Note 4 — DE CHINEESCHE HEL.
Reading edition
Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der menschen in eene volgende incarnatie beschikt. Op vier wijzen konden zij wedergeboren worden: uit een baarmoeder, uit een ei, uit water, of uit gedaanteverwisseling, dat is, als zoogdieren, als vogels, als visschen, of als insecten4. Als mensch op zes manieren: met lang leven, met kort leven, rijk, geëerd, behoeftig en verachtelijk, en deze onderling gecombineerd. De prinses vroeg den koning hoe het mogelijk was, dat de zielen door al die pijnigingen in de hel niet geheel vergruizeld en vernietigd waren, maar Ch’wen Lun antwoordde, dat dit heel eenvoudig was. Telkens als er gevaar was voor vernietiging, verfrischte een geneeskrachtige, weldadige wind de gehavende zielen zoodanig, dat zij weer nieuwe pijnigingen konden verduren. Toen maakte de prinses de opmerking, dat in de wereld de slechte menschen juist met voorspoed beloond werden, en de goede met ellende. Dit was toch niet in den haak, vond zij. Maar dit was wel degelijk in den haak, zeide de koning, want die voorspoed en ellende waren gecreëerd door deugd of zonde uit vorige levens, en die hadden deze menschen dan nog te goed. Voor wat zij nú deden zouden zij in een volgend leven wel weer beloond of gestraft worden. Dat kon niet uitblijven. Zoodat ten slotte alles zoo rechtvaardig was, als ’t maar eenigszins wezen kon.