← Table of contents
Kwan Yin

DE CHINEESCHE HEL.

Reading edition

I.

Zooals algemeen bekend is, neemt de Noordelijke boeddhistische school, die men gewoonlijk de Mahâyana noemt, het bestaan aan van een hel, in welke de zielen voor de op aarde begane zonden moeten boeten. De chineesche hel is uit het indische boeddhisme overgenomen, maar heeft een geheel eigenaardig chineesch karakter gekregen.

Zij is verdeeld in tien gebieden—tjen—, elk met een koning aan het hoofd. Elke „tjen” is weer verdeeld in achttien groote en zestien kleine afdeelingen. Zij liggen onder den bodem der oceanen, in het rijk der duisternis. In die hellen heerscht, als op aarde, een mandarijnenregeering. De koning heeft zijne hooge en lage ambtenaren, in verschillende gewaden, met verschillende teekenen van waardigheid. Hij zit behoorlijk voor de mandarijnentafel, en de zielen, door soldaten opgebracht, komen knielende binnen om hun vonnis aan te hooren.

Kwan Yin, de Godin der Genade, bezocht na haren dood, als prinses Miao Sjen, met den geest Hwang Lung, den Gelen Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, de hellen.

Toen het eerwaardige gezelschap aan de grenzen van het Rijk der Duisternis was gekomen, ging het Gouden Jongetje voorop, naar den duivel die voor de poort de wacht hield. Toen deze die van licht schitterende verschijning zag aankomen, dacht hij: „dit is zeker een of andere geest uit de westelijke regionen”, en vroeg dus heel beleefd: „Groote Geest, wat voert U herwaarts?” Het Gouden Jongetje zeide: „Ik ben het Gouden Jongetje, dat in het Paleis van den Jaspis-Vijver voor den zetel van de Gouden Moeder, Kin Mu, staat, en ik ben uitgezonden met den Gelen Draak en het Edelsteenen Meisje, om de prinses Miao Sjen de hel te laten zien. Weest dus zoo goed, dit te gaan berichten.” De duivel bracht dit bericht over aan den mandarijn Saan Tso Fah, die dit grensgebied regeerde. Toen deze zulke aanzienlijke gasten hoorde aandienen, liet hij direct de tafel met wierook gereed maken, en beval zijn gevolg, de staatsiekleederen aan te trekken. Toen liet hij de prinses in de voor-binnenzaal, en verrichtte hij voor zijne gasten de hooge beleefdheidsceremonieën.

De prinses vroeg: „Waarvoor dient toch de poort op deze plaats?”

—„Hier wordt de naam der menschen opgeschreven, die gestorven zijn,” antwoordde de mandarijn. „Van hun goed en kwaad, dat hier onderzocht wordt, maak ik een verslag op. Zij, die hun ziel verreind hebben, en wier deugden en werken volmaakt zijn, gaan naar de hemelsche gewesten om daar eene betrekking te krijgen. Volgens de oorzaak, door hun werk gecreëerd, ontvangen zij de albewustheid der geesten en wordt er voor hen op aarde wierook gebrand. Degenen, wier goed werk wel bestaat, maar nog niet geheel volmaakt is, gaan van het eerste hellegebied direct naar het tiende, en behoeven niet door de acht anderen. Zijn zij in het tiende hellegebied gekomen, dan wordt, volgens hun vroegere verdiensten, hun kleeding en tractement vastgesteld, en worden zij weer in het leven als mensch geboren, òf rijk òf arm. Het goed wordt, als het minder is, van het kwaad afgetrokken, en volgens het overblijvende kwaad wordt dan gestraft. En omgekeerd.”

De prinses zeide hierop: „Deze betrekking van U lijkt mij nogal ellendig toe. Kunt U ook promotie maken?”

De mandarijn antwoordde hierop bevestigend, daar Shang Ti, de opperste God, wel het kwaad strafte, maar ook het goede beloonde. Als hij dus maar goed oppaste kon hij hoogerop komen.

Toen vroeg hem de prinses: „Ik heb gehoord, dat hier een Spiegel der Zonde is, waarin de dingen, die de menschen gedaan hebben, worden weerspiegeld, en die goed en kwaad weêrkaatst. Is dat werkelijk zoo?”

„—Óf het,” antwoordde de mandarijn. „Dat zijn heusch geen leêge praatjes!”

Daarop ging het gezelschap verder, en zagen zij een ander hoog ambtenaar, den „Beslisser-Mandarijn” genaamd, die op last van den koning van het eerste hellegebied, de prinses kwam begroeten. Deze Beslisser bracht haar bij een hoogen spiegel, op een voetstuk. Een roodgebaarde duivel, met groen gezicht, en slagtanden, had juist een mensch gegrepen, en hem gedwongen, voor den spiegel neer te knielen. Ter zijde stond een mandarijn die, met het hoofd knikkende, zijne bevinding met een penseel opschreef in een boek. De prinses vroeg, wat dit toch wel moest beteekenen, en de Beslisser antwoordde, dat deze mensch op aarde veel zonde had gedaan, en die maar niet wilde bekennen. Daarom werd hij nu voor den alles weerkaatsenden spiegel gebracht. De mandarijn die ter zijde stond, schreef alles op, om de straf te kunnen bepalen, die de zondaar moest ondergaan.

Zóo sprekende, wandelde het illuuster gezelschap verder op, tot voor den zetel van den hellekoning Tseu Kwang. De koning excuseerde zich, dat hij de prinses niet reeds eerder was komen begroeten, en bewees haar de gebruikelijke beleefdheden.

Hij geleidde de prinses en haar gevolg nu verder in zijn gebied. Twee scharen menschen waren elk aan eene zijde van den weg verzameld. De eene schaar lachte en scheen vergenoegd, de andere was in groote vreeze, en lag geknield.

Toen de prinses nader om zich heen keek zag zij een houten tablet boven den koninklijken zetel, waarop geschreven stond: „Het Eerste Helle-Gebied,” en een rol neêrhangend papier met het opschrift: „De Spiegel der Zonde is helder. Duizend booze plannen kunnen hier niet verborgen blijven.”

Miao Sjen vroeg, wat de menschen daar deden, en hoe het kwam, dat sommigen lachten, en anderen schreiden. En de koning antwoordde:

„Die daar, met die blauwe kleederen, heeft den familienaam Lao en den eigennaam Poe Sien. Hij had een hart als de goede Oorsprong van Hemel en Aarde. Hij deelde overal aalmoezen uit aan armen en ellendigen. Die daar met het groene kleed heet Kang Siu Tik. Deze heeft zijn geheele leven lang het beschreven papier vereerd en verzorgd, soetra’s en stukken uit de heilige Kings opgezegd, nooit vleesch gegeten, en de menschen vermaand tegen het dooden van levende schepselen. Hij heeft bruggen en wegen hersteld, en was geen dag van zijn leven in ledigheid. Die daar met het gebloemde kleed is Tin Ti Go. De eerste dertig jaren van zijn leven wist hij niet wat goed en kwaad was, en zijne zonden waren velen. Op zijn een en dertigste jaar ontmoette hij iemand, die hem tot bewustzijn riep en hem deed ontwaken. Toen deed hij een gelofte om den heiligen Tao Teh King van Lao Tsz’ op te zeggen, en zich uit te putten in gaven voor de armen en ellendigen. Door zijn gedrag en zijn werken maakte hij alles weder goed. Nu is hij gestorven, twee en zeventig jaren oud. Die daar met dat andere groene kleed, het gescheurde, is Tshi Lip Tsi, die van jongs af aan alleen plantaardig voedsel at. Zijn geheele familie was arm en leed altijd gebrek, maar toch bleef hij goed, hetzelfde mensch tot aan zijn dood toe. Die vrouw daar in het blauw is Hong Si, gehuwd met zekeren Ang. Haar man leerde het vak van varkensslachter. Zij bad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat den Hemel, om hem tot inzicht te doen komen. Zij smeekte hem, toch niet te dooden, en eindelijk verliet hij de zonde en volgde het goede. Man en vrouw, en hunne geheele familie werden vegetariërs.

„Over deze vijf menschen wordt volgens de wet beslist. Ik heb reeds een rekwest voor hen opgezonden, en als hierop een gunstige beschikking komt, geleid ik ze de hel uit, den weg op naar de hemelsche paleizen.”

Eigenaardig is deze epizode voor de karakterizeering der chineesche ideeën omtrent de hel. Zóó ingegroeid is bij de chineezen het idee van een mandarijnen-regeering, en zóó innig is het genot en het verlangen om mandarijn te zijn, dat zij zich geen hel, en ook geen hemel, kunnen voorstellen, waar het niet evenzoo zou toegaan als op aarde. Er worden missives en rekwesten opgezonden naar de opperste Godheid, er komen gunstige beschikkingen, er zijn registers en boeken, waarin namen worden opgeteekend, er is promotie en degradatie, in één woord, er heerscht dezelfde autocratie, en ook dezelfde bureaucratie, als in het ondermaansche. Zonder dat is er nu eenmaal geen plezier aan.—Of er ook omgekocht en geknoeid kan worden, staat niet vermeld, maar dat is wel waarschijnlijk. Een chinees in de hel of in den hemel blijft nu eenmaal een chinees. En in het vervolg van dit stuk, als ik van koning T’ai Tsung vertel, zal de lezer zien hoe goed het in elk geval is kruiwagentjes te hebben in de hel.

