Note 6 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Des te wonderlijker is deze gevoelige, pure vrouwenfiguur in een land als China, omdat de meeste taoïstische6 goden, die gelijk met de boeddhistische aangebeden worden, en waaronder de god van den Oorlog—Kouan Ti—wel de voornaamste is, in ’t geheel geen sereene figuren zijn, maar woeste, bijna wanstaltige gedaanten, met grimmig, wild gezicht, een langen baard en dreigende oogen. De vier groote wachters, die aan den ingang van iederen tempel staan, zijn kolossale, afschrikwekkende beelden, grijnzend, en onheilspellend van gebaar. Maar deze zijn dan ook uitvindingen van den lateren tijd en niet meer, zooals Shakyamuni zelf zeide, simpele symbolen van een idee. Een boeddhabeeld is oorspronkelijk de plastiek van de essentieele leer. In de immens rustige trekken van het gelaat is de geheele leer gegeven van de verreining der ziel en de bevrijding der hartstochten, en den stil-starenden blik der half-toeë oogen ziet de aandachtig geloovige gericht naar de verre horizonnen van het eindeloos Nirvana. In de kuische neêrdaling van een arm en de uitgestrekte hand, met de palm naar buiten, is in zéér simpele lijnen uitgedrukt het medelijden, de chariteit voor de menschheid, in het sublieme gebaar van een opgeheven hand, met drie vingers óp en de punten van duim en wijsvinger samen, is eene geheele prediking van de beste dingen der leer duidelijk te voelen. De boeddhistische beelden waren oorspronkelijk volstrekt geen afgoden, maar zuivere symbolen, symbolistische plastiek van de abstracte, hoogste realiteit.—Zij waren dan ook kunst, in den hoogsten zin van het woord, want alle kunst was oorspronkelijk symbool, en werd gemaakt van adoratie voor het goddelijke.