Note 42 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Het stuk werd van den grond opgeheven door teêre, lage pootjes onder randen van kantfijn houtsnijwerk, en was omgeven door een glazen kast, met den achterwand van donkerblauwe zijde. Op een terras, van hetzelfde houtsnijwerk en ivoren pilaartjes, stond, uit bruinzwart, gesneden hout, een rots. Prachtig is het rotsige weêrgegeven, met dezelfde ruwe vormen als in de natuur, zonder gemaaktheid. Op de rots zit de bronzen Kwan Yin, een koraaltakje in het haar, een ivoren boek in de hand, een zilveren parel in het voorhoofd. Zij zit in eene houding, die aan de beelden van Ho Chao Tsung42 herinnert, met opgetrokken rechterbeen, en het linker er onder gevouwen, in het boeddhagewaad Kia Sha.43 Het beeld is van een donker chocoladekleurig brons, van zachten glans. Het lijf is—als dat van bijna alle Kwan-Yinbeelden,—met rechterschouder en borst een weinig achterover gebogen, en de linker naar voren, zoodat het is, of zij zich onmerkbaar zacht nederbuigt, als luisterende naar gebeden, en neigende tot het leed der wereld. Dit gebaar is zoo vaag en zacht, dat het somtijds bijna niet te zien is, en dàn het beeld als ’t ware weer heel even beweegt. De randen van het dof-bruine Kia Sha gewaad zijn fijn bewerkt met zilveren lotussen, als geëtst in het brons. Overal waar de gewade-randen uitplooien schittert die ornamentatie van zilveren bloemen. Zoo is een band van zacht schitterend licht heengedroomd om het donkere beeld, dat het omgeeft met een mystieken glans. En, alsof dit nog niet genoeg ware om het te verheerlijken, droomt tot het beeld òp een zoete, heilige geur van wierook, daar de geheele rots uit wierookhout is gemaakt. Het fijne hoofd van de boeddha staat tegen een ranken, langen bamboetak, die zijn teêre, spitse bladen van zachtgroene kleuren daarachter ontvouwt. Die fijne blaadjes staan zich heel stil te geven achter het wijze vrouwenhoofd.