De doortocht door de Roode Zee.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Gedurende langen tijd had Marcel zich door de hardnekkige weigeringen, welke bij iedere tentoonstelling aan zijn doek ter deel vielen, niet laten ontmoedigen. Hij had zich nu eenmaal in zijn hoofd gezet, dat zijn werk, in kleinere verhoudingen dan, het verwachte pendant was van de „Bruiloft te Kanaän”, dat gigantische meesterwerk, welks schitterende kleurenpracht het stof van drie eeuwen niet dof had kunnen maken. Ieder jaar zond Marcel dan ook weer tegen de opening van den „Salon” zijn doek aan de jury ter beoordeeling. Alleen wijzigde hij, om de juryleden op een dwaalspoor te brengen en te trachten het vooroordeel, dat zij blijkbaar tegen de „Doortocht van de Roode Zee” hadden, op te heffen, telkens een of ander detail, zonder echter iets te veranderen aan de compositie in haar geheel, en gaf het doek dienovereenkomstig een anderen naam.
Op die wijze kwam de schilderij op een goeden dag als „Overtocht over den Rubicon” voor de jury; maar Pharao, die onder den mantel van Caesar slecht vermomd was, werd herkend en met alle eer, die hem verschuldigd was, afgewezen.
Het volgend jaar bracht Marcel op verschillende punten van het linnen witte plekken aan, als zinnebeeld van de sneeuw, plantte in een hoek een den, trok een Egyptenaar den uniform van een grenadier der keizerlijke garde aan en doopte zijn schilderij: „Overtocht over de Beresina.”
Doch de jury, die dit jaar haar brillen op de opslagen van haar met groene palmtakken versierde rokken goed had schoongeveegd, werd geen slachtoffer van deze nieuwe list. Zij herkende het hardnekkige doek onmiddellijk en wel aan een groot, bont paard, dat schrikkend voor een golf der Roode Zee, steigerde. De robe van dit duivelsche paard werd door Marcel gebruikt voor alle proefnemingen, die hij op het gebied van coloriet deed, en hij noemde het in vertrouwelijke gesprekken de „synoptische tabel der fijne tinten,” omdat hij met het spel van licht en schaduw op die plaats de meest verschillende kleurencombinaties wist aan te brengen. Doch, ongevoelig voor dit détail, had ook ditmaal de jury geen zwarte bolletjes genoeg om den „Overtocht over de Beresina” te weigeren.
„Goed,” zeide Marcel, „dat dacht ik wel. Het volgend jaar zal ik het inzenden onder den titel: „Doortocht door de panorama’s”.”
„Zij zullen voor den gek, gi, ga, gi, ga, gek gehouden worden!” zong Schaunard op een nieuwe door hem gecomponeerde melodie, een vreeselijke melodie, lawaaierig als een gamma van donderslagen, en waarvan de begeleiding de schrik van alle piano’s in de buurt was.
„Hoe kunnen zij het weigeren zonder dat al het vermillioen van mijn Roode Zee hun op het gelaat komt en het met het scharlaken van schaamte bedekt?” mompelde Marcel, terwijl hij naar zijn doek keek..... „Wanneer men bedenkt, dat er voor honderd daalders verf en een millioen genie op zit, zonder nog te spreken van mijn schoone jeugd, die zoo kaal geworden is als mijn vilten hoed. Een ernstig werk, dat nieuwe horizonten voor de glazuurkunst opent. Maar zij zullen het niet voor de laatste maal gezien hebben; tot aan mijn laatsten ademtocht zal ik mijn schilderij inzenden. Ik zal zorgen dat het tenminste in hun geheugen gegraveerd blijft!”
„Dat is de zekerste manier, om er gravures van te krijgen,” merkte Gustave Colline op en voegde er voor zichzelf aan toe: „Een heel aardige woordspeling, heel aardig .... die zal ik verder vertellen.”
Marcel bleef zijn verwenschingen uitbraken, die Schaunard steeds weer op muziek bracht.