De hellekoning ging voort:

„Die daar met dat vuile kleed, die daar knielt en schreit, heet Ho Hin Jen. In een vorig leven werd hij arm en ellendig geboren, maar zijn hart en zijn Oorsprong waren goed. Vol liefde gehoorzaamde hij steeds zijn ouders, en twee-en-veertig jaar lang was hij vegetariër. Hij deelde aan de armen driehonderd drie-en-zeventig paar strooien schoenen uit, en leefde zelf in gebrek. Hij herstelde op vier plaatsen hobbelige, slechte wegen. Toen stierf hij, zooals hij geleefd had. Hij deed het hart van den Hemel ontroeren, zoodat hij in een volgende incarnatie werd geboren in de familie van een hoog mandarijn, en zijn levensduur werd vastgesteld op zes-en-tachtig jaren. Wie had gedacht dat hij, eenmaal rijk en geëerd, van zijn oorsprong zou afdwalen? Van af een gewoon mandarijn klom hij op tot minister. Hij bespotte zijn opperheer en verguisde het volk. Hij misbruikte zijn macht om menschen ten onder te brengen. Hij vernietigde het leven van negentien menschen, en sloeg twee zijner huisgenooten dood. Hij beroofde drie-en-zestig huisgezinnen van hun goed. Hij was begeerig naar schatten en lekker op eten, en doodde daarvoor meer dan driehonderd en zeventig duizend levende schepselen. Toen nam de Hemel vier-en-twintig jaren van zijn levensduur af, en tot straf ging bovendien van zijn vroegere verdienste een geheele graad weg. Daarom is hij nu op twee-en-zestigjarigen leeftijd gestorven.

„Deze twee menschen hebben misdaden begaan. Binnenkort zullen zij naar het tweede gebied worden gevoerd, om daar te boeten voor hunne zonden.”

De prinses, wier hart een groote genade was, die over álle zonden heenvloeide, werd van weedom bevangen bij het zien van zóóveel leed. Zij sprak eene prediking uit van zoo transcendente kracht, dat zij de zonde aller zondaren zuiverde, en de zielen der lijdenden in het eerste hellegebied overvoerde naar den Hemel.

Toen schreed Miao Sjen met haar gevolg naar het tweede gebied, waar koning Ch’u Kiang regeerde. De koning ontving haar zeer deftig, en begon met haar te vertellen, dat het hier eigenlijk de bodem van een grooten oceaan was, onder een gloeienden steen gelegen, en dat zijn hel in achttien groote en zestien kleine afdeelingen was verdeeld. De prinses zag boven zijn zetel een houten tablet met het opschrift: „Voel naar uw hart, en vraag dan U zelf af”, en daarnaast een rolprent, waarop was geschreven: „Het hart is als een pijl. De lach verbergt een mes. Hier kan men precies de ellende te weten komen van pijlen en messen.”

De Gele Draak verzocht den koning eerbiedig, of Zijne Majesteit zoo goed wilde zijn, de hellen te laten zien, waarop de vorst beleefd antwoordde, dat hij dit bevel dadelijk zou gehoorzamen. Daarop ging de koning het gezelschap voor.

Eerst kwam de Berg der Messen en Lansen. Dit was een berg, beplant met messen en lansen, als met bamboe, waar mannen en vrouwen op werden neergesmeten door duivels. De koning legde Miao Sjen uit, dat dit menschen waren, die met vergiftige praatjes hadden gelasterd, familieleden van elkander hadden vervreemd, en anderen geld hadden afgezet en ongelukkig gemaakt.

Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het derde gebied, van Soeng Ti.
Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het derde gebied, van Soeng Ti.

Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het derde gebied, van Soeng Ti.

Een tweede afdeeling was een steile berg, met olie bestreken, waaronder diepe afgronden. Hier werden zondaren met geweld door duivels afgeworpen. Zij stootten en kletterden in hun val tegen de scherpe steenen, dat het bloed als een rivier van den berg stroomde. Het was een afgrijselijk gezicht, en vol afschuw vroeg de prinses, wat dit toch moest beduiden. En de koning zeide onbewogen, dat dit de gerechte straf der menschen was, die de leer der Boeddha’s hadden verguisd, en de wetten des Hemels geschonden.

Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het vijfde gebied, van Yen Lo.
Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het vijfde gebied, van Yen Lo.

Volksvoorstelling van de chineesche hel.—Het vijfde gebied, van Yen Lo.

Toen kwam de afdeeling der slachterij. Het weêrklonk er van een oorverdoovend gehuil. De koning vertelde, dat hier de vrouwen geslacht werden, die, onbewust van hun Oorsprong, niet van hun echtgenoot hielden en van hun schoonmoeder, voorkinderen van hun man verwaarloosden, en een hart vol vergif hadden.

Een volgende afdeeling was de hel der onthoofding. Hier werden menschen met koorden vastgebonden, en daarna onthoofd, onverschillig of het armen of rijken waren.

En zóó nog vele andere afdeelingen, overal gevloei van bloed en tranen, en gekerm en gehuil van gepijnigde zondaren.

Weer werd het Miao Sjen zoo droef te moede, dat zij in extaze van medelijden een innig liefdevolle prediking uitsprak en de Dhyâni-Boeddha Amitâbha te hulp riep, om de verdoemde zielen te verlossen. En ziet! Een donderslag daverde, een bliksemstraal flitste, en een mirakel veranderde de hel in een goud-rossige wolk van lotusbloemen. Een groot Licht voerde de zondaren ten Hemel.

Toen dit werk volbracht was schreed Kwan Yin naar het derde gebied. Koning Soeng Ti, die hier regeerde, ontving haar met muziek en gezang, en veel ceremonieel. Boven zijn zetel prijkte een houten tablet met de woorden: „Het kleinste heeft nog altijd macht, zelfs een kleinigheid zult gij niet verkeerd doen. Als het ongeluk over u hangt, hoop dan maar niet op redding, want de vergelding komt voor ieder naar zijn aandeel”. Evenals de vorige potentaten geleidde Soeng Ti zijne gasten welwillend door de hellen.

In een van dezen werden de zondaren door duivels met een zwart touw aan de rechterhand en de linkervoet opgehangen. Dit waren menschen, die op aarde de zwakken verdrukt hadden, en hen beroofd van gronden en eigendommen. In een andere werden de zondaren aan ijzeren pilaren gebonden, en dan door duivels met messen de oogen uitgestoken. Dezen hadden het geschreven papier verwaarloosd, en graven geschonden. Met een slecht hart en lage gedachten hadden zij vrouwen en meisjes van anderen begeerd. In een derde hel werden de verdoemden in weegschalen gewogen, terwijl een mandarijn nauwkeurig de gewichten van hun goed en kwaad opteekende. Dit waren de kooplieden, die op aarde valsche gewichten hadden gebruikt, en nu op hun beurt óok werden gewogen, ter bepaling van hun straf. In weêr een andere afdeeling werden de slachtoffers aan palen gebonden, waarna duivels hun de huid afscheurden en levend vilden. Dit waren de misdadigers, die andere menschen hadden gewond en vermoord op aarde.

Weêr werd het lijden te zwaar voor de oogen van de Godin der Genade. Zij sprak vol geestdrift een nieuwe prediking uit, en een groot Licht herschiep de hel in een wit lotusterras, en voerde de verloste zielen naar de eeuwige gewesten over.

Grimmige duivels smeten de zondaren in vijvers van ijswater, staken hun dorens in den mond, en goten gloeiend gesmolten ijzer in hun keel. Dit waren de lasteraars, die door hun praatjes huwelijken deden mislukken, of oneenigheid tusschen echtgenooten hadden gestookt. Andere zondaren werden naar een hoog terras gesleept, vanwaar zij de aarde konden overzien, waar hunne kinderen op het slechte pad waren, de nagedachtenis hunner ouders verguisden, en tot den bedelstaf werden gebracht, of wel, duivels rukten dien verdoemden lever en longen uit, en hakten hen door de lendenen in tweeën. Degenen, die indertijd meisjes en vrouwen hadden verleid, zagen zich de tong en het hart uitgesneden, om later als kippen of honden weer geïncarneerd te worden. Mandarijnen, die vroeger van hun macht misbruik hadden gemaakt om het volk te bestelen, werden als rijst door duivels met groote mortieren in een vijzel fijngestampt. Taoistische en boeddhistische priesters, die de indertijd door verreining der ziel verkregen kennis der natuurgeheimen ten kwade aangewend hadden om andere menschen in ’t verderf te storten, werden op een plank heen en weer geschuurd, tot de beenderen vergruisden en het bloed stroomde. Andere zondaren werden door duivels met haken in afgronden van vuur gesleurd, omdat zij vroeger bosschen in brand hadden gestoken en zoo de daarin wonende beesten hadden gedood, of wel door duivels met roode baarden en groene gezichten op een ijzeren spijkerbed geworpen en dan onder ijzeren planken gesmoord. Weêr anderen werden in een vijver gesmeten, waar vergiftige slangen kronkelden,—dezen hadden er op aarde pleizier in gehad om slangen en schildpadden dood te slaan, en visschen en garnalen te eten;—of wel, zij werden in een vuurkuil gedrongen, omdat zij vroeger huizen in brand hadden gestoken en daarvan gebruik gemaakt hadden om te stelen. Ook werden er op planken gebonden en met zagen doorgezaagd. Een andere verschrikking was een brug, twee-en-zeventig vademen lang en maar zeven en twee tiende duim breed. Aan weerszijden van de brug zweefden duivels met stokken en haken, en in de rivier beneden zwommen slangen en honden. De verdoemden moesten in allerijl over de brug, en verloren hun evenwicht door de op hen gerichte haken. Er waren er maar weinigen die veilig overkwamen; de meesten vielen in het water, sommigen nog op het laatste eindje, en werden daar door de beesten verscheurd.

Ook hier redde Kwan Yin’s gebed alle zondaren uit deze verschrikkingen en voerde hen naar de hemelsche gewesten over.

Maar hoe dan, als die menschen, al werden zij eens gelukkig herboren, met de herinnering aan al die doorgestane folteringen in de hel, moesten leven? Ook dáár was behoorlijk voor gezorgd, zeide de koning. En hij geleidde de prinses naar een theehuis, waar de zondaren bij massa’s door duivels werden ingedreven om thee te drinken. Hier werd hun de thee der vergetelheid ingeschonken, en wie deze ééns gedronken had, wist van al de doorgestane smarten niets meer af.

Ook dit gezicht was te, overweldigend voor de zachte zinnen der Maagd van Genade. En door een nieuwe, innige prediking, werd ook het tiende hellegebied door het mirakel van hare Liefde getransformeerd in een geurig lotusparadijs, en stegen de zielen, voor goed ontkomen aan de omwenteling des Levens, in allerzuiversten staat òp naar de gewesten der gelukzalige Boeddha’s.

Zóó ver kunnen de chineezen het tegenwoordig niet meer brengen. Zoo in eens álle zielen uit de hellen voor goed verlossen is ook wèl wat véél. Maar, lach niet, beste lezer, want het is heusch adorabel van naïefheid, den armen stakkerts een maand vacantie bezorgen uit het hellevuur, dát kan er nog wel meê door, en dát gebeurt dan ook!

Uit die voor ons, verstandige menschen, nietwaar? zoo tamelijk ridicule opvatting van de hel—waar bijna alle chineezen vast aan gelooven—zijn heel gemakkelijk eenigen der voornaamste principes van het oorspronkelijke boeddhisme te halen. Ze zijn heusch nog zoo gek niet, die verhaaltjes. En wat er aan ten grondslag ligt, is alles behalve belachelijk. Ten eerste de leer van „Yin Kwo”, van Oorzaak en Gevolg, dat wat de indische boeddhisten Karma noemen. De leer dus, dat de mensch zichzelf met het goede ten laatste beloont, en met het kwade straft, zichzelf, en niet anderen; dat zijn geluk of ongeluk van nu het produkt is van zijn goed en kwaad in een vorig leven, zooals hij nu bezig is, zijn volgend leven te creëeren. Ten tweede, de leer der transmigratie door wedergeboorte. Ten derde, de leer der verreining, de leer dus, dat men door steeds het spiritueel goede te doen en zich van het kwade te bevrijden, door dus zijn Karma te verzorgen, aan de reïncarnatie kan ontkomen, en het eeuwige zieleleven kan verkrijgen. En ten vierde, de leer, die wondere leer, die een zoo subliem reine vrouwenfiguur schiep als Kwan Yin, de blanke Godin van Genade,—dat intenze liefde de macht heeft, om zelfs andere menschen te redden, en te reinigen van zonden.

Ik hoop, dat deze zeer serieuze ideeën den lezer eenigszins het kinderachtige en eng-griezelige van die helle-verschrikkingen zullen vergoeden, en speciaal den lezer in Indië, die gedurende de vacantie der geesten door de chineesche kampen moet, waar op lange stellages de varkens, en schapen, en geiten, en allerlei verdachte chineesche manisans liggen te stinken, in den afschuwelijken rook van walmende olielampjes en brandend offerpapier.

Van den chinees, die in al de bovenverhaalde verschrikkingen gelooft, is het echter te begrijpen, dat hij de arme, verhongerde geesten eens een lekker beetje gunt, vooral als het ten slotte,—wat werkelijk het geval is, nadat zij er onzichtbaar de essence van hebben verorberd,—in zijn eigen maag verdwijnt!

II.

Ik kan nog maar niet uitscheiden over de chineesche hel. Ik houd toch zoo van zulke vertelseltjes! Ik houd toch zoo van dingen, die niet waar kunnen zijn, waar allerlei vreemde wonderen in gebeuren; ik houd toch zoo van een beetje dwaas en onpractisch, en van een beetje wild en onmogelijk, van den hak op den tak, en van dolle fantasieën en paradoxen. En daarom houd ik zeker zoo van dat aanbiddelijke, dolle sprookjesboek „de Zwerftochten in het Westen”, „See Yü”, een fabelenboek van een chineeschen Grimm, dat in China bijna elke gewone koelie kent, en waar ik nog zoo dikwijls in zit te lezen, in gespannen verwachting van de nieuwe mirakelen, die er nú weer zullen komen, vooral als ik weer voor een tijdje genoeg heb van het gekriebel en gedoe in onze lieve vaderlandsche literatuur. De taal in de „See Yü” lijkt wel wat op gestamel, het boek is niet geschreven in den klassieken stijl der Kings, maar in het colloquial, zooals de lui praten in huis, en de sprookjesvertellers op den hoek van de straat. De geleerden zien er op neer. Maar wat een verbeeldingskracht, wat een naïef praten, wat een voor ’t vaderland weg doorgallopeeren, door ’t wilde heen, en altijd weer ergens onverwachts terechtkomen!

Ik zou zoo gauw niet klaar zijn, als ik al de wonderen in dit kostelijke boekje wilde oververtellen. Maar dat van de chineesche hel, hoe de groote koning T’ai Tsung daar ter verantwoording wordt geroepen, en hoe hij daar een kruiwagentje heeft, net precies zooals je er een noodig hebt in Indië, en hoe hij daar beren maakt, en, wat nog mooier is, die eerlijk terugbetaalt ook, dát zou misschien nog wel gaan.

Daar zal ik dan tevens mee kunnen aantoonen, dat de chinees niet alleen met den hemel, maar ook met de hel „des racommodements” kan hebben, en dat het altijd goed is, hooge ambtenaren te vriend te houden, want die kunnen na hun dood nog invloedrijke posten in de Hel bekleeden, al is het dan ook niet in den Hemel.

Het was ten tijde van keizer T’ai Tsung, dat in de toenmalige hoofdstad van China, Ch’ang Ngan, twee goede vrienden woonden. De een was een visscher, genaamd Ch’ang Shau, de ander een houthakker, die Li Ting heette. Op een goeden morgen zaten zij in een wijnhuis wat te eten en te drinken. Toen zij daarna een eindje langs de rivier opwandelden vroeg Li Ting: „Zeg, broeder Ch’ang Shau, je vangt iederen dag zoo’n hoop mooie visschen en garnalen, welk geheim middeltje heb je daar toch voor?”

De Draken-Koning verandert zich in een Siu Ts’ai en raadpleegt den wichelaar.
De Draken-Koning verandert zich in een Siu Ts’ai en raadpleegt den wichelaar.

De Draken-Koning verandert zich in een Siu Ts’ai en raadpleegt den wichelaar.

„Wat zou ik voor een geheim middeltje kunnen hebben?” antwoordde Ch’ang Shau. „Aan de westelijke poort staat op straat een geleerd waarzegger die wichelstokjes verkoopt. Dien geef ik elken dag een mooien karper cadeau, en daarvoor wijst hij mij het goede plekje aan om mijn vischtouw in neêr te laten. Zoo is het vandaag óók gegaan, en ik heb volop gevangen. Morgen zal ik wat wijn koopen en je eens tracteeren.”

De Draken-Koning volgde dezen raad op, veranderde zich in een deftigen, in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar de westelijke poort van Ch’ang Ngan. Dáár informeerde hij naar de woning van den wichelaar, klopte aan, en werd door dezen heel beleefd ontvangen en uitgenoodigd om te gaan zitten.

„Zoudt u mij ook kunnen zeggen,” vroeg de koning, „wanneer er regen zal vallen?”

Daarop begon de wichelaar met zijn wichelstokjes te werken en zeide het volgende versje op:

„De wolken dwalen boven de bergen,

Mistdampen bedekken het woud en het graan;

Als ik wichel wanneer de regen zal neerzegenen,

Is het antwoord: „op morgen.””

Toen vroeg de Zee-Draken-Koning: „Op welk uur dan morgen, en hoeveel regen zal er zoowat vallen?”

De Zee-Draken-Koning zeide lachende: „Zulke woorden mag je niet uit gekheid uitspreken, mannetje! Als morgen juist op de tijden, die gij bepaald hebt, precies zooveel regen valt, zal ik u vijftig ons goud geven tot belooning. Maar als er geen regen komt, òf niet op den bepaalden tijd en in de bepaalde hoeveelheid, dan zal ik uw voordeur kapot trappen, uw uithangbord vernielen, u uit Ch’ang Ngan jagen, en u niet meer toestaan, hier de menschen te bedriegen.”

„Zooals u wilt,” zeide de wichelaar kalmpjes.

Hai Lung Wang, die niets wist van regenen op morgen, ging verheugd naar zijn rijk in de wateren terug, in het vooruitzicht, den gehaten wichelaar den volgenden dag zijn wraak te doen gevoelen. Hij vertelde de leugenachtige voorspelling omtrent den regen aan zijne volgelingen over, en allen lachten den wichelaar uit, en riepen: „Hoe durft hij zulke valsche praatjes te verkoopen!”

Plotseling riep een stem uit de lucht: „Draken-Koning, ontvang het bevel!”

帝大皇玉

De Hemelgod Yü Ti.
De Hemelgod Yü Ti.

De Hemelgod Yü Ti.

Allen keken omhoog, en zagen een in gouden kleederen gedoschten afgezant van den oppersten Hemelgod Yü Ti, die een bevelschrift uit de hooge regionen kwam brengen. De afgezant daalde in het water neder, overhandigde de missive, en verdween weder omhoog, de wolken in.

En waarlijk! Het bevelschrift bevatte de strikte order, om den volgenden dag regen te doen vallen, precies op denzelfden tijd, in dezelfde hoeveelheid als de waarzegger had voorspeld! Er mankeerde niets aan. Hevig verschrikt riep de Draken-Koning uit: „Waar moet het op die manier heen, als zoo’n stuk mensch de geheimen weet van Hemel en Aarde? Dan blijft er niets over dan mij aan hem te onderwerpen!”

Maar zijn vertrouwde minister zeide: „Wat voor moeite zou het kosten, hem te overwinnen? Laat, o groote koning, wèl regen vallen, maar verander de tijden en de hoeveelheden een beetje, dan zal die schavuit van een wichelaar wel in zijn schulp kruipen!”

Toen de Draken-Koning met dit werk gereed was, veranderde hij zich weer in den in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar het huis van den wichelaar. Dáár gekomen begon hij dadelijk het uithangbord, de penseelen en den inktsteen in stukken te slaan, en riep schimpend: „Wel, durf jij de menschen te bedriegen met je geleuter! Het is nu eens lekker niet uitgekomen, en nu maak je maar als de weêrga dat je uitknijpt, dan zal ik je deze misdaad vergeven, waar de dood op staat!”

Maar de wichelaar glimlachte eens kalmpjes en zeide: „Ik ben niet strafbaar met den dood, maar ik ben bang dat gij het wèl zijt. Gij zijt geen Siu Ts’ai, gij zijt de Rivier-Draken-Koning, en gij zijt ongehoorzaam geweest aan het bevel van den Hemel-God, en hebt op uw eigen houtje de tijden en de maten veranderd, en dus de Wetten des Hemels weêrstaan. Ik vrees dat gij moeilijk aan het zwaard zult ontkomen, en nu komt gij waarachtig mij nog uitschelden!”

Toen sloeg de angst den armen Draken-Koning om het hart, en zijn geheele lichaam begon te beven. Hij knielde voor den wichelaar neder en smeekte hem, toch niet boos meer te zijn, en hem een redmiddel aan de hand te doen.

De waarzegger kreeg medelijden met hem. „Ik kan u zelf er niet uit helpen,” zeide hij, „maar ik weet, dat degene, die u dooden moet, Wei Ting zal zijn, de opperrechter van koning T’ai Tsung. Ik kan u dus aanraden T’ai Tsung om hulp te vragen.”

De koning vroeg hem wie hij was, en nu vertelde Lung Wang hem, dat hij de Draken-Koning was, dat hij gezondigd had tegen den Hemel, en nu zou moeten sterven door de hand van den opperrechter Wei Ting, als de koning dit niet verhinderde. Toen kreeg koning T’ai Tsung medelijden en zeide vertroostend: „Als ’t alleen maar die kwestie met Wei Ting is, wees dan maar gerust, hoor, ik zal u er wel uit helpen”. Vol vreugde ging de Draken-Koning weg, na zijn weldoener innig te hebben bedankt.

Toen T’ai Tsung wakker werd, dacht hij ernstig na over zijn droom. Het was een gewichtig geval. Hij had zijn woord gegeven aan den Draken-Koning dat hij hem redden zou, en dat moest hij tot elken prijs houden, wilde diens dood niet op hem zelven neêrkomen. Daarom besloot hij, alle civiele en militaire mandarijnen op te roepen aan zijn hof. Hoe schrikte hij, toen hij zag, dat Wei Ting niet was opgekomen! Dadelijk zond hij nog een speciaal bevelschrift naar den opperrechter, om op staande voet te verschijnen. „Als hij maar eenmaal binnen is, laat ik hem er niet meer uit,” dacht hij. Wei Ting had juist dien nacht een droom gehad. In dien droom was hem een hemelgeest verschenen met een order van Yü Ti, den oppersten Hemelgod, waarin geschreven stond, dat hij ín het derde kwartier van het uur Wu den Rivier-Draken-Koning moest onthoofden. Daarom was Wei Ting niet naar het hof gegaan, maar thuis gebleven om zijn groot tweesnijdend zwaard op te poetsen en te scherpen.

Toen echter het speciale bevel van den koning kwam, moest hij wel gehoorzamen, en ging in allerijl ten hove. Hij smeekte T’ai Tsung, hem zijne ongehoorzaamheid te vergeven, wat genadig werd toegestaan. Nu zond T’ai Tsung al de andere hovelingen weg, en liet alleen den opperrechter blijven. Om den tijd te korten stelde hij hem voor, een partijtje te schaken. Het werd een interessant spel, toen, juist in het derde kwartier van het uur Wu, de opperrechter plotseling met het hoofd op de armen in slaap viel. De koning was hier in ’t geheel niet boos over, daar hij nu zeker was, dat de gevaarlijke rechter niet het paleis uit kon. Langzamerhand begon Wei Ting sterk te zweeten, en zijn gezicht vertoonde een uitdrukking van woede, terwijl hij allerlei zenuwachtige trekkingen met armen en beenen begon te maken, zooals een hond die droomt dat hij op de jacht is. T’ai Tsung kreeg medelijden met hem, en denkende dat hij aan nachtmerrie leed, begon hij hem met zijn zijden waaier koelte toe te wuiven. Dit bracht blijkbaar verfrissching aan, want daarna werd de slapende rustiger.

Maar o wee! wat had de koning gedaan! Wei Ting’s ziel was in zijn droom uit het lichaam gegaan om den Draken-Koning te zoeken. Toen deze hem zag aankomen zette hij het op een loopen, en er volgde een jacht op leven en dood. De riviergod was een fameus looper, en Wei Ting, hoeveel moeite hij ook deed, zou hem niet ingehaald hebben, en werd op ’t laatst zóó afgemat, dat hij ten achter raakte. Maar het was juist op dat oogenblik, dat koning T’ai Tsung den droomende begon te bewaaieren. Deze koelte gaf Wei Ting’s lichaam, en dus ook zijn ziel nieuwe krachten, en spoedig had nu de opperrechter zijn slachtoffer ingehaald en hem het hoofd afgehouwen!

Toen de ziel haar plicht gedaan had, keerde zij in het lichaam terug, en Wei Ting werd wakker. Hoe schaamde hij zich, toen hij zag, hoe oneerbiedig hij was geweest! Maar de goede koning vergaf hem gaarne, en stelde voor, het partijtje schaak uit te spelen. Juist wilden zij beginnen, toen de twee grootvizieren des konings, de hooge mandarijnen Sü Meu Kung en Tseu Shuh Pao binnentraden met een van bloed druipend drakenhoofd in de handen, en dat voor T’ai Tsung nederlegden. Zij vertelden hem vol schrik, dat dit hoofd zooeven uit de wolken was komen vallen.

T’ai Tsung vroeg in grooten angst aan den opperrechter, wat dit moest beteekenen. En toen biechtte Wei Ting eerlijk alles op, hoe hij van Yü Ti het bevel had ontvangen om den Draken-Koning te onthoofden, en hoe hij dat zoo juist in zijn’ droom had ten uitvoer gebracht. Toen verschoot T’ai Tsung van kleur, en voelde, dat hij voor dien dood zou moeten boeten.

En de straf zou niet lang uitblijven. Toen de koning den nacht daarop te bed lag, hoorde hij plotseling voor zijn deur een klagend gekerm, en daar trad de Draken-Koning binnen, met zijn bloedend hoofd in de handen! Op hoogen toon riep het spook uit: „Koning der Thangs, geef mij mijn leven terug! Gisteren nacht hebt gij mij beloofd, mij te redden, en hoe durfdet gij nu uw opperrechter uitzenden om mij te onthoofden? Ik zal deze zaak met u uitmaken voor Yen Kiün, den Hellekoning!”

T’ai Tsung weende tranen bij tuiten, en knarsetandde van angst. Toen verscheen een in ’t wit gekleede vrouw, die met een schepter het spook gebood heen te gaan, dat daarop ijlings verdween. Is het noodig te zeggen, dat dit Kwan Yin was, de Godin der Genade, die met koning T’ai Tsung nog zooveel ándere groote plannen voorhad?

