← Table of contents
Kwan Yin

Note 35 — Over chineesch boeddhisme en chineesche kunst.

Reading edition

Hoe dikwijls heb ik niet in dat bedehuis van Kwan Yin gezeten, dat zoo heerlijk aan den voet van hooge rotsen is gelegen, met een vergezicht over groene rijstvelden, bergen en zee! Want de moderne tempels van Kwan Yin, als die van alle andere chineesche boeddha’s, zijn geen heilige monumenten van adoratie, geen paleizen van statie en majesteit zooals de Notre Dame of de Ste Gudule; zij zijn een veilig thuis, een toevluchtsoord, een rustplaats voor moede reizigers. Zij zijn als het huis van een moeder, waar de kinderen altijd veilig en welkom zijn, en waar zij kunnen spelen, eten en slapen. Zelfs beesten weigert men den toegang niet, en dikwijls ben ik te paard den geheelen tempel rond gereden, voor de oogen van de vier reusachtige wachters Kin Kang, zonder dat dit door de priesters bizonder vreemd werd gevonden. Er worden zelfs visschen, honden en runderen gevoed en verzorgd, uit medelijden. En toch doet dit familjaar-vertrouwelijke niets af tot de plechtigheid van de plaats. Want bij een chineeschen tempel is niet de tempel zelf een alleen-staand gebouw, dat ook in een straat of aan een gracht zou kunnen staan, maar het is vooral de omgeving, de kunst van Fung Shui35, die haar waarde bepaalt. En ik weet dan nu ook de schoonheid van dien tempel onafscheidelijk van den somberen, majestueuzen rotsenmuur, die zich grijs-zwart achter hem verheft, van de groote, trotsche boeddhaboomen in de binnenplaats, van de wijde, blinkende rijstvelden, van de teêrgelijnde bergen in de verte, en vooral van het uitzicht op de groote, groote zee. Want een tempel, om een standplaats te hebben, die heilig genoeg is voor de woning van een Boeddha, moet altijd met het front gericht zijn naar de open zee, zooals een menschenziel uitziet in de eindeloosheid.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings