Note 44 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
De mooiste Ho Chao Tsung, die ik bezit, is een beeld van ongeveer vier decimeter hoogte,44 van een wit porselein, met een lichtblauwe tint, als wel eens op melk ligt. Zij is in zittende houding, niet, zooals bij de meeste andere beelden, met gekruiste beenen, maar met het rechterbeen opgetrokken, en het linker er onder gevouwen. De beenen zijn niet te zien, evenmin de armen en handen, want haar enorme wijde, witte gewaad bedekt haar gansche lichaam, behalve het gezicht en de borst. Het gaat héél voorzichtig-zacht over de haren, zóo lucht, dat het niet drukt, maar als een dons is boven het hoofd, valt heel gevoelig langs hals en schouders, met diezelfde intenze teêrheid, waarmede op oude schilderijen der primitieven blanke sluieren droomen langs fijne maagdeslapen, gaat in weinige, statige lijnen langs rug en borst, en valt dan wijd uit om heupen en beenen in een triomf van vrome, wijze plooien. Die bizonder teêre en toch strenge gewadeplooien zijn een apart kenmerk voor een Ho Chao Tsung. Géén ander kunstenaar heeft hem ooit overtroffen in het modelleeren van een gewaad en rijkheid van draperie. Zóo herkende ik later een ander beeld, voorstellende den heiligen priester Tat Mo Tsu Su dadelijk als een Ho Chao Tsung, voor ik zijn merk gezien had, enkel aan de sublieme staatsie, waarmede hij zijn gewaad optilt op beide armen, en dán in een glorie van groote plooien wijd om zich uit laat vallen, als golfde al zijne wijsheid daarmede van hem af. Het porselein, immers zelf zoo mooi glanzend wit van materie, is zoo fijn en gevoelig bewerkt, dat de illusie volkomen is van een echt vrouwenkleed in alle blank- en zachtheid. Al de ondulaties van die plooien zijn door de ziel van den kunstenaar gevormd, enkel zéér zuivere ziele-emotie kon ze zoo statig-streng en toch eindeloos liefelijk doen opgolven, en uitwijken, en weêr neêrdroomen, dat het gewaad van transparant porselein wordt als de ziel van den adoreerenden artiest, die om het lichaam van de godin heendroomt. En dan bij al dat strenge en wijze, dat van een oud, grijs man lijkt te komen, die kleine, innige liefheden, als het héél fijn bewerken van de haren, één voor één getrokken, en het plooien van een rozet op de borst, als gedaan door een meisjeshand en die diadeem van bloemen en pareltjes op het hoofd, en de fijn afgewerkte parelen, allen even rond, van het kruis op de borst. En,—om te kussen van liefelijke gevoeligheid,—onder de plooien van het gewaad komt een gedeelte van een bloote voet te voorschijn, tot in de kleinste fijnheden gemodelleerd, en met gladde ronde nageltjes als bloemebladen, zooals een kindje wel heeft.