„Zij willen mij niet in den Salon toelaten!” riep Marcel uit. „Ha, de regeering betaalt ze, geeft ze onderdak en het kruis van het Legioen van Eer, alleen maar met het doel, om eens per jaar, den eersten Maart, mijn doek te weigeren .... Maar ik zie heel goed, wat zij daarmede voor hebben, ik zie het heel goed in; zij hopen, dat ik mijn penseelen in stukken zal breken. Zij denken misschien wel, dat ik, wanneer zij mijn „Doortocht door de Roode Zee” weigeren, mij hals over kop uit het raam van de wanhoop zal storten. Maar zij kennen mijn hart al heel slecht, als ze me door zoo’n plompe list hopen te vangen. Ik zal voortaan de opening van den Salon niet afwachten. Van af heden zal mijn schilderij het Damokles-doek zijn, dat eeuwig boven hun leven zal hangen. Ik zal het van nu af eenmaal per week aan een van de heeren thuis zenden, in zijn eigen woning, in de schoot van zijn familie, midden in het hart van zijn particulier leven. Het zal hun huiselijke vreugde vergiftigen; zij zullen daardoor hun wijn zuur, hun wild aangebrand, hun vrouwen onuitstaanbaar vinden. Zij zullen binnen zeer korten tijd krankzinnig worden; en men zal ze een dwangbuis moeten aantrekken om op de zittingsdagen naar den Salon te kunnen gaan. Dat denkbeeld lacht mij toe.”
Eenige dagen later, toen Marcel zijn vreeselijke wraakplannen tegen zijn vervolgers reeds lang weer vergeten had, kreeg hij bezoek van vader Médicis. Zoo noemde men in den vriendenkring een Jood, Salomon geheeten, die toentertijd heel goed bekend was aan alle artistieke en litteraire bohémiens, met wie hij bijna dagelijks in aanraking kwam. Vader Médicis schacherde in alles en nog wat. Hij verkocht complete ameublementen van twaalf tot duizend daalders. Hij kocht alles en wist alles met winst weer kwijt te raken. De wisselbank van Proudhon is niets vergeleken bij het door Salomon toegepaste systeem, die het schachergenie bezat in een graad, welken zelfs de handigsten van zijn geloofsgenooten nog niet bereikt hadden. Zijn winkel op de Place du Caroussel was een tooverpaleis, waarin je alles vondt, wat je maar noodig hadt. Alle producten der natuur, alle voortbrengselen der kunst, alles wat voortkomt uit de ingewanden der aarde en het brein der menschen—alles was voor Médicis een handelsobject. Hij schacherde in alles, absoluut in alles, wat maar bestaat, hij werkte zelfs in het denkbeeldige. Médicis kocht n.l. denkbeelden, hetzij om ze zelf te exploiteeren, hetzij om ze weer te verkoopen. Bekend met alle schrijvers en alle kunstenaars, vertrouwde van de paletten en vriend van den inktpot, was hij om zoo te zeggen de Asmodé der kunsten. Hij gaf je sigaren in ruil voor een feuilleton, pantoffels voor een sonnet, versche zeevisch voor paradoxen; hij praatte tegen betaling—per uur zoo en zooveel—met de journalisten, die stof voor de chronique scandaleuse moesten verzamelen; hij bezorgde je toegangskaarten voor de kamertribunes en uitnoodigingen voor particuliere soirées; hij gaf schildersleerlingen onderdak per nacht, per week of per maand en liet zich daarvoor met copieën naar oude meesters in den Louvre betalen. De coulissen hadden voor hem geen geheimen. Hij zorgde ervoor, dat stukken werden aangenomen door de theaterdirecties. Hij was een wandelend adresboek van Parijs en kende de namen, de woonplaatsen en de geheimen van alle beroemdheden—zelfs van de meest obscure.
Beter echter dan de uitvoerigste verklaring zullen eenige bladzijden uit zijn memoriaal u een denkbeeld kunnen geven van zijn alles omvattenden handel:
20 Maart 184..
Verkocht aan den antiquair L. het kompas, dat Archimedes tijdens het beleg van Syracuse gebruikt heeft. 75 francs
Gekocht van den journalist V. ... de verzamelde, nog niet opengesneden werken van * * * *, lid der Académie. 10 francs
Verkocht aan denzelfde een kritisch opstel over de verzamelde werken van * * * * lid der Académie. 30 francs
Verkocht aan * * *, lid der Académie, een feuilleton van twaalf kolom over zijn verzamelde werken. 50 francs
Gekocht van den schrijver R . . . een kritische verhandeling over de verzamelde werken van * * * * , lid der Académie française 10 francs
benevens 50 pond steenkool en 2 K.G. koffie.
Verkocht aan * * * * een porseleinen vaas, die aan madame du Barry toebehoord heeft. 18 francs
Gekocht van de kleine D .... haar haar. 15 francs
Gekocht van B .... een verzameling zedestudiën en de drie laatste spelfouten van den prefect van de Seine 6 francs
benevens een paar Napolitaansche laarzen
Verkocht aan Mlle. O ..... een blonde haarvlecht. 120 francs
Gekocht van den historieschilder M. een reeks vroolijke teekeningen 25 francs
Voor het opgeven aan mijnheer Ferdinand van het uur, waarop barones R .... de P..... naar de kerk gaat, en voor het verhuren van den kleinen entresol in den faubourg Montmartre, te zamen 30 francs
Verkocht aan mijnheer Isidore zijn portret als Apollo 30 francs
Verkocht aan Mlle. R .... een paar kreeften en zes paar handschoenen 36 francs
(Ontvangen als voorschot 2 fr. 75 c.)
