Note 27 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Koning Tsjoang, in woede ontbrand door den sterken wil van zijne dochter, en verontwaardigd, toen kwade geesten hem berichtten, dat Miao Sjen met den ouden wijze in ongeoorloofde betrekking stond, stuurde een leger soldaten uit, die het klooster met de vijfhonderd bewoners verbrandden. Maar Miao Sjen, in de Zaal der drie Reinheden op een kostbaren zetel gezeten, bleef ongedeerd. Toen liet de koning haar naar het schavot brengen, en beval zijn veldheer Kin Chao, de Gouden Klauw, haar te onthoofden. Maar de boeddha Kin Mu, in de hooge regionen, zond hare dienaren Kin Tong, het Gouden Jongetje, en Yü Nü, het Edelsteenen Meisje27 met tal van geesten om haar te beschermen. De veldheer sloeg eigenhandig naar het hoofd der prinses, maar de geesten hielden de Diamanten Bijl28 beschermend boven haar, en het beulszwaard viel in stukken. Koning Tsjoang, dit niet begrijpende, verdacht zijn’ generaal van ontrouw, en liet hem onthoofden. Toen Miao Sjen zag, dat een ander moest boeten omdat de hemel haar beschermde, smeekte zij de geesten, haar niet meer te helpen, en haar te laten sterven. Zij sprak eene prediking uit, die zoo heilig was, dat zij door den hemelkoning in een groot boek werd opgeteekend, en zeide: „Er is een tijd van leven en een tijd van sterven. Ik heb het schijnbare (leven) geleend om het ware te verkrijgen. Het scherpe zwaard kan moeilijk mijn echte Zijn kwetsen.”