Nu wilde de koning niet meer slapen zonder wachten. Iederen nacht waakten in het paleis de dapperste krijgers, en voor zijn deur stonden de twee beroemdste helden-generaals, met ontbloote zwaarden. Het spook kwam niet meer terug, maar de koning werd elken dag zwakker en zwakker, en voelde ten laatste dat hij sterven ging. De geheele koninklijke familie was aan het sterfbed vergaderd. De koning was razend van wanhoop, want hij wist dat de doode Rivier-God hem in de hel had aangeklaagd en hem daar opwachtte. Maar op het laatste oogenblik kreeg de opperrechter Wei Ting nog een gelukkige ingeving.

„Wees gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Uw gehoorzame onderdaan heeft een uitstekend middeltje, om U nog een lang leven te verzekeren. Uw vroegere onderdaan, wijlen mijn vriend de Minister van Eeredienst, is op ’t oogenblik Beslisser-Mandarijn in de onderwereld. Hij heeft mij juist laten weten, dat hij nu ook belast is met het bijhouden van het Leven-en-Dood Register. Ik zal U dezen brief voor hem medegeven, en als U hem dien maar overhandigt, ben ik zeker, dat hij U weer naar de aarde zal doen terugkeeren.”

„Wie zijt gij?” vroeg de koning.

„Vroeger op aarde was ik Minister van Eeredienst,” antwoordde de beleefde wegwijzer, „maar nu ben ik Beslisser-Mandarijn hier in het hellegebied. Ik heb al Uw zaak met den Draken-Koning onderzocht, en ben nu expres hier gekomen om U den weg te wijzen.”

T’ai Tsung voelde zich nu heel wat prettiger, en riep verheugd uit: „Dan heb ik hier een brief voor u, van mijn opperrechter Wei Ting!”

De Beslisser las den brief, en begreep daaruit, hoe wonderlijk alles zich op aarde had toegedragen, en hoe de arme koning er was ingeloopen.

„Wees maar gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Ik zal U wel weer op aarde terug krijgen. Als U nu maar eens mede wilt gaan.” En hij geleidde den koning naar de hellen. T’ai Tsung werd naar een kolossalen zetel gevoerd, waar de tien koningen der tien hellegebieden waren gezeten. De hellekoningen kwamen behoorlijk van hun’ zetel af om den menschen-koning te begroeten, en met hem de gebruikelijke beleefdheidsceremonieën te verrichten. Toen zeide Tseu Kwang, de koning van het eerste hellegebied:

„De Rivier-Draken-Koning heeft U hier aangeklaagd, dat U hem beloofd had, zijn leven te redden, en hem toen juist hebt laten dooden. Wat is hier van aan?”

Toen vertelde T’ai Tsung eerlijk, hoe alles gebeurd was, precies volgens de waarheid.

De hellekoningen—die het alreeds wisten natuurlijk—geloofden hem, en zeiden: „Het was tóch al lang geleden besloten, en in het Leven-en-Dood Register opgeteekend, dat de Draken-Koning in dezen tijd door de hand van een’ opperrechter zou moeten sterven. Nu zullen wij hem weer in het Wiel der Omwenteling zetten, en in ’t leven nieuw geboren doen worden. Maar hoe is het met Uw levensduur gesteld? Beslisser-Mandarijn, haal eens even het Register!”

Koning T’ai Tsung van de Thang-dynastie.
Koning T’ai Tsung van de Thang-dynastie.

Koning T’ai Tsung van de Thang-dynastie.

De tien hellekoningen konden toen niet anders dan T’ai Tsung vergunning geven, naar de aarde terug te keeren. Onze koning, die om alles dacht, vond nu, dat hij van deze zeldzame gelegenheid moest gebruik maken, om nog eens méér te weten te komen, en vroeg beleefd, of men hem ook zou willen zeggen, hoe het met den levensduur van de leden zijner familie stond. Het register werd even geraadpleegd, en er werd hem geantwoord: „Daar staat het best meê. Maar alleen Uw keizerlijke zuster Li Yü Ying zal het niet lang meer maken, vreezen wij.”

Toen vroeg T’ai Tsung, wat hij den hellekoningen zou mogen aanbieden, om hen voor hun goedheid te bedanken. En de tien koningen antwoordden: „Wij hebben hier gebrek aan meloenen uit het Zuiden.”

„Als wij op aarde terug zijn, zullen wij U meloenen zenden,” beloofde de koning. Daarop boog hij eerbiedig. Een duivel met een vlag ging hem toen voor, om hem den weg te wijzen, en de Beslisser-Mandarijn volgde hem. En nu werd T’ai Tsung een tochtje door de verschillende hellen aangeboden, waar hij al de verschrikkingen zag, die de zondaren hadden te doorstaan. De koning voelde zich allesbehalve op zijn gemak, en beefde van angst over al zijne leden. Eindelijk was hij met zijne geleiders door eenige hellegebieden gekomen. Na een poos geloopen te hebben kwamen zij bij een stad, „de Stad der onrechtvaardig gedooden”. Hier woonden de geesten der menschen, die eigenlijk nog niet moesten gestorven zijn, volgens het register, maar door onvoorziene ongerechtigheden der menschen gedood waren. Met deze geesten zaten de hellekoningen verlegen, want zij behoorden eigenlijk nog niet in de hel, daar zij niet vóór hun tijd konden overgevoerd worden, en ook niet op de aarde, daar zij dood waren.

Toen die geesten den koning hoorden aankomen liepen zij in groote scharen uit, en versperden den weg. Het waren siniestere gestalten, sommigen zonder hoofd. „T’ai Tsung,” schreeuwden zij, „geef ons het leven terug!”

De koning klappertandde van angst en riep: „Beslisser, toe, red mij!”

De Beslisser antwoordde: „Ik heb niet veel over hen te zeggen, maar als U hun wat geld geeft, zullen ze U wel doorlaten.”

Maar ongelukkig had T’ai Tsung geen cent op zak. Hij had wel een brief medegenomen naar de hel, maar aan geld had hij niet gedacht. „Hoe kom ik nu aan geld!” riep hij in wanhoop uit.

Gelukkig wist de Beslisser raad. „Op aarde, in de provincie Ho Lam, in ’t district K’ai Fung, woont een zekere Siang Liang. Deze heeft dertien schatkamers goudstukken naar hier gezonden. Als Uwe Majesteit een schuldbekentenis wil onderteekenen, zal ik er U met genoegen een schatkamer van leenen. Als U op aarde zijt wedergekeerd, zendt U het geld aan Siang Liang zelf terug. Dan strooit gij nu de goudstukken maar allen onder deze hongerige geesten, en zij zullen U stellig doorlaten.”

De koning teekende haastig het verlangde stuk, en strooide het geld onder de gretig grabbelende geesten. En de Beslisser riep hun nog toe:

Zonder verdere ongelukken kwam de koning nu buiten het territorium der hel. De Beslisser wees hem een groot paard, dat voor hem gereed stond, en raadde hem aan, zich maar door dit beest te doen leiden, dan zou hij van zelf wel weer in zijn eigen rijk terechtkomen.

T’ai Tsung bedankte zijn welwillenden Mentor, sprong in het zadel, en.…. rrrrt! daar vloog het wilde paard in pijlsnelle vaart vooruit, met duizelingwekkende snelheid over velden en bosschen, en toen plotseling met een plons halsoverkop in een diepe zee. Toen verloor de koning het bewustzijn.….

Inmiddels stond in het paleis de doodkist met zijn lijk in de groote staatsiezaal. De vrouwen en verwanten weeklaagden en jammerden bij de baar, en reeds wilde men den kroonprins tot koning uitroepen, toen opeens uit de doodkist een stem werd gehoord, roepende: „Dat scheelde weinig of ik was dood!”

Alle aanwezigen schrikten om het hardst, en een paar vrouwen vielen flauw, denkende een spook te hooren. De grootvizier, die een dapper man was, boog zich over de kist en riep: „Wat kan er zijn, dat het hart van Uwe Majesteit verontrust. Zeg het ons dan, maar laat niet Uw geest hier komen spoken en schrik verspreiden!”

Maar de stem antwoordde: „Het is mijn geest niet, ik ben het zelf!”

De doodkist werd opengebroken, en ziet! de koning sloeg de oogen op, en leefde weer!

„Als ik maar een geest was geweest zou ik dat ongeluk in de zee niet overleefd hebben,” zeide de koning.

„Een ongeluk in de zee? Welk ongeluk?” vroeg men hem verbaasd.

En nu vertelde de koning, hoe het paard hem in den oceaan had geworpen, en waar hij vandaan kwam.

Dien nacht sliep T’ai Tsung heel rustig, zoodat hij zich den volgenden dag weer geheel hersteld voelde en vol levenskracht.

Met groote vreugde hoorde het volk de tijding van zijn herleven, en er waren groote feesten over het geheele land. De koning schonk amnestie aan alle misdadigers, richtte weeshuizen op, en schonk promotie aan velen zijner ambtenaren, ter eere van het heuglijke feit.

