doordraaft, en altijd vooruit wil, is de menschelijke „i”, de begeerte. Het varken zijn de dingen van de buik, de maag en de ingewanden, altijd hongerig. En Sha Sang is het menschelijk geraamte, de beenderen, die het vleesch dragen.
Zonder zijne dienaren zou Saan Tsang er nooit gekomen zijn. Want hij is altijd maar lijdzaam en willoos, hij loopt blindelings in de gevaren, laat zich opsluiten, geeft zich over zonder ernstigen weerstand, uit gebrek aan energie. Maar de aap, dol en bewegelijk als hij is, slaat er bij de minste gelegenheid op los, gebruikt zijn esoterische geheimen om den vijand te bedriegen, verandert zich in duizenderlei gedaanten, en laat zich door niets uit het veld slaan. Ook de andere dienaren doen het hunne, al is het in ’t wild en zonder wijsheid.
En toch zouden ook de vier dappere dienaren gelijk met Saan Tsang op jammerlijke wijze zijn omgekomen, indien niet altijd op het suprême moment Kwan Yin, de godin der genade, die den armen priester bezorgd heeft gevolgd, en zelf het heilige boek voor hem gereed heeft, op hare witte wolk nederdaalde om hem te redden.
Prachtig van teêrheid is de Kwan Yinfiguur in dit boek weêrgegeven. Als de strijd in de wildste verwarring is, en geheele zeeën en vuurbergen, door een boozen geest getooverd, de reizigers dreigen te verzwelgen, is één zacht gebaar van haar hand genoeg, om alles in een groote kalmte te doen verdwijnen, en de verschrikkelijke duivel wordt veranderd in een zacht, onschuldig kindje, dat in diepe adoratie de handen tot haar opvouwt. Kwan Yin alleen stelde Saan Tsang in staat, het heilige boek te vinden, dat de zielen de zaligheid van Nirvana kan doen verkrijgen.
Als Saan Tsang op het laatst het kostbare boek vindt is het niets dan schoon papier, onbeschreven; want karakters kunnen die opperste waarheid der esoterische leer niet uitdrukken. Na intenze meditatie, van zeven dagen en nachten lang, ál maar doorstarende op het papier, werd hem eindelijk die waarheid bewust van „de soetra zonder karakters”, die alleen de ziel; niet de oogen, kan lezen.
Een van de vele gevaren, die Saan Tsang moest overkomen, was een booze geest, het Vuur-Kind, Hwo Hai’Rh, die in een atmosfeer van vuur was gehuld, en stroomen vuur braakte. Deze booze demon nam den priester gevangen, en wilde hem aan haar vader, een geestenkoning, als voedsel geven. De dappere Sun Wu K’ung liet zijn meester niet in den steek, maar viel zijn vijand aan met al de wapenen, waarover hij kon beschikken, den gouden pilaar, dien de drakenkoning hem gegeven had, en steeds zijne haren uittrekkende, die hij in evenveel krijgers kon doen veranderen. Maar de haren werden door het vuur geschroeid, en deerlijk gebrand moest de aap den strijd opgeven. Toen scheen Saan Tsang voor goed verloren, indien niet tijdig Kwan Yin ware neergedaald op hare wolk, en den demon had onderworpen. Door hare toovermacht veranderde de vuurduivel eensklaps in een klein jongetje, dat eerbiedig het hoofdje neeg, en de handjes biddend tot haar ophief. Van nu af aan kreeg de bekeerde duivel ook een anderen naam: „Shen Ts’ai”, Het Goede Talent, en volgde hij overal Kwan Yin als discipel. En dit nu is het biddende kindje, dat op zoovele platen en beelden ter linkerzijde van Kwan Yin staat.
Volgens anderen was het een der vijanden van Saan Tsang, die hem gevangen nam en opsloot. Kwan Yin lokte dezen gevaarlijken vogel in een herberg, waar hij zooveel at, dat hij in slaap viel en weerloos werd. Hij braakte toen zelf de ketting uit, waaraan Kwan Yin hem gevangen hield. Sedert dien tijd bekeerde hij zich en bleef haar trouwe dienaar.
Moge men glimlachen bij al deze wonderlijke verhalen, er blijkt toch duidelijk uit, dat Kwan Yin wordt vereerd als de reddende uit den nood, de beheerscheres der booze geesten, de beschermheilige, die den priester het heilige boek deed vinden, dat millioenen zielen uit de hellen kon verlossen. Zij is niet alleen de beschermster, maar zelfs de Voorzienigheid, in de gedaante van eene vrouw in wit gewaad. Nooit rust zij van haren arbeid zoolang nog één gevaar den priester dreigt, die het boek der onsterfelijkheid zoekt.
Talloos zijn de vele andere verhalen en legenden, omtrent Kwan Yin in omloop. Niet alleen als vrouw, ook als man incarneert zij zich, in de gedaante van een priester. Zij redt ter dood veroordeelden, door hun een soetra te leeren, die, op het schavot uitgesproken, het zwaard roerloos boven het bedreigde hoofd doet zweven.
Zij neemt duizenderlei gedaanten en vormen aan, om de menschen te helpen en de duivels der zonde te bestrijden. Zij wordt dan ook dikwijls afgebeeld met achttien en meer armen, die zij allen tegelijk aanwendt om de booze geesten te vernietigen.
Deze beelden met achttien armen hebben vanzelf niet het sereene en rustige van de andere, maar kunnen toch zeer indrukwekkend zijn. Iedere hand houdt een voorwerp vast, de rechter boven het hoofd verticaal uitgestrekt een zon, de linker een maan, de andere een zwaard, een soetra, een bel, een snoer paarlen, een rad, een bal, een vaas, een discus, een perzik, een koord, enz., allen attributen, waarmede zij, volgens de chineezen, mirakelen kan doen. Boven het hoofd van dit beeld, met twee armen opgehouden, zweeft meestal nog een klein boeddhakindje, dat haar bevrijde ziel voorstelt.
En als eene moeder zorgt voor de lafenis van hare kinderen, zorgt zij voor de lafenis der aarde. Zij is de regengeefster, die aandrijft op witte wolken boven het smachtende, heete land.
„Fu Tsu lai”: „de Oermoeder-Boeddha is gekomen,” is eene chineesche uitdrukking voor „de regen valt.”
Op de witte wolken, die boven de heete aarde aandrijven, rusten lucht de zachte voeten van Kwan Yin, en dra zal de zoete, lavende regen neerzegenen, die vruchtbaarheid geeft aan den grond en verkoeling aan de smachtende menschen. De al dichter en dichter saâmdrijvende wolkenmassa’s zijn de wijd en wijd uitvallende plooien van haar gewaad.
Maar de Kwan Yinfiguur, hoe liefelijk en teêr wij haar ook voor ons op zien droomen uit soetra’s en legenden, in hare reinste openbaring is zij alleen gegeven in de kunst, vooral in die der beelden, houten, bronzen, porseleinen.
Toen in de laatste eeuw, door den invloed der europeanen, de chineesche kunst verbasterde en verzwakte, is ook de teêre opvatting van eene Kwan Yin bij de kunstenaars gebroken. De moderne beelden hebben het opperste moment van expressie verloren, en de goddelijkheid van het gelaat en de vormen is meer materialistisch geworden. De nieuwere tempelbeelden van Kwan Yin, met hunne schelle kleuren en veel te grove vormen, hebben het streng virginale verloren, dat in de oude is te zien. Het zelfde is te zeggen van de porseleinen en bronzen. Het is heel moeilijk, in China specimen van oude kunst te krijgen. Ik heb door geheel Canton gewandeld, zonder in één antiquairswinkel iets bizonder moois te zien, en de verlangende kooper zal zich bij zijne eerste bezoeken in chineesche winkels, waar ook, Canton, Hongkong, Amoy, zeer teleurgesteld zien. Maar de chineesche antiquair heeft dan ook eene soort kuischheid, die verfijnd artistiek is. Als hij een heel mooi ding heeft zet hij het niet in zijn winkel, maar bewaart het als een schat in zijn achterkamer, in een donker hoekje. Hij moet eerst zijn klant kennen, zijn gezicht, zijn handen hebben gezien, hoe die door beweging aangeven wat ze van een voorwerp voelen. Heeft hij de zekerheid, dat zijn klant het waard is, dan neemt hij hem mede naar binnen, zet zwijgend het kleinood op tafel, en laat het hem zien. Daarna bergt hij het zorgvuldig weg, schenkt een kopje thee in, en spreekt er in ’t geheel niet meer over. Hij heeft al aan zijn oogen, zijn mond, zijn geheele houding gezien, wat hij gevoeld heeft. Het koopen komt dan eerst veel later. Als hij aan hem gezien heeft, dat hij het niet begreep, begint hij er ook nooit weer over.
Toch zijn zulke oude voorwerpen in de havensteden zeldzaam. Maar de kunst om ze te krijgen is niet zoo heel moeilijk, want men behoeft slechts agenten te hebben, arme chineezen, die de kans schoon zien iets te verdienen, en wien gij vooruit reisgeld geeft.
