Een Café der Bohème.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème werd.
Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten onmogelijk gemaakt.
De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De gesprekken van het vriendenviertal waren van dien aard, dat de kellner, die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was.
Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit, dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven te geven:
1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie.
Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig artikel van Gustave Colline verscheen.
2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van ’s ochtends tien tot ’s nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat bord door die heeren, die telkens, als men er hen om kwam vragen, strijk en zet antwoordden:
„Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug.”
Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen.
3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is, heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel, zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen.
4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: „De invloed van het blauw in de kunsten” te laten zingen. Mijnheer Schaunard is nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift:
GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE GESLACHTEN.
Zich aan te melden aan het buffet.
Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen „waar ze wezen motten.”
Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame, die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft.
Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij geen voet meer zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt.
5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht, waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een beleediging is voor de keuken van het etablissement.
6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen.
Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen.
Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte van een artistiek en litterair café verheven was.
„Maar,” merkte de eigenaar van het café op, „u en uw vrienden verteert zoo weinig.”
„Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument ten gunste van onze goede zeden,” was Colline’s antwoord. „Bovendien hangt het slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft dan slechts crediet te geven.”
„Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven,” zeide Marcel.
De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur en ijver zijn onschuld.
„Trouwens,” voegde hij eraan toe, „de deugd van uw vrouw was een zekere barrière, die ....”
In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe crediet zou gegeven worden.
Gedurende enkele dagen ging alles goed.
Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van hun respectievelijke „echtgenooten” in het café.
Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst persoontje met een stem, helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag, was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma’s in de handschriften van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe, die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den Almanach des Muses verzameld had, verkoopen.
Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf, keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor hem afspeelde.
Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt, alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles, wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens gelijk met hem aan het buffet stond, had hij gezien, dat hij een louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af noemden de vier vrienden hem den „kapitalist.”
Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de glazen leeg waren.
„Voor den duivel,” zeide Rodolphe; „het is de avond vòòr Kerstmis; wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen.”
„Waarachtig, zeker,” zeide Marcel, „laten we bovennatuurlijke dingen bestellen.”
„Colline,” voegde Rodolphe eraan toe, „bel den kellner eens.”
Colline belde als een bezetene.
„Wat zal het zijn?” vroeg Marcel.
Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig graden en zeide, op de dames wijzend:
„Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen te bepalen.”
„Ik,” zeide Musette, die met haar tong klapte, „ik zou een glas champagne niet graag weigeren.”
„Ben je niet wijs?” vloog Marcel op. „Champagne .... dat is zelfs geen wijn.”
„Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai.”
„Ik,” zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde, „ik zou graag beaune willen hebben in zoo’n klein mandje.”
„Is jouw hoofd op hol?” vroeg Rodolphe.
„Neen, maar ik wil het laten hollen,” antwoordde Mimi, op wie de beaune een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd.
„En ik,” zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat te springen, „ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag.”
Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden voort, die Phémie op haar basis deden sidderen.
„Ach wat!” zeide Marcel, „het is niet alle dagen ker(st)mis, laten we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren.”
„En,” voegde Rodolphe eraan toe, „laten we niet vergeten, dat de baas zich beklaagt, dat we te weinig verteren.”
„Dat is zoo,” zeide Colline. „Laten we een schitterend festijn aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,—de vrouwen zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner, kellner!”
En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord hangen.
De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind.
Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken, speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af.
„Ik heb zoo’n leeg gevoel in mijn maag,” zeide Mimi, „ik zou wel trek in een paar sneedjes ham hebben.”
„En ik in sardientjes met boter,” voegde Musette eraan toe.
„En ik in radijs,” zeide Phémie, „met wat vleesch erom heen.”
„Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben,” merkte Marcel op.
„Dat zou heusch zoo’n gek idée niet zijn,” antwoordden de vrouwen.
„Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is,” zeide Colline ernstig.
De kellner was van verbazing driekleurig geworden.
Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den eigenaar van het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden.
De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen.
De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper te laten opdienen.
„Eigenlijk heb je gelijk,” zeide hij; „het is best mogelijk, dat zij bij uitzondering eens geld hebben.” En hij gaf den kellner order alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid!
Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen; Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield, terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst het uur der ontknooping naderen.
De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel; van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan; dan hoorde men een knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte.
Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees.
„Ja,” zeide Marcel, „nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn.”
Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal.
Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus, doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger, en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames.
Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en den eigenaar van het établissement geopend.
Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en modenieuwtjes.
De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding varen; langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling:
„Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar met hen in orde.”
Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen, zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren, wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn, snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord:
„Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan te grijpen?”
„Zeker, zeker,” zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling heen wilde.
Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen.
De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles.
„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij eenigszins heftig, „u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden aansluiten...”
„Heeren,” begon Barbemuche, „ik ben evenals u een discipel der schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken, stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot uw vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden, door den kleinen dienst aan te nemen, dien ....”
Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging.
„Hij speculeert op onzen toestand,” zeide hij. „Wij mogen zijn aanbod niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald—ik zal met hem een partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar caramboles voorgeven.”
Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen.
„Op die manier,” zeide Schaunard tot Marcel, „zijn we hem niets schuldig en is onze waardigheid gered.”
„En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen,” voegde Colline eraan toe.