Zoodra de eerste drukten wat over waren, begon T’ai Tsung te denken over het vervullen der belofte, en het betalen der schuld, die hij in de hel gemaakt had. Het laatste was het gemakkelijkste. Hij zond den hertog van Ngoh naar het district K’ai Fung om Siang Liang op te zoeken, en gaf hem de waarde van een schatkamer gouds mede, om de schuld eerlijk af te doen. Toen de hertog in het district was aangekomen, hoorde hij tot zijn verbazing, dat Siang Liang maar een heel arme man was, die met zijn vrouw in een schamel hutje woonde, en leefde van den verkoop van drinkwater en steenen potten en pannen. Maar deze arme stakkert was tegelijk een heel goed en vroom mensch, die zich tevreden stelde met het hoogst noodige eten, en de rest van zijn weinigje geld gebruikte voor aalmoezen aan monniken, en vooral voor het koopen van offerpapier, dat hij trouw verbrandde voor de geesten. Nu was de zaak duidelijk. Dat offerpapier, schijfjes grof geel papier, met zilver- en goudgeld er op geteekend, stijgt immers op, en wordt door een wonder in werkelijk geld veranderd, duizend, honderdduizendvoudig, naar gelang van de intensiteit der deugd die haar verbrandde, der oorzaak, die dat mirakel creëerde! En zonder aarzelen ging de hertog van Ngoh naar de hut van Siang Liang. Toen de deugdzame man den schitterenden hertog met zijn gevolg zag aankomen, viel hij met zijne vrouw voor hem op de knieën, en sloeg met het hoofd op den grond.

„Sta op, eerwaarde grijsaard,” sprak de hertog. „Ik ben de afgezant van den koning, en kom u de goudstukken terugbetalen.”

Hevig verschrikt vroeg Siang Liang: „Wat zou ik, verachtelijk wezen, voor goudstukken uit hebben staan? En hoe zou ik dan deze schatten durven aannemen, waar ik de afkomst niet van weet?”

Toen antwoordde de hertog: „Ik heb ook gehoord, dat gij maar een arme drommel zijt. Maar gij hebt altijd aalmoezen gegeven aan monniken, en offerpapier verbrand, en dat is nu in de hel al een groote schat geworden. Toen onze koning in de hel was, heeft de Beslisser-Mandarijn hem daarvan een schatkamer geleend, om aan de geesten te geven, op voorwaarde, dat hij het later op aarde weer aan u zou teruggeven. Gij kunt het dus gerust aannemen.”

Toen bogen Siang Liang en zijne vrouw eerbiedig voor Hemel en Aarde en zeiden: „Als dat geld afkomstig is van offerpapier, dan blijft de zaak toch duister en van een andere wereld. Wij kunnen het onmogelijk aannemen.”

En hier bleven zij bij. De hertog slaagde er niet in, hen te overreden, en rapporteerde dit aan den koning. Toen gelastte T’ai Tsung hem, om met dat geld op die plaats een groot klooster op te richten. Aan weerszijden van den tempel werd een levensgroot beeld geplaatst, het eene van Siang Liang en het andere van zijn vrouw. Die beelden werden nog gedurende hun leven door ieder bezoeker aangebeden. En het klooster stond overal in den omtrek in een reuk van groote heiligheid.

Zóó was de schuld in geld behoorlijk door den koning voldaan. Maar nu de tweede, de belofte. Hoe woord te houden, en de meloenen naar de hellekoningen te zenden? Dit was een moeilijk geval. Hij liet overal plakkaten aanplakken, door het geheele rijk, waarin hij lieden uitnoodigde, die genegen waren voor den keizer meloenen te brengen naar de hel. En gelukkig meldde zich kort daarop iemand aan. Hij was een schatrijk man uit Kiün Chow, genaamd Lao Ts’üen. Deze Lao Ts’üen was getrouwd met een beeldschoone vrouw, Li Ts’ui Lien, van wie hij innig veel hield, maar wie hij het leven erg lastig maakte door zijne overdreven jaloerschheid. Op een goeden dag was er een monnik komen bedelen, die er heel hongerig en haveloos uitzag, en de goede Ts’ui Lien, die een medelijdend hart bezat, schonk hem een gouden haarnaald uit haar kapsel. Toen was Lao Ts’üen woedend geworden, en had haar verweten, dat zij stellig een oogje op dien monnik had en overspel met hem pleegde. Dit was te veel voor de eerzame vrouw. Zij ging onmiddellijk naar haar kamer, en hing zich op. Lao Ts’üen was niet te troosten, en toen hij de oproeping van den keizer las, was hij blij, zulk eene goede gelegenheid te vinden om zijn vrouw in de hel terug te zien. De koning was erg in zijn schik toen hij zich aanbood, en wees hem een zijner paleizen, het Gouden Priëel, waar meloenen in overvloed waren. Lao Ts’üen ging daarheen, at met smaak een partijtje mooie meloenen, nam daarop vergif in, en stierf. Zijn ziel toog uit het lichaam, en ging, behoorlijk voorzien van de pas verorberde meloenen, die nu weer gaaf en blinkend waren, naar de hel. Hij werd aan de poort uiterst beleefd door een duivel ontvangen, die hem naar den zetel leidde van den hellekoning Yen Lo Kiün. Lao Ts’üen knielde neder, en bood den koning eerbiedig de meloenen aan. Yen Kiün was zeer verheugd, en zeide tevreden: „Dat is me nu eerst eens een keizer die zijn woord houdt, die T’ai Tsung!” Daarna informeerde hij naar den naam van den afgezant. En Lao Ts’üen vertelde hem, hoe hij heette, hoe hij zijn vrouw verloren had, Li Ts’ui Lien, en hoe hij, zonder haar niet kunnende leven, ook maar gestorven was. En de hellekoning vond deze geschiedenis zóó aandoenlijk, dat hij dadelijk een duivel gelastte, Ts’ui Lien in de tien gebieden op te zoeken, en bij hem te brengen. Voor de securiteit liet hij zich meteen even door den Beslisser het Register van Leven-en-Dood aanreiken. En dat was volkomen in orde, want zoowel Lao Ts’üen als zijne vrouw bleken bestemd te zijn om later wijze Geesten te worden, en den eeuwigen levensduur dier uitverkorenen te genieten.

Kort daarop kwam Ts’ui Lien veilig en wel aan, en viel haar man in de armen. Alles was vergeven en vergeten. Yen Kiün gelastte daarop een duivel, om de beide zielen weer op de aarde terug te brengen. Maar de duivel antwoordde: „Dat zal met Ts’ui Lien moeilijk gaan, vrees ik. Want haar lichaam is al te lang geleden dood gegaan, en door het ophangen is het hoofd van den romp gescheiden.”

Daar had de hellekoning zoo gauw niet aan gedacht! En een vrouw zonder hoofd, daar had Lao Ts’üen niet veel aan! Toch wist hij er spoedig iets op te vinden. Er stond namelijk in het Register, dat T’ai Tsung’s jongere zuster, Li Yü Ying, juist om dezen tijd sterven moest. Wat nu eenvoudiger, dan de ziel van Li Ts’ui Lien in het lichaam van de prinses Li Yü Ying weer te doen herleven? En de hellekoning gelastte twee duivels om het echtpaar weer in het leven terug te geleiden, Lao Ts’üen naar het Gouden Priëel, waar zijn lijk nog lag, en Ts’ui Lien naar het koninklijk paleis. En zóó gebeurde het, dat toen de prinses Li Yü Ying wat in den tuin van het paleis liep te kuieren, zij plotseling door een duivel werd aangegrepen en gedood, zoodat haar ziel het lichaam ontvlood, dat als een lijk bleef liggen. Zóó vonden de kamerjuffrouwen hun meesteres dood in den tuin, en in allerijl liepen zij naar den koning, om de treurmare mede te deelen. Maar wat zij niet wisten was, dat toen de ziel der prinses uit het lichaam was getogen, de duivel gauw de ziel van Ts’ui Lien, Lao Ts’üens vrouw, er voor in de plaats had gezet. T’ai Tsung riep bij het hooren der jobstijding uit: „Helaas! wat de hellekoningen mij voorspeld hadden is dan toch uitgekomen!”, en spoedde zich naar den tuin, om de geliefde zuster nog eens te zien. En kijk! zij scheen toch niet dood te zijn, want het hart klopte nog zwakjes, en er was nog een beetje ademhaling zichtbaar. De koning beurde haar met de hand op en riep: „Keizerlijke zuster, ontwaak! ontwaak!”

De prinses, ten minste het lichaam der prinses maar met de ziel van Ts’ui Lien er in, richtte zich op, en riep: „Lieve echtgenoot, loop toch wat langzamer, en wacht een beetje op mij!” T’ai Tsung zeide: „Ik ben hier bij U, keizerlijke zuster!”

Het lichaam sloeg de oogen op en zeide: „Wie zijt gij, die mij durft aan te raken?” En de koning: „ik ben uw oudere broeder, de keizer”.

„Wat?” riep de prinses, „wat zou ik voor een keizerlijken broeder hebben? Ik ben een vrouw uit het volk, mijn familienaam is Li, en mijn eigen naam Ts’ui Lien, en mijn man heet Lao Ts’üen, uit Kiün Chow. Ik heb mij opgehangen, omdat hij aan mijn eer twijfelde, en toen werd hij door den koning der Thangs naar de hel gezonden, om meloenen cadeau te geven. Yen Kiün, de hellekoning, had medelijden met ons, en heeft ons weer in ’t leven doen terugkeeren. Maar Lao Ts’üen heeft een beetje harder geloopen, en daarom ben ik nu hier alleen, en is hij vooruit.”

