Note 6 — DE CHINEESCHE HEL.
Reading edition
Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang rondwaren op de aarde. Deze gunst is alweer voornamelijk een gave van de boeddha Kwan Yin, wier medelijdend hart nooit uitgeput raakt van weldaden. Door het lang aangehouden op-bidden van toovergebeden, Tantra’s, aan alle Boddhissatva’s en Boeddha’s ter wereld, maar vooral aan Kwan Yin, slagen de priesters er in, de hellepoorten te openen, en de zielen stroomen met millioenen terug naar de aarde6. Daar de hellen tot het gebied der duisternis behooren, vanwaar de weg in het donker naar de aarde niet zoo gemakkelijk te vinden is, steken de chineezen overal voor hun huis brandende kaarsen en lantarens aan, om hen bij te lichten. En daar de geesten in de hel een alles behalve lekker leventje hebben, worden zij, nu zij dan eens voor een maand „uit” zijn, behoorlijk van alles voorzien. Papieren, waarop kleedingstukken en geld zijn afgebeeld, worden verbrand, om den geesten goede kleeren en zakgeld te geven, en voor de deur zet men allerlei lekkernijen, om hen eens terdege te doen smullen. En om hen wat op te vroolijken en te verstrooien worden de geheele maand door, dag en nacht, tooneelvoorstellingen gegeven. Op den dag van de groote, algemeene offerande is het in de buurt van de tempels een waar Luilekkerland. Geheele straten door worden stellages opgeslagen, waarop een overdaad van voedsel, waar de Rijstenbrij-berg niets bij is.7 Geheele varkens, schapen en geiten, ladingen eenden en kippen, op allerlei wijzen toebereid en versierd, manden aan manden met ooft en vruchten, pakjes opium, sigaren, sigaretten, tabak, sirih, alles wat de geesten maar met mogelijkheid zouden kunnen wenschen, wordt daar rijkelijk voor hen uitgestald, en alles smaakvol en keurig, zooals alleen een chinees dat kan. Men kan er om lachen, en het volk dat zoo iets doet een volk van dwazen vinden, van domme bijgeloovigen. Zeker, dat kan men, en dat doet men dan ook. Maar naïef zijn ze, die chineezen, naïef als kinderen, en daarom,—ik wil het niet goed weten, aldoor zie ik meer slechts en leelijks in hen,—daarom houd ik toch eigenlijk dol van dit volk, zooals ik houd van dwaze, lieve vrouwen, en van kinderen, die gekke dingen doen,—verbeeld je, hoe bespottelijk, hè, hoe kan-je nou zoo iets doen!—maar dingen, die óók aanbiddelijk en charmant zijn van naïefheid, van simpele, zuivere bedoeling, en au fond toch zoo héél, héél goed gemeend!