Deze maken lange dagreizen in het binnenland, zoeken niet bij antiquairs alleen, maar vooral bij deftige, arm geworden families, die licht nog een oud stuk uit den goeden tijd hebben bewaard, en, zelf eigenlijk de waarde niet kennende, het voor een spotprijs verkoopen. En er is in het binnenland van China nog véél meer, dan men wel zou vermoeden.
Brons is een zooveel grovere materie dan porselein, maar brons is toch een wonderheerlijke stof geworden in die bewerking—van waar en door wien is mij onbekend gebleven—die het de zachte kleur geeft van het „Shih Seu” fabricaat. Een van de mooiste exemplaren van Shih Seu brons, die ik gezien heb, is een stuk, voorstellende Kwan Yin op den berg Hiang Shan, afkomstig uit Suchau. Of het oud was, weet ik niet, de gave glans en de pure staat doen niet vermoeden dat het reeds eeuwen oud is, maar die kwestie van oud of modern, waar de verzamelaars zich zulk een gewetenszaak van maken, doet er al heel weinig toe af. Is het een feit, dat ik nog nooit veel even mooi modern porselein of brons heb gezien als het oude, toch is het zeer goed mogelijk dat dit eene stuk modern was.
Zoo zal ik haar nop dikwijls zien, die donkerbronzen Kwan Yin, die neigende, lief-luisterende, in die kuische, wijze kalmte van haar gewaad, zacht omschitterd van zilveren lotussen, in den droomerigen geur van de heilige wierook, met die teêre, spitse bamboeblaadjes achter het stille hoofd.…
Ook uit hout gesneden heb ik mooie beelden van Kwan Yin gezien. Een bizonder fraai exemplaar, in mijn bezit, is van zachtbruin reukhout, van zoeten geur. Het voetstukje alleen is van een zwarte reuklooze houtsoort, en is een zee met opslaande, krullende golven. Uit de zee rijst een welige groei van lotusbloemen, met teêre, gevoelige stengeltjes en half uitgekomen, half nog dichtgevouwen blaadjes. Een grootere bloem is ontloken, en naast deze twee knoppen. Alles zoo simpel natuurlijk, als levend, met de geheele zachtheid en rankheid van stengels en ontplooiende blâren allereerst weêrgegeven in de harde materie. Boven de bloem en de knoppen spreidt een groot, fijn generfd blad zich wijd uit, om de Kwan Yin te dragen, een rank beeldje, van ruim een decimeter hoogte, met een gewaadje, zoo zacht en lucht als een bloem, keurig afgewerkte handjes, en een fijn, wijs gezichtje. En op het kleine hoofd de haartjes één voor één getrokken, een golving van teêre, evenwijdige lijntjes, òp in een wrong. Hoe teeder moet de hand zijn geweest, die met een miniatuur, scherp mesje zoo voorzichtigjes en gevoelig die vrouwenharen uitdroomde uit de materie! Die ranke stengels en bloemen, dat wuivende gewaadje, die fijne haren, die kleine, wijs predikende handjes, wat moet die artiest een lief, gevoelig mensch zijn geweest, en hoe rustig en doodkalm moet zoo iets gemaakt zijn, zonder de minste zenuwachtigheid, met welke stille, aandachtige, zacht-starende oogen moet hij zich heengebogen hebben over zijn werk!
Van de kleine beeldjes van de goedkoopste soort zijn die uit de stad Tik Hoa in de Hokkienprovincie wel de beste. Zij zijn niet van porselein, maar van steen. Ze zijn voor den ongeloofelijk lagen prijs—van vijf tot tien cents—verwonderlijk teêre dingen. Gevoelig van lijn, en blank van kleur, zonder hardheid. De meeste stellen Kwan Yin voor schrijdende over de zee, die met opslaande golven is aangegeven. Het witte gewaadje omwuift haar luchtig, het in een wrong opgemaakte, met een speld vastgehouden haar is keurig gedaan, en onder de rok komt een klein voetje te voorschijn. Maar het mooiste van het beeldje zijn de handjes, die apart worden gemaakt, en uitgenomen kunnen worden, superbe, teêre handjes, met sierlijk spitse vingertjes, de rechter een parel vasthoudende, de ander wijzende met een gracieus gebaartje, alsof die puntige, fijne nagels de diepste mysterieën van de leer met een vlugge gratie van kalmte luchtig kwamen uitduiden. Op andere beeldjes zit zij in een lotus, een kindje in den arm dragende, in verschillende houdingen. De grootere geven haar op de rotsen van den berg Hiang Shan, naast haar Shen Ts’ai en Lung Nü en een kindje in den arm, met een vaasje bloemen en den vogel, neêrgestreken bij haren schouder.
Maar, hoe liefelijk en gracieus ook, en hoe adorabel naïef ook door den eenvoudigen werkman gedaan, deze moderne steenen beeldjes, die hoogstens charmante bruidjes zouden kunnen voorstellen, geven niet het hoog-sereene, immens genadige en streng-kuische van de Kwan Yinfiguur, de voorstelling van het hoogste vrouwelijke, dat reinheid is en liefde.
Ik weet niet, wie de schepper is van de oude porseleinen beelden, wiens naam was Ho Chao Tsung, daar ik nooit de geschiedenis van zijn leven heb kunnen vinden, maar sedert ik zijne statige kunst heb gezien, zal ik hem evenmin kunnen vergeten als die groote kunstenaars van het Westen, wier werk niet van eene periode, maar van de eeuwen is.
Een Kwan Yinbeeld als van Ho Chao Tsung is méér dan eene afbeelding van een godenfiguur, het is een geheele filosofie, niet in hare wording en ontwikkeling, maar in haar opperste moment van weten, simpel grandioos als al het eindelooze. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand zulke beelden kon maken die onder zijn werk niet als een wijze en een heilige voelde. Want het gezicht van Ho Chao Tsung’s Kwan-Yinbeelden is geen menschengezicht meer, maar eene openbaring in dien schijnbaren vorm van diviene wereldwijsheid; het ziet met die droomende, half-geloken oogen in het eindelooze; het is zoo roerloos en zacht van den vrede van den puren god-mensch; het is de goddelijke ziel, die er in schijnt en het verheerlijkt tot een revelatie.
Beelden als de oude porseleinen van Ho Chao Tsung en anderen zijn niet om in daglicht te zetten. Zij hebben eene aparte omgeving noodig van kleur. Daarom zet een chinees ze altijd in een nis. De nis is vierkant, met van achteren een fond van zijde,—bij Ho Chao Tsung doet mooi lichtroze—, de zijwanden half van hout, waarop weer dezelfde zijde, en de bovenhelft van glas, en van voren een raam van glas, zoo mogelijk de stijltjes besneden met lotussen, en aan weerskanten van boven een draak of een feniks. De nis rust niet op den bodem—wat te grof zou staan,—maar staat òf op een werk van uit hout gezaagde bloemen, fijn als kant, òf op gracieuze, kleine pootjes, die het met een teêr gebaartje lucht oplichten van den grond. Boven een mijner nissen staat met gouden karaktertjes „De wolk van liefde”, een eerenaam voor Kwan Yin, en hangen aan weerszijden tabletjes af met in gouden karakters: „De wijze Tathagata van het witte lotus terras” en „De In-zichzelf-bestaande van het schoone bamboebosch.” Daar voor de chineezen karakters heilige dingen zijn wordt de eerwaardigheid van zulk een beeld door dit opschrift nog verhoogd. En het zou heiligschennis zijn na te laten, op den 1en en 15en der chineesche maand, er wierookstokjes voor te branden. Het staat dan ook heel mooi, de teêre blauwe wierookwolkjes te zien opdampen, langzaam rijzend, en droomend, voor het stille, glanzende beeld.
Uit de beelden van zulke kunstenaars is de Kwan Yinfiguur in hoogste uiting voelbaar, véél zuiverder dan uit al de legenden en dubieuze Soetra’s. Kwan Yin is dan ook geen hoogste ideaalfiguur voor mij geworden vóór ik die oude kunst had gezien. En ik weet nog zoo goed den tijd, en de straat, en de omgeving, toen ik voor het eerst dat sublieme vrouwenbeeld zag, alsof ik op dien dag de vrouw had gevonden, die ik liefhad. De smalle, donkere straat in de chineesche stad, armoedig en vuil, en het onaanzienlijke winkeltje, met het grove, grijnzende gezicht van den ouden sjacheraar die het voor mij had opgespoord. En daar, op die smerige toonbank, in die omgeving, zonder nis, was het blanke beeld, wonder glanzende. Dan het loven, en het bieden, en het groote, groote verlangen om het aan te vatten met heel zachte vingers, en weg te dragen, ver weg van deze misère, naar mijn vertrouwde kamer, bij mijn boeken en al mijn intieme dingen! En dit bijna religieuze verlangen, bang, bevend voor de slimme, ongevoelige tronie van den kwanselaar, wetend dat hij let op iederen trek van mijn gezicht, iedere trilling van mijne handen! En dan het weggaan, met kloppend hart, bijna schreiend, omdat hij meer wil hebben dan ik met de grootste moeite kan missen. Dan een maand, in zenuwachtige spanning, zonder nieuws, tot eindelijk de antiquair zelf bij mij komt, om weer te beginnen met het ignobele gebied, en dan eindelijk accoord, en naar zijn winkel aan den overkant, waar ik het lang-verlangde krijg. En nu zie ik mij weer in mijn’ grooten draagstoel zitten, op de schouders gedragen van magere, naakte koelies, het beeld voorzichtig tusschen mijne knieën, zoo door den goudmist, die in winterschemeringen over de duistere, chineesche straten droomt, door de vreemde woeling van gele menschen heen, met overal geruisch en geschreeuw, en het bommen van gongs in de verte. En dan het uitstappen aan de kade, en haastig in den sampan, van Amoy terug naar het mooie eilandje Ku-Lang-Su, waar mijn huis staat.