Maar de koning wilde er niets van gelooven. Want het lichaam was precies dat van de prinses, zijn zuster, dezelfde gelaatstrekken, dezelfde oogen, hetzelfde haar. Totdat plotseling Lao Ts’üen zelf verscheen, in levenden lijve. De prinses herkende hem dadelijk en vloog, tot groote verbazing van den keizer, in zijn armen. Toen deed Lao Ts’üen een uitvoerig verhaal van zijn lotgevallen in de hel, en eindigde met uit te leggen, hoe Yen Kiün, de hellekoning, besloten had, de ziel zijner vrouw in het lichaam van de keizerlijke prinses te reïncarneeren. Nu moest T’ai Tsung het wel gelooven. Hij schonk Ts’ui Lien al de bezittingen en kostbaarheden van de prinses, en gaf haar aan Lao Ts’üen tot vrouw. Eigenlijk was het ook nog zoo erg niet. Want, al was Li Yü Ying’s ziel verscheiden, T’ai Tsung kon toch altijd haar liefelijk lichaam zien, alsof zij nog steeds leefde. En wat Lao Ts’üen betreft, al was het stoffelijke omhulsel zijner geliefde echtgenoote verloren, hij bezat toch nog altijd haar ziel, wat toch het voornaamste is van een vrouw, en Li Yü Ying, de prinses, wier lichaam die ziel had opgenomen, was óók een heel mooi meisje, waar hij even dol verliefd op raakte als vroeger op zijn bruid. En van zijn jaloerschheid was hij nu voor goed genezen.

Het is onmogelijk, over chineesche sprookjes en legenden te spreken, zonder vanzelf bij het chineesche tooneel terecht te komen. Want voornamelijk door het tooneel worden zij bij de chineezen zoo bemind. Als kleine kleuter, vóór hij nog lezen kan, staat de chinees al met open mond en roode ooren van inspanning uren voor het tooneel al die wonderen te aanschouwen, en eerst later leest hij er van in de goedkoope volksboekjes van eenige cash, die zich gemakkelijk laten lezen, omdat zij in de volkstaal zijn geschreven.

Het lijkt nog al „eng”, voor ons Westerlingen, die chineesche hel met al die afgrijselijkheden. Wij zouden er ’s nachts liever niet van droomen. En wij zouden het afschuwelijk vinden, aan zoo iets te denken bij den dood van onze ouders, of onze vrienden, en bij gelegenheid hunner begrafenis ons hun ziel voor te stellen in de hel, overgeleverd aan de verfijnde martelingen der woeste duivels. Het is om van te rillen, dat idee, nietwaar? Maar een chinees is veel meer vertrouwd met den dood en het donker mysterie daarachter dan wij. Een chinees wandelt langs de graven, die zijn geheele land over verspreid liggen, zonder ooit één bevinkje van de rilling te voelen, die ons ’s nachts zou overvallen, als wij ons verdwaald zagen op een kerkhof, liefst precies om twaalf uur. Een chinees krijgt van zijn eigen kinderen een doodkist cadeau, zooals wij een kop en schotel „voor uw verjaardag”, en zet die op een plek in huis, die hij iederen dag voorbijgaat. Hij is zelfs een bevoorrecht wezen, als hij het zoover gebracht heeft in de kunst van Fung Shui, dat hij een geschikte plaats kan gaan uitzoeken voor zijn eigen graf. En hij heeft elken dag gemeenschap met alle mogelijke geesten van voorvaderen en oudere verwanten, en is heilig overtuigd, dat de geheele atmosfeer bevolkt is door honderdduizenden spoken van allerlei aard.

Waarom zou hij zich dan ook niet verdiepen in de sombere mysterieën der hel, als zijn vader of zijn moeder dood is? Het is dan namelijk de gewoonte, om tooneelvoorstellingen te geven, die de hel in geuren en kleuren voor de treurende achterblijvenden vertoonen. Als zoo iets wordt gespeeld is het publiek nog veel grooter dan anders.

Vreemd volk!

Stel u voor, dat een chinees zijn moeder verloren heeft, van wie hij innig veel hield, zooals chineezen doen, zoo goed als Europeanen. Hij weet, dat haar ziel naar de hel gaat, even zeker als hij weet, hoeveel cash er in een dollar gaan. En stel u dan verder voor, dat hij, terwijl het lijk nog boven aarde staat, kalmpjes een komedie-troep engageert, en die vlak voor zijn deur de hel laat vertoonen, waar zijn moeder nu juist naar toe is! Men moet maar sterke zenuwen hebben, of in ’t gehéél geen zenuwen! Onder de vele stukken, die bij die gelegenheid worden gespeeld, is de geschiedenis van Lao Ts’üen, die de meloenen gaat brengen, een der populairste. De hel wordt daarin voorgesteld in tien tafereelen, correspondeerende met de tien hellegebieden, waarvan ik verteld heb bij het bezoek van Kwan Yin met haar gevolg aan de onderwereld.

Het eerste tafereel, zooals ik het voor het laatst in China vertoond zag, stelt voor Lao Ts’üen, die voor de poort der Hel wordt opgewacht door den Beslisser. Deze ziet er in het geheel niet siniester uit, maar is een hoog mandarijn, in een prachtig donkerbruin zijden gewaad, met den breeden jaspisgordel om, en een langen witten baard. Ook Lao Ts’üen ziet er keurig uit, en dat moet dan ook, want hij is een afgezant van den keizer. Deftig stapt hij, in een groen gewaad met gouden draken, met heel wijde mouwen, en nu en dan zijn langen baard even uitstrijkend, wat een chineesch tooneelspeler met een gratie doet, waarmede ik nog nooit een Europeaan aan zijn baard heb zien komen. Zij buigen heel diep voor elkaar, de twee eerwaarde mannen, en zingen heel vreemde melodieën op bizarre muziek, waarvan men de beteekenis weten moet, om alles goed te begrijpen. Twee duiveltjes, jongetjes met zwart gemaakte gezichten en roode lippen, dragen een mand met enorme meloenen achter Lao Ts’üen aan.

Hierna brengen koelies twee bamboestokken en een touw, en in een minimum van tijd is hierover een wit doek gespannen, dat fluks dicht wordt geschoven. Dit is niets meer of minder dan de poort van de hel. De muziek begint een heidensch lawaai te maken, om het leven te overstemmen, dat de koelies maken, die achter het doek de hel aan ’t opslaan zijn. Lao Ts’üen en zijn begeleider blijven doorzingen. Totdat opeens het doek opengaat, en een fantastisch, luguber tooneel te voorschijn komt. Achter een tafel met brandende kaarsen zit de hellekoning, een reusachtige potentaat, met vuurrood gezicht vol witte figuren, in een van goud schitterend vuurrood gewaad, waarover een sneeuwwitte baard hangt. Naast hem, ter rechterzijde, staat een duivel met een enormen paardenkop, en ter linkerzijde een met een koeienkop, die er beiden niet te zeggen siniester uitzien. Zij zijn met lange lansen gewapend. Een schaar dienstdoende duivels loopt somber over het tooneel. Er zijn pikzwarte, en groene, en gele, en roode, met klauwen en staarten, en met vuil en bloed bevlekt. Nooit heb ik zulk een uitgelezen troep ongure wezens bij elkaar gezien, en ik hoop maar, dat de goede lezer er niet van droomen zal. Vóóraan staat een soort oven, waar de vlammen uit opstijgen, en waar eenige duivels, door een opening, met blaaspijpen lustig in blazen, grijnzende van de pret.

Plotseling klinkt een oorverscheurend gejammer. Een half naakt, bebloed mensch, met van angst verwrongen trekken, wordt door vier grimmige duivels vooruit gesleurd. In zijn doodsangst trekt hij zijn belagers soms terug, wordt dán weer vooruit gerukt, vlucht weer, wordt weer ingehaald, en worstelt in wanhoop.

Het publiek is ademloos van spanning. Eindelijk is het arme zieltje voor den oven gesleept. Zijn spieren zijn gezwollen van de worsteling, zijn gelaat is afschuwelijk verwrongen, zijn haren hangen los over den rug, en hij kermt met ontzettende jammerkreten. Maar in de hel is geen genade. Met ijzeren drietanden wordt hij opgepikt en in den oven gedeponeerd, waaruit zijn afschuwelijk gebrul nog even opstijgt, en de vlammen opeens hooger opslaan. En korten tijd daarna wordt uit den vuurpoel met een groote vork een gansch verkoold klompje gehaald, en aan het publiek vertoond! En dan, roef! het gordijn dicht, en weer een ander hellegebied klaargemaakt.

Zóó worden alle tien gebieden vertoond. Vooral het vijfde was de moeite waard. Dáár heerscht Yen Lo Kiün, de verschrikkelijkste van allen. Hij had een pikzwart gezicht, met roode, grimmige wenkbrauwen, en een vuurrooden baard, en rooden neus. Zijn gewaad was van zwarte zijde, met een creatie van gouden draken. Hij noodigde Lao Ts’üen uit om te gaan zitten met een afgrijselijk gegil, of hij eigenlijk van plan was om hem subiet den nek om te draaien. Zijn wenkbrauwen bewogen woest, en zijn vurige oogen rolden vervaarlijk. Voor op het tooneel stond een blok bij een paal, waarnaast een enorme zaag.

En onder een hartverscheurend gebrul werd een ontzaglijk dikke vrouw aangesleept, die zich in de afschuwelijkste stuipen wrong van pijn. Zonder complimenten werd zij op het blok gebonden, en twee groene duivels met roode baarden, grinnikend van plezier, en dansend van de jool, begonnen haar buik open te zagen. Ssjjt! sssjüut! ging de zaag, en men hoorde de beenderen kraken. En met groote stroomen vloeide het bloed over het tooneel. Haar vreeselijk gillen scheurde door de lucht.… Ook de smalle Brug der Verschrikkingen was kostelijk. Een lange, smalle plank, over twee stoelen. En aan weerszijden twee kisten, met duivels er op, anders niet. Een chinees heeft nu eenmaal geen décors noodig. Zijn gloeiende fantazie toovert hem de schoonste décors voor met de primitiefste gegevens. Beneden op den grond, die een rivier moet verbeelden, kruipen twee sombere personages, een zwarte duivel met een enormen krokodillenkop vol scherpe tanden, en een groote slang. Een voor een gaan de zondige zieltjes over de brug; de meesten verliezen het evenwicht, bang gemaakt door de drietanden der duivels aan weerszijden, en vallen in het water, waar zij door de slang en den krokodil worden verscheurd. Heel enkelen komen veilig de brug over, kijken de duivels op zijde met een kwaadaardigen sneer aan, en gaan kalmpjes hun weg.

Maar het mooiste van alles was nog het tiende gebied, waar het Wiel der Omwenteling is, dat de zielen zal reïncarneeren. Dit gebied werd eenvoudig voorgesteld door een wit doek met twee deuropeningen, dat over bamboestokken was gespannen. Dit doek deelde het tooneel in twee helften, zoodat het publiek zien kon, wat er achter en vóór gebeurde. En het groote Rad der Omwenteling was een gewoon houten wieltje op een stok, dat lustig aan een touwtje werd rondgesnord. Men vergete hierbij niet, dat dit geen monteering voorstelt, maar enkel het aangeven van het idee. Het publiek moet zijn eigen fantazie laten werken om alles werkelijk te zien zooals het zijn moet.

De zieltjes gingen nu heel eenvoudig één deurtje in, het wieltje draaide even, rrrt! en uit het andere deurtje stapte de reïncarnatie te voorschijn. Maar wat in het eene deurtje inging was héél wat anders dan wat aan het andere deurtje uitstapte. Dat scheelde nog al wat. Bijvoorbeeld een rijke sinjeur, in een prachtig costuum, schitterend van goud en edelgesteenten, die met een voornaam, trotsch air de eene deur binnenstapte, kwam er aan den anderen kant als een havelooze schooier weer uit, die onder een zwaren last liep te zwoegen, om een paar cash te verdienen. Een poenerig europeaantje, met een monkey-jacket aan, een hoogen hoed op, en een lorgnet op zijn neus, die, met een fatterig gebaar zijn opgewipte kneveltjes opstrijkend, het eene deurtje binnenflaneerde, kwam er aan het andere uit als.…. een goor zwijntje, dat knorrende en brommende met bamboeslagen door een chineeschen koelie werd voortgedreven! Een arme stakkert van een daglooner, die nauwelijks loopen kon van vermoeidheid, kwam daarentegen weêr te voorschijn als een heel deftig heerschap, een personage van het Hof, die in een superbe galagewaad, een jaspis staf in de handen, waardig voortstapte, met een aplomb alsof hij al zijn vorige levens lang nooit iets anders gedaan had. En een rijk-uitgedost, dik gegeten mandarijn, die zich vetgemest had met de gestolen gelden van het volk, en die met een verwaand gezicht de eene deur binnenkuierde, of hij óók in de hel over leven en dood te beschikken had, strompelde behoorlijk het andere deurtje uit, gereïncarneerd als een bedelaar op krukken, die jammerlijk een verminkt, met vuile zweren bedekt been vooruitstak.….

Zoo ziet men. Goed baart goed en kwaad baart kwaad. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. De oorzaak werkt, en het gevolg blijft niet uit, is het niet nu, dan in een later leven. En in de hel komt loontje om zijn boontje.

Alleen een allerpuurste, goddelijke Liefde kan die onverbiddelijke wet van het Noodlot veranderen. Kwan Yin redde millioenen zondaren uit de verschrikkingen der hel, en haar gebed verbrak de onverbreekbaar sterke causale keten van hun Karma. En hoe afgrijselijker de verschrikkingen, voorgesteld in de chineesche hel, des te schooner komt de blanke figuur uit van die kuische Maagd van medelijden en genade, van de liefdevolle boeddha Kwan Yin, die in den immenzen ópzwaai van haar bidden de millioenen zielen van zonde naar de paradijzen overvoerde van het eindeloos Nirvana.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie het eerste stuk in dezen bundel: „Kwan Yin”. ↑Note 2 · De chineezen schrijven n.l. niet met een pen, maar met een penseel. ↑Note 3 · Yen Lo (Sanskriet: Yama) of Yen Kiün is eigenlijk de algemeene naam voor alle hellekoningen. ↑Note 4 · De chineezen dachten dat visschen uit water geboren worden. ↑Note 5 · De lezer zal opgemerkt hebben, dat de chineesche verteller hier een beetje in de war is, want waar blijven nu de insecten „uit gedaanteverwiNote 6 · Zie voor détails Prof. de Groot’s „Jaarlijksche feesten en gebruiken der Emoy-chineezen”, 2e deel, van af blz. 333. ↑Note 7 · In Indië heet dit feest „reboetan-feest”, omdat sommige der tafels later door de armen mogen geplunderd worden. In Tandjong Pinang (Riouw) kNote 8 · Deze Rivier-Draken-Koning heeft de stroomen en rivieren, met al hunne bevolking van visschen enz. tot zijn gebied, en veroorzaakt, op last vNote 9 · Literator van den eersten graad, ongeveer „bachelor of arts”. ↑Note 10 · De chineezen hebben twaalf uren in een etmaal. Het uur Ch’an correspondeert met ons 7–9 ’s m., het uur Sz’ met ons 9–11 ’s m., het uur Wu meNote 11 · Van 3–5 ’s nam. ↑Note 12 · T’ai Tsung was toen nog koning, maar later werd hij keizer, de tweede keizer der Thang-dynastie die regeerde van 618–913 n. C.—T’ai Tsung reNote 13 · Men bedenke hierbij, dat een keizer (later werd T’ai Tsung keizer) ook in de hel recht heeft op de noodige égards, als zijnde de Zoon des HeNote 14 · Dit kon heel gemakkelijk gebeuren. Dertien schrijft men in ’t chineesch één tien drie. De voorste één, in ’t chineesch door één liggend streNote 15 · Hoe hij dit deed, door Saan Tsang de Soetra zonder karakters te doen zoeken, heb ik in „Kwan Yin” verhaald. ↑Note 16 · Karakteristiek is de beschrijving der hel in „De oorspronkelijke, echte Soetra van het overvoeren van Kwan Yin”, een totnutoe onvertaald werNote 17 · „Die daar knielt, in het blauwe kleed, en zoo weent, is Li Bo Ting. Hij behoorde tot de literatoren, maar beoefende niet de rechte Leer. MetNote 18 · Toen ging de eerwaardige Kwan Yin met haar gevolg naar de vierde hel, waar koning Wu Kwan regeerde. En zóó achtereenvolgens door al de overiNote 19 · Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der menscheNote 20 · Voorbij het theehuis stond een kolossaal wiel. Dit wiel droeg zes wagens, en draaide langs zes wegen. De duivels waren druk bezig, een schaaNote 21 · Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang Note 22 · Toevallig kwam op dat oogenblik een van de op inspectie uitzijnde geesten van Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning8, voorbij, die het geheeleNote 23 · De wichelaar antwoordde: „Morgen op het uur Ch’an zullen de wolken bijeenkomen, op het uur Sz’ zal de donder komen opzetten, op het uur Wu zNote 24 · Zoo gezegd zoo gedaan. Den volgenden dag kwam een onweder boven de stad Ch’ang Ngan opzetten, met donder, bliksem en regen. Maar op het uur Note 25 · De Draken-Koning volgde dezen goeden raad dadelijk op. Hij ging niet eens naar zijne wateren terug, maar steeg op een wolk, en zweefde naar Note 26 · Kort daarop stierf de koning. Zijn ziel ging uit het lichaam, en ontmoette een schaar ruiters, die hem een paard gaven, en in wilde jacht meNote 27 · En de Beslisser haalde het register, waar de levensduur, en in geval het vorsten zijn, de regeeringsduur der stervelingen nauwkeurig waren oNote 28 · „Al dit geld is voor u, om den dag genoegelijk door te brengen. Als de koning T’ai Tsung op aarde is teruggekeerd, zal ik hem opdragen, een
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings