Note 8 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Zij was in eindeloos genieten. Haar oneindig vér-ziend oog zag, hoe in het Oostelijk Land de menschen in begeerte waren naar wijn, schoonheid en schatten, zéér dwalende. In hun hart was opgesloten de lust naar roem en geld, en zij waren bevlekt van zonde. De groote Wet wentelt rond, en straft en beloont op duizenderlei wijzen. De menschen leven als beschonkenen, in een droom, en sterven. Hunne beenderen worden verstrooid, talloos als bergen. Het slechte straft zichzelf zonder einde. De Eerwaardige voelde, voor zij het zelf wist, een groot medelijden in haar liefdevol hart en sprak: „Vanaf het openen van den chaos tot op dezen dag heb ik de menschen geholpen, heb ik het Oostelijk Land hervormd, heb ik ze overgevoerd door vele gevaren, en ze tot bewustzijn gebracht. Thans, tegen het einde der Chow dynastie8, is het menschelijk hart in groote verwarring, vol doodslag en overspel. De hemel ziet het slechte van al deze levenden. Hoe dit zwarte principe te verdrijven en te versmelten, dat opwolkt in het ledig?