← Table of contents
Kunstenaarsleven te Parijs

Het toilet der Gratiën.

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een coupon had zien liggen in „De Twee Apen”, een bekend modemagazijn, voor welks etalages Mimi’s coquetterie haar godsdienstige plichten dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was, nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn schouder en zeide dan heel ernstig:

„Nou, en hoe staat het met mijn japon?”

„Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!”

Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl zij haar bruin kopje door de gordijnen stak:

„Is mijn japon af?”

„Kijk maar”, antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote, dichtbeschreven zijdjes zien; „ik heb zooeven den corsage gekocht.”

„Heerlijk!” riep Mimi. „Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel blaadjes heb je noodig om een rok te maken?”

„Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel fatsoenlijken rok kunnen hebben.”

„Ik ben niet groot, dat is zoo,” zeide Mimi; „maar het mag toch niet den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt.”

„Heel goed hoor,” antwoordde Rodolphe ernstig, „ik zal tien letters meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen.”

En overgelukkig sliep Mimi weer in.

Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen.

„Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt,” zeide Musette en trok daarbij aan de snor van Marcel, „dan zal ik me verplicht zien een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan.”

„Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben,” antwoordde Marcel; „zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste mode voor je koopen.”

„En wat krijg ik?” vroeg Phémie aan Schaunard. „Mijn peigne noir (zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden.”

Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan zijn maîtresse met de woorden:

„Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig houden: utile dulci.”

Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen.

„Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi,” had Rodolphe gezegd; „maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch; we verdienen bijna even veel als pakjesdragers.”

„Dat is zoo,” antwoordde Marcel, „ik heb niet te klagen: de schoone kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken in den tijd van Leo X te leven.”

„Dat is waar ook,” viel Rodolphe hem in de rede, „Musette heeft mij verteld, dat je de laatste acht dagen ’s morgens vroeg al weggaat en pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel te doen?”

„Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik gecontracteerd, niet met de modellen.”

„En wat mij betreft,” zeide Schaunard langs zijn neus weg, „ik heb, al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen.”

„Laat ze dan voor den donder opstaan!” riep Rodolphe.

„Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen,” ging Schaunard verder; „en ik wil het voor jullie niet onder stoelen en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik me zeker zelf cadeau doen.”

„Maar,” vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, „waar hoop je dat reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?”

„Luistert, heeren,” zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; „we behoeven elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik gekozen, om zijn lot met haar te deelen.”

„Waar natuurlijk een niet op gevallen is,” viel Marcel hem in de rede.

„Nu is het,” ging Schaunard voort, „zelfs al betracht je de grootste zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal.”

„Waar wil je eigenlijk op neer komen?” vroeg Rodolphe.

„Hierop”, antwoordde Schaunard, „dat wij in onzen tegenwoordigen toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen, wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een gelegenheid voordoet, om een cijfer te zetten voor de nul, die ons maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt.”

„Hei, hei!” zeide Marcel, „wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn, er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van mijn toekomstige grootheid!”

„En ik dan?” zeide op zijn beurt Rodolphe; „weet je niet, dat ik sinds veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die, duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard schoenen noodig.”

„Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht, ontsprongen is.”

De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende:

Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen of een plaats als pianist te bezorgen.

„Bliksems,” zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, „u komt als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u werkelijk een goed pianist?”

Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in de achting van zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist, en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard antwoordde dan ook met veel aplomb:

„Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon, en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor het drukken der partituur van de „Dood van de jonge maagd”, mij op uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden.

„Doch hoe het zij,” ging de kunstenaar voort, „een feit is het, dat, waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen.”

De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman, Mr. Birn’n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde, welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag, die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan, in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai, die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat.

„O, deze beest, deze beest!” jammerde de Engelschman, die uit zijn fauteuil opsprong. „Hij zal doen sterven mij.”

Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke, zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu’s van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst doen. In onzen tijd staat het voor een Christen „gekleed” om gezien te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn, zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste, dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben, zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen, dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen hebben, tot een mode-voorwerp verheffen.

De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had drie maanden lang geduld geoefend.

Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle Dolorès aanmelden.

„Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien .... vreeselijken vogel,” en hij wees op de kooi van den papegaai, die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het „God save the King” begroette.

Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn’n eraan toevoegde:

„Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil.”

Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet in de handen van een ander wilde zien overgaan.

„O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne voeten!” zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien.

Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten, toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg.

„Goed, mijnheer!” zeide zij dan ook; „als de arme Coco u last veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult u hem niet meer kunnen hooren.”

Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op.

„Maar toch,” zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, „zou ik liever ....”

„Wees maar niet bang,” viel Dolorès hem in de rede; „van de plek, waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen.”

„O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire.”

Toen echter Mr. Birn’n zich, na een stijve buiging gemaakt te hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje en zeide:

„Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der plaatsen is slechts weinig verhoogd.”

En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental loge-biljetten in de hand.

„Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen,” dacht zij bij zichzelf, „is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan.”

Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had, liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren en vroeg dan naar den prijs.

„De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen haast,” voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn portefeuille voor den dag wilde halen; „ik hoop, dat u, als buurman, mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen.”

Doch Mr. Birn’n antwoordde:

„Ik niet houd van zaken op crediet;” en hij nam een billet van duizend francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen in zijn portefeuille.

„Ik zal u teruggeven,” zeide Dolorès en opende een kastje, waarin zij haar geld bewaarde.

