De golven van den Pactolus.1
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
De golven van den Pactolus.1
Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier, waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt uitbetaald gekregen had.
Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige, eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang zijn begeerte had opgewekt.
Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden was, een verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren, en hij mompelde:
„Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder zoo’n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst aan den kapstok te hangen en straatroover te worden.”
En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn „Doortocht door de Roode Zee,” waaraan hij nu al drie jaar bezig was.
Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: „We zullen dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden.” En hij liet een vijffrancstuk vallen.
Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een artikel uit de „Revue des deux Mondes”.
De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke middelen het verkregen was.
Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen.
Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel als door een electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit:
„Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?”
Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond.
Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de eerste opvoering van „Johanna van Vlaanderen”. Plotseling en zonder eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter bij Danaë.
Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet, was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout.
Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen, beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo’n pijn deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een treurspelheld uit:
„Mag ik mijn oogen gelooven?”
En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend:
„Geef mij de verklaring van dit mysterie!”
„Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!”
„Maar hoe dan....?”
„Dit goud is de vrucht van mijn zweet,” zeide Rodolphe, terwijl hij het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs en dacht:
„Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken.”
„Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn,” dacht op zijn beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te trillen. „Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn „Doortocht door de Roode Zee” te koopen!”
Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote plechtigheid in gebaar en stem zeide hij:
„Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten.”
„En het paard het edelste der dieren,” viel Marcel hem in de rede. „Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven der school van het gezond verstand?”
„Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen,” zeide Rodolphe; „zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben.”
„Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?”
„Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt, zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is oeconomie noodig.”
„Beste vriend,” zeide Marcel, „de oeconomie is een wetenschap, die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say, een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je daar een Turksche pijp?”
„Ja,” zeide Rodolphe: „die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht.”
„Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en durft dan nog van oeconomie te praten?”
„Dat is zeer zeker oeconomie,” antwoordde Rodolphe; „ik brak iederen dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb .... Het is dus in werkelijkheid een besparing.”
„Waarachtig,” zeide Marcel; „je hebt gelijk, daar zou ik nooit op gekomen zijn.”
Op dat oogenblik sloeg het zes uur.
„Laten we nu gauw gaan dineeren,” zeide Rodolphe; „ik wil vanavond nog met de uitvoering van mijn plan beginnen. Maar van eten gesproken, daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen gaan we buitenshuis eten.”
„Uitstekend,” zeide Marcel; „twintig pas hier vandaan is een uitstekend restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is, behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan geld uitgeven.”
„Vandaag zullen we nog gaan,” zeide Rodolphe; „maar morgen of overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid nemen.”
„Neen, neen!” viel Marcel hem in de rede; „laten we liever een knecht nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen, mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen, dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen.”
„Wacht even!” zeide Rodolphe; „ik heb nog een ander idée .... maar laten we eerst gaan dineeren!”
Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort.
„Weet je wat mijn idée is?” waagde Rodolphe op te merken; „wat zou je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?”
„Een maîtresse voor twee man!” viel Marcel verbaasd uit; „dat zou de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen, waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht; bovendien staat dat deftig ook!”
„Je hebt gelijk,” zeide Rodolphe; „wij zullen een intelligenten jongen nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem leeren redigeeren.”
„Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag,” zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg, optelde. „Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor dertig sous samen.”
„Dat is zoo,” vond Rodolphe, „maar we dineerden slecht en waren daardoor genoodzaakt ’s avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is het dus een besparing.”
„Tegen jou valt niet te redeneeren,” mompelde de schilder, door die redeneering overtuigd; „jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond werken?”
„Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?”
„Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs.”
„Waarvoor?”
„Ik wil over den Pont des Arts gaan.”
„O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel groot, toch met onze principes in strijd is.”
„Ik heb ongelijk, het is zoo,” antwoordde Marcel; „ik zal over den Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig.”
De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een verschillenden weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen beiden op dezelfde plaats terugbracht.
„Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?” vroeg Marcel.
„En was de oude Médicis er niet?” was Rodolphe’s wedervraag.
En zij barstten in lachen uit.
Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden ochtend namelijk.
Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi, zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen.
Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen: wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden, destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel op te rooken en ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe.
Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor zijn „Doortocht door de Roode Zee” laten poseeren. Baptiste weigerde dit beslist en zeide zijn dienst op.
„Goed,” zeide Marcel; „we zullen vanavond afrekenen.”
Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste beslist weggezonden moest worden.
„Wij hebben absoluut geen nut van hem,” zeide hij.
„Dat is zoo,” antwoordde Rodolphe; „hij is een levend kunstvoorwerp.”
„Hij is zoo dom als het achtereind van een koe.”
„En lui!”