Ik zie nog de zee, in het weifelend licht van den vallenden avond, zoo rustig en sereen. Ik zie nog de bergen van het vasteland, ten Westen, met hun roodgouden glans, waarlangs vage wolken droomen. Ik zie de hooge rotsen van het eiland, statig-stom oprijzend in de lucht. Ik zie de bergen in het Oosten zacht wegnevelen in grijzenden mist, en vage, dofgouden zeiltjes wenkende en wuivende over het water, en het droevige, roode lichtje ergens, van een vuurtoren, en heel vér die wondere mysterieën van mijmerend licht en stervende lijnen aan de horizonnen der zee.
En o! hoe duidelijk zie ik het nog, zooals het nu voor mij staat, even helder, hoe ik het blanke, blanke beeld hield in mijne handen, hoe ik het aanstaarde en staarde, en voel ik hoe gelukkig ik was, dat ik dit lichte wezen had gered uit die duistere stad. En die bergen, die rotsen, die zee, die vage horizonnen, zij zullen altijd voor mij blijven, zooals ik ze zag op dien avond, toen ik haar met mij medenam naar mijn eigen huis, die lichte godin van liefde en genade, Kwan Yin.
Dit beeldje is wel een van de grootste wonderen van kunst, gemaakt uit materie, die ik ooit heb gezien. Het is blank en transparant als een sneeuwwitte wolk, waarachter maanlicht schijnt. Het lijkt gekristalliseerd uit lichten aether en sterrenglans. Het heeft een zacht, puur schitterend licht, als scheen werkelijk door dat broze porselein die goddelijke ziel, die van Kwan Yin is. Het zit zoo lucht op de blanke bladen van den lotus als ware het enkel lichte schijn, zonder zwaarte, als maneglans op een lelie. In het doorzichtige porselein beeft héél even een vaag weifelend, teer rose licht, als op het moment, als het eerste morgenlicht zich zacht beweegt in den nacht.
De dunne armpjes lijken wel stengels van lotussen, zoo fijn, het gewaadje is om de knieën en langs de beenen geplooid met teêre vouwtjes, rein-wit, en lucht als golfjes licht.
Deze broze, teedere dingen zijn om te zetten in een stille, vertrouwde kamer, met zware gordijnen van zachte couleur, temperend het harde, schelle daglicht, waarin ze staan als vreemd en koud. Ze zijn om te zien ’s avonds, thuisgekomen, vrij van het leêge gepraat over menschen en zaken, moê van het zien in de wisselende bleekheid der altijd veranderende dingen. Geen hevig licht van gas of gele olie. Dáár staan de lotuslampen van zacht-blinkend tin, de wijze, stille bloemen, die haar groote, blanke bladen ontvouwen in kuische eerwaardigheid. Zij dragen de ballonnen van donkerrood en licht lilas, waarin de heilige kaarsen worden ontstoken.
En in dit reine bloemenlicht, in de nissen van roze en blauwe zijde, in dat zachte, vaag-droomende licht, schijnen de beelden óp in hun allerreinsten staat; hun innigste, pure leven, als dood in den harden dag, schittert nú op in zuiveren zieleglans. In de bleeke realiteit van den dag doen zij hun leven niet zien, die teêre, kuische, als maagden, hun ziel ontbloeit alleen in het zachte licht van een schemerenden droom. Dán blinkt hun blanke lichaam van wonderen glans, en roerloos zijn ze, hun ziel van licht schijnende om hen heen, want hunne oogen zien de horizonnen van het eindelooze.…