Voor het verschaffen van een zesmaandsch crediet aan dezelfde bij madame * * *, modiste
(Prijs nader overeen te komen)
Voor het verschaffen aan madame * * *, modiste, van Mlle. R ..... als klant
(In plaats contant geld ontvangen 3 M. zijde en 6 el kant).
Gekocht van den journalist R .... een vordering van 120 francs op het blad * * *, thans in liquidatie 5 francs
benevens 2 pond Turksche tabak.
Verkocht aan mijnheer Ferdinand twee liefdesbrieven. 12 francs
Gekocht van den schilder J .... het portret van Isidore als Apollo. 6 francs
Gekocht van * * * * 75 K.G. van zijn werk over „Onderzeesche revoluties” 15 francs
Verhuurd aan gravin de G .... een Saksisch servies 20 francs
Gekocht van den journalist * * * * 52 regels in zijn Courrier de Paris 100 francs
Verkocht aan O .... & Co. 52 regels in den Courrier de Paris van * * * * 300 francs
Verhuurd aan Mlle. S .... G. .. op één dag een bed en een equipage . . . . . memorie
(Zie de rekening van Mlle. S . ... G ..... in het grootboek, folio’s 26 en 27)
Gekocht van Gustave C .. . een brochure over de linnen-industrie 50 francs
benevens een zeldzame editie van Flavius Josephus.
Verkocht aan Mlle. S .... G . . . een modern ameublement 5000 francs
Voor dezelfde een rekening bij den apotheker betaald 75 francs
Idem idem bij de melkvrouw . . . . 3 fr. 85 c.
Enz. enz.
Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit door iemand lastig gevallen was.
Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad, zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger, de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag tegen het einde der maand—een rampzalige dag en een sinistere datum.
Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet, want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren.
„Goedenavond, heeren!” zeide de Jood. „Hoe gaat het?”
„Colline!” riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in het genot van een horizontale houding; „Colline, neem jij de honneurs waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u uit naam van Abraham!” voegde de dichter eraan toe.
Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof dien naar den Jood toen en zeide gastvrij:
Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid, dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken.
„Laten we nu naar het lied luisteren,” fluisterde Rodolphe Marcel in. „Het accompagnement is niet kwaad.”
„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „ik kom uw fortuin maken. Dat wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel, de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is.”
„Papa Médicis,” zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; „in naam der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!”
„Ja,” voegde Colline eraan toe; „even kort als koning Pepijn, die even bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!”
„Hei, hei, hei!” riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen.
Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen.
„De zaak is deze,” ging Médicis voort. „Een rijke liefhebber, die een galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te ruimen; in één woord: ik wil uw „Doortocht door de Roode Zee” koopen.”
„A contant?” vroeg Marcel.
„A contant,” antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak weer spelen.
„Ben je nou tevreden?” vroeg Colline.
„Natuurlijk,” zeide Rodolphe woedend; „we moeten waarachtig een paar bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets heiligs voor jou, vervloekte atheïst?”
Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god van het zwijgen, aan.
„Ga verder, Médicis,” zeide Marcel en wees op zijn schilderij: „Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk onbetaalbaar is, te bepalen.”
De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer.
„Dat is de voorhoede,” zeide Marcel; „en wat verder?”
„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „u weet heel goed, dat mijn eerste woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?”
„Maar te weinig,” antwoordde de artist; „alleen aan den mantel van Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u Leo X noemen, Leo X bis.”
„Ziehier mijn laatste woord,” antwoordde Médicis; „ik doe er geen sou bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust, en bij het dessert betaal ik in goud.”
„Niemand meer?” brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op tafel. „Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!”
„Nou goed dan!” zeide Marcel.
„Ik zal morgen de schilderij laten halen,” zeide de Jood. „En nu mee, mijne heeren, de tafel is gedekt!”
Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: „A table, à table!” gingen de vier vrienden naar beneden.
Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte, welke dicht aan waanzin grensde.
De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige gevolgen voor Marcel, die, toen hij ’s morgens om twee uur voorbij zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken, om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had, op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in Colline’s geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand van den afgrond.
Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de „Doortocht door de Roode Zee” nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en het doek heette nu: „In de haven van Marseille.” Toen het doek onthuld werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en bewondering hooren.
Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf:
„De stem van het volk is de stem van God!”