„Hij moet weg.”
„Laten we hem wegsturen!”
„Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker hazenpeper maken.”
„En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn.”
„Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die discussies met hem.”
„Hij hindert ons in ons werk.”
„Het is zijn schuld, dat ik mijn „Doortocht door de Roode Zee” nog niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao te poseeren.”
„En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen, die ik noodig had, te gaan halen.”
„Hij ruïneert ons.”
„We kunnen hem beslist niet houden.”
„Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen.”
„Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik met hem afrekenen.”
„Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!”
„Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur belast,” zeide Rodolphe.
„Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!” riep Marcel uit.
„Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je, zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen we de fout wel vinden.”
„Ja, die wel,” zeide Marcel, „maar niet het geld. Maar dat hindert minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen.”
Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën van Sancta Oeconomica begonnen was.
„19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp, 25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs.”
„Wat zijn dat voor uitgaven?” vroeg Rodolphe aan Marcel, die las.
„Dat weet je wel,” antwoordde deze, „dat is de avond, dat we ’s morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en licht gespaard.”
„Verder.”
„20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen.”
„Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d’Iris een verslag over de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle kan je geen schilderijen beoordeelen; dat was een gerechtvaardigde uitgave. Verder? ....”
„Een wandelstok ...”
„O, die is voor jouw rekening,” zeide Rodolphe. „Je hadt geen wandelstok noodig.”
„Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is,” zeide Marcel, die op Rodolphe’s uitval niet inging. „Den 21sten hebben we in de stad geluncht, gedineerd en gesoupeerd.”
„Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?”
„Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs.”
„Maar waaraan toch in hemelsnaam?”
„Dat weet ik niet meer,” antwoordde Marcel; „maar het staat onder de rubriek: Diversen.”
„Dat is een heel vage en verraderlijke titel,” riep Rodolphe.
„22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is; we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren, 2 fr. 40 c.”
„Lieve Hemel,” zeide Rodolphe, „verklaar mij toch eens de tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens op brandewijn geweest waren!”
„Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren,” antwoordde Marcel. „Doch lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het spaarzaamheidsprincipe afgeweken.”
„23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede dagen, 25 Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste.”
„Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben,” zeide Marcel.
„Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen,” antwoordde Rodolphe. „Ga verder.”
„26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven, 36 fr. 40 c.”
„Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?” vroeg Rodolphe; „ik herinner me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?”
„Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien.”
„Maar dat kost toch niet meer dan acht sous,” dacht Rodolphe.
„Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan dineeren.”
„Dan is de zaak duidelijk.”
„27 Maart: Niets!”
„Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!”
„28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr.”
„O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen.”
„29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den 31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus, dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt op geen stukken na 500 francs.”
„Dan moet er nog geld in kas zijn.”
„We zullen zien,” zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. „Neen, er is niets meer, alleen een spin.”
„Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen,” merkte Rodolphe op.
„Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?” vroeg Marcel, terneergeslagen bij het zien van de ledige kas.
„Vraag je dat nog?” zeide Rodolphe. „Dat is nogal eenvoudig: we hebben het aan Baptiste gegeven.”
„Wat is dat?” riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. „De rekening voor het laatste kwartaal huur!”
„Hoe is die hier gekomen?” vroeg Rodolphe.
„En gequiteerd ook!” voegde Marcel eraan toe. „Heb jij huur betaald?”
„Ik? Loop nou rond!”
„Maar wat beteekent dan?”
„Maar ik bezweer je ....”
„Wat is dan dit mysterie?” zongen zij in koor op de melodie der finale van La Dame Blanche.
Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen.
Marcel liet hem de quitantie zien.
„O ja, dat is waar ook!” zeide Baptiste langs zijn neus weg; „dat had ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen, heb ik hem maar betaald.”
„Waar heb je dat geld vandaan gehaald?”
„O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen: „Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;” en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het bevel gekregen te hebben.”
„Baptiste,” zeide Marcel, ziedend van woede, „je hebt onze bevelen overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste, geef je livrei terug.”
Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond, af en gaf die aan Marcel.
„Goed,” zeide deze; „je kunt gaan ...”
„En mijn loon?”
„Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?”
„Op het slappe koord,” voegde Rodolphe eraan toe.
„Ik sta dus alleen op de wereld,” zeide de ongelukkige knecht; „zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!”
„Neem dan je livrei maar terug,” antwoordde Marcel, ondanks zichzelf aangedaan.
En hij gaf de pet aan Baptiste terug.
„En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist,” zeide Rodolphe, toen hij den armen Baptiste zag weggaan. „Waar dineeren we vandaag?”
„Dat zullen we morgen weten,” antwoordde Marcel.