Note 1 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Een Maagd, in zachtlucht gewaad van divien licht, een rayonnant blanke verschijning in de sombere rijen der ontzaglijk strenge boeddhistische goden, een opperste openbaring van vrouwelijke genade, van troost, van vergeving, onder de donkere mysterieën van het onverbiddelijk Karma; het neêrgaande, neigende, zacht-zegenende in het rotsharde, strenge, rechte; zoo is in het chineesche boeddhisme die figuur van de Boeddha van de liefde en het medelijden, met dien zacht zangerigen naam als het zingen van een viool, van Kwan Yin, de Godin der Genade.1