Note 41 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.
Reading edition
Het zien en voelen van chineesche Kwan Yinbeelden gaat niet inééns, en voor velen lijken zij op het eerste gezicht te vreemd om mooi te zijn. Het lange, ellipsvormige gezicht is dat van géén chineesche vrouw, de schuin opwaarts welvende oogen lijken onnatuurlijk, de lange oorschelpen te ongewoon. Maar men moet eerst het idee van zich afzetten, in die beelden een natuurlijke gelijkenis van een gewone vrouw te zien. Men moet goed begrijpen, dat de kunstenaar in ’t geheel niet aan een vrouwenmodel is gebonden, en hij alle hulpmiddelen mag gebruiken, die de expressie van zijn beeld verhoogen. Als men maar dikwijls en aandachtig ziet, wordt zulk een gezicht meer en meer expressief, en eindelijk licht voor u op die klare zielevrede, die eindelooze kalmte, die stille uitdrukking van goddelijkheid, die de kunstenaar met zijn beeld bedoelde. Meer dan ééne boeddhistische school leert, dat boeddha niets anders is dan de menschelijke ziel, 41 en zoo is een oud Kwan-Yinbeeld van een groot kunstenaar ook niets dan de afbeelding van de menschelijke ziel, in de gedaante van die vrouw. De ziel in materie weêr te geven lijkt wel onmogelijk, maar toch hebben de chineezen in deze den schijn zoo dicht mogelijk bij het reëele gebracht, en, wat in hout of brons nog zoo moeilijk gelukte, werd tot het hoogste opgevoerd in de kunst der porseleinen, waarin de materie in haar luchtigste, allereerste uiting is gegeven, broos en breekbaar als een droom.