„O, neen,” zeide de Engelschman; „dat is drinkgeld,” en hij ging heen, Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend.

„Drinkgeld!” riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. „Wat een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven.”

Doch deze grofheid van Mr. Birn’n had slechts de opperhuid van haar trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht zich, dat twintig louis d’or toch een aardig sommetje vormden, en dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken.

„Ach wat,” zeide zij tot zichzelf; „je moet niet zoo trotsch zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo, dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken.”

En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn’n had de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven.

Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige beneficiante op het gezicht van haar coulissen-„vriendinnen” heel duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was.

Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de leege loges wees, tot een andere zeide:

„Die arme Dolorès heeft een leeg huis.”

„In de loges zit bijna niemand.”

„En in het orkest geen kip!”

„Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp.”

„En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen.”

„Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in een hiel van een kous kan.”

„Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten.”

„Zij ziet er uit als een gekookte kreeft.”

„Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?” vroeg een der actrices aan haar vriendin. „Ik heb slechts zes francs overgehouden; de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan.”

„Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!”

„Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?”

„Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht, ongerekend de cadetten.”

„Kijk eens, de stalles loopen leeg.”

„Omdat Dolorès zingt.”

Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen (eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen:

„Bravo, Dolorès!”

Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn’n weer wekte, die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen.

Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder wapenstilstand of rust, waarin de beide betrokken deelnemers voor geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat dit Mr. Birn’n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen: dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening, waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar gesteld was. Mr. Birn’n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in bij Mr. Birn’n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed; alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan, zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn’n nam op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk de werkingen van eb en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan.

De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn’n met een proces tot schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting.

„Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?”

„Neen, mijnheer!”

„Als ik niet heb het recht, dan goed,” zeide de Engelschman vol eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. „Het is jammer, ik amuseerde zoo mij.”

En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds een oesterbank gevormd.

Doch daarom had Mr. Birn’n den strijd niet opgegeven; integendeel hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn te treden.

Mr. Birn’n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was zoo’n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om de actrice tot overgave te dwingen.

„Maar milord,” zeide Schaunard; „er bestaat toch een heel eenvoudig middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen: hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren gevraagd was bij paus Alexander VI.”

„Daar ik wel aan heb gedacht,” antwoordde Mr. Birn’n, „maar de dier wordt bewaakt; de piano is zekerder.”

Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem verwonderd aan.

„Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen tot ’s middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u, wat ik verwacht van u?”

„Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis,” meende Schaunard. „Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering had .....”

„Ho, ho!” viel de Engelschman hem in de rede; „ik u ook niet zeg te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo bijvoorbeeld .....” en Mr. Birn’n probeerde een gamma te spelen; „en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde, dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden, daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen zal u goed.”

„Dit nu,” zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men hierboven gelezen heeft, verteld had; „dit nu is sedert veertien dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van ’s ochtends vijf uur tot ’s avonds. Het behoort, strikt genomen, niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand; je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo’n buitenkansje van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen.”

Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi, Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich „in een nieuwe huid te steken”, zooals Schaunard het noemde.

Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen.

„Het is net, of ik goud zweet,” zeide de dichter.

„Ik heb precies hetzelfde gevoel,” antwoordde Marcel. „Als Schaunard nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder kunnen spelen.”

Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen.

„Goede God!” riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant gebonden minnaar verblind werd; „waar heb jij die jas gevonden?”

„Tusschen mijn papieren,” antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen.

„Ik heb het,” zeide hij, toen zij alleen waren; „daar heb je het zaakje,” en hij liet een handvol goudstukken zien.

„Voorwaarts, marsch dan!” riep Marcel uit; „laten we de magazijnen gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!”

„En Mimi dan!” voegde Rodolphe eraan toe. „Nou vooruit, ga je mee, Schaunard?”

„Laat ik nog even op één ding wijzen!” antwoordde de gammakunstenaar. „Wanneer we de dames overladen met de duizend luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe d’Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen, zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven, maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?” Deze vraag was gericht tot Colline, die tijdens Schaunard’s rede binnengekomen was.

„Ondank is de zoon der weldaad,” zeide de wijsgeer.

„En ook mogen jullie wel eens overwegen,” ging Schaunard voort, „wat voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij,” voegde Schaunard er aan toe, terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, „ik kan mij nu, Goddank, overal laten zien!”

Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd toch besloten den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames te plunderen.

En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de „Twee Apen” en een modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard, die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en blies de ouverture van „De Karavaan.”

Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen, vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets anders uitbrengen dan de woorden:

„O, mijn Alexander, mijn Alexander!”

„Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes weigert,” mompelde de wijsgeer Colline.

Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben.

„We gaan naar buiten!” zeide hij.

„Dat is zoo moeilijk niet!” riep Musette uit. „Het is niet voor het eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt, genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?”

„Natuurlijk!” riepen Mimi en Phémie tegelijk uit.

Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust.

De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe: „Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op je balkon zien, om mijn komst te melden!”

Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden, om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen.

Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen, die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft.

Vooral Musette straalde van schoonheid.

„Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest,” zeide zij tot Marcel; „het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is, in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor,” voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf.

Phémie had iets, dat haar hinderde.

„Ik houd wel van het groen en de kleine vogels,” zeide zij; „maar buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?”

Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses.

Toen zij ’s avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline, die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot op tafel.

„Wat moeten we daarmee beginnen?” vroeg Marcel.

„Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?” was Schaunard’s